De ruimte en de lucht

Om jezelf lekker ‘in de markt te zetten’ is het vaak handig om je scherp te keren tegen je voorgangers. Je ziet dat aan hedendaagse politici, die luidkeels roepen dat het vorige kabinet er een puinhoop van heeft gemaakt, maar het is iets wat bepaald niet nieuw is. In 1489 schreef Erasmus in een brief over de culturele en intellectuele prestaties van de klassieke oudheid. Daarna was de cultuur echter ten prooi gevallen aan 'de steeds toenemende botheid van de barbaren’, zodat er niets meer van overbleef. 'Toen begonnen de ongeletterden, die nooit iets geleerd hadden, te onderwijzen wat zij niet wisten, wat zeg ik, het niet-weten te doceren en nog wel voor een goed loon. Zij begonnen de leerlingen die zij aannamen, dommer te maken, ja zelfs zo ver te brengen dat zij zichzelf niet meer kenden.’
En in The History of the Decline and Fall of the Roman Empire (1766-1788) kenschetste Edward Gibbon de eeuwen na de ondergang van Rome als een periode van 'barbarism and religion’. Hierna stelde Jacob Burckhardt in Die Kultur der Renaissance in Italien (1860) dat de moderne wereld pas was ontstaan nadat in de veertiende en vijftiende eeuw de 'uit geloof, kinderlijke bevangenheid en illusie’ geweven sluier was opgelost, die tot dan toe de 'beide zijden van het menselijk bewustzijn, het op de wereld gericht zijn en het naar binnen gekeerd zijn’ had bedekt. Pas toen kreeg de mens de ruimte en de lucht om op onbevangen wijze naar de wereld om hem heen te kijken en daar gericht onderzoek naar te doen. Pas na deze bevrijding was de weg geëffend voor een kunst die niet op God maar op de mens gericht was, en voor de Wetenschappelijke Revolutie.
In navolging van Petrarca waren Erasmus en de andere humanisten uit de zogenoemde Renaissance de periode tussen het einde van het West-Romeinse Rijk en hun eigen tijd gaan zien als een duistere 'tussentijd’, als 'Middeleeuwen’ waarin de ontwikkeling van de beschaving had stilgestaan. Terwijl Erasmus nog diepgelovig was, kwamen vanaf de Verlichting steeds meer denkers tot de conclusie dat er één instantie was die schuldig was aan deze intellectuele stilstand en kaalslag: de kerk. Het geloof in een hogere macht stond immers lijnrecht tegenover het moderne, wetenschappelijke denken, zodat het logisch was dat de kerk eeuwenlang elke vorm van innovatief denken had gefrustreerd, tegengewerkt en zo nodig te vuur en te zwaard had bestreden. Klapstuk in dit drama was uiteraard het proces dat de Inquisitie begin zeventiende eeuw voerde tegen Galileo Galileï.
Het is een prachtig, bij tijd en wijle zelfs bloedstollend verhaal, dat door velen nog steeds geloofd wordt, maar dat weinig overeenkomst met de werkelijkheid vertoont. In Gods filosofen laat de Britse wetenschapshistoricus James Hannam zien dat er in de jaren vóór 1500 op wetenschappelijk en technologisch gebied wel degelijk vooruitgang werd geboekt. De ondertitel van zijn boek luidt dan ook: Hoe in de Middeleeuwen de basis werd gelegd voor de moderne wetenschap. Bovendien maakt hij duidelijk dat de rol van de kerk hierbij beslist niet altijd negatief was. Sterker, juist het godsdienstige denken heeft bijgedragen aan het ontstaan van een geestelijk klimaat en een institutionele ruimte waarbinnen onderzoek naar de natuur mogelijk was.
Voor het gebouw van de moderne wetenschap, dat pas na 1800 werd opgetrokken, werden volgens Hannam reeds in de Middeleeuwen een viertal 'hoekstenen’ gelegd. Het ontstaan van universiteiten, die een grotere mate van intellectuele vrijheid kenden dan vaak wordt aangenomen, vormde een institutionele hoeksteen. Daarnaast werden de Middeleeuwen gekenmerkt door een opvallende technologische vooruitgang. Uitvindingen als het kompas, papier, de drukkunst, stijgbeugels en buskruit waren weliswaar afkomstig uit het Verre Oosten, maar werden in Europa wel ontwikkeld tot een veel hoger niveau dan in de landen van herkomst. Bovendien werden in het middeleeuwse Europa ook nog de bril, de mechanische klok, de windmolen en de hoogoven uitgevonden, terwijl zich op het gebied van de landbouw een revolutionaire ontwikkeling voltrok die leidde tot enorme productieverhoging.
De derde hoeksteen werd opmerkelijk genoeg gevormd door het geloof dat God de natuur had geschapen. Hierdoor werd onderzoek naar de natuur een legitiem studieterrein, omdat de mens via de natuur zijn Schepper kon leren kennen. Dit was een drijfveer die zelfs nog voor Newton gold. Tot slot geeft Hannam tal van voorbeelden waaruit blijkt dat er in de Middeleeuwen verschillende theorieën zijn ontwikkeld waarop latere wetenschappers konden voortbouwen, en waarzonder Copernicus, Kepler en Galileï nooit hun baanbrekende werk hadden kunnen doen.
Hoewel Hannam in zijn ijver om aan te tonen dat de Middeleeuwen veel waardevols hebben voortgebracht soms wat drammerig overkomt, heeft hij een bijzonder levendig en lezenswaardig boek geschreven. Hierin passeert niet alleen een hele reeks kleurige, briljante en eigenwijze natuurfilosofen de revue, maar wordt ook haarfijn aangegeven in welke opzichten het middeleeuwse denken verschilde van het denken in de oudheid, en welke relatie er was tussen magie en wetenschap. Hannam vertelt geen rechtlijnig en eenduidig verhaal, maar wel een verhaal dat veel rijker en genuanceerder is dan het sprookje waarin tal van radicale atheïsten geloven.

JAMES HANNAM
GODS FILOSOFEN: HOE IN DE MIDDELEEUWEN DE BASIS WERD GELEGD VOOR DE MODERNE WETENSCHAP
Nieuw Amsterdam, 448 blz., € 29,95