De ruimte van het volledige leven

Zou poëzie dan echt een minder belangwekkende kunstvorm zijn dan proza? Misschien omdat ‘de’ Nederlandstalige poëzie zogenaamd gemakzuchtig zou zijn (en het Nederlandstalige proza natuurlijk enkel ambitieus en geweldig)? Of komt het uiteindelijk toch gewoon neer op ordinaire verkoopbaarheid? Dat laatste zou je haast denken als weer eens blijkt dat de maandelijkse boekenpanels een talentvol dichter pas uitverkiezen als die met een roman op de proppen komt. Ja, nu doe je ertoe, beste dichter!

Small radna fabias  c  wouter le duc rvtot05102020kb
Radna Fabias – gulzige poëzie © Wouter le Duc / De Arbeiderspers

Heeft Radna Fabias (Curaçao, 1983) overwogen om haar verhaal in prozavorm te vertellen? Best mogelijk, maar haar debuut Habitus is gelukkig een dichtbundel, en een barstensvolle en overdonderende dichtbundel bovendien. Fabias durft alle hoeken en gaten van de poëzie als kunstvorm te benutten, de gedichten zijn dan weer kort en lyrisch, dan weer verhalend en lang, nu eens helder en toegankelijk en dan weer hermetisch en experimenteel, dikwijls met gebruik van montagetechnieken, zoals ze demonstreert in ‘uitzicht met kokosnoot (in sovjet-montage)’: ‘de tropen kleuren oranje geel oranje geler maar/ iemand blijft bellen en huilen’. Fabias last hier ‘gevonden’ frasen en scènes op slimme wijze aaneen om zo het cliché van het idyllische, tropische landschap te ondergraven, maar zonder in de verleiding te komen van een uitleg of toelichting. Ondanks de sterk thematische inzet blijft het daardoor poëzie die om herlezing vraagt, waardoor je als lezer écht geëngageerd raakt met de onderwerpen die Fabias aansnijdt, zoals armoede, machogedrag, klassenverschillen, seksisme – gewoon, omdat je gedwongen wordt zélf verbanden te leggen en te duiden:

de zee is blauw en de zee omarmt mij
maar iemand heeft spasmes
iemand hallucineert een rondborstige godin in camouflagekleding
iemand hoort stemmen
iemand drinkt champagne en tranen
iemand treurt om een oliebol en een lied van ramses shaffy
iemand haalt zijn neus op en stort zich op poedersuiker
iemand valt in het water in een diepe slaap

In haar gulzige poëzie probeert Fabias de gelijktijdigheid, meerduidigheid en vloeibaarheid van haar (en ons) leven en denken te verbeelden en te verwoorden. Uit de vijftig merendeels lange gedichten, verdeeld over vier afdelingen – ‘uitzicht met kokosnoot’, ‘rib’, ‘aantoonbaar geleverde inspanning’ en ‘epiloog’ – komt een kritische stem te voorschijn die noodgedwongen acteert en maskeert, terwijl ze er ook gewoon ‘bij’ probeert te horen, zowel op het Caribische eiland als in Nederland. Het lyrisch ik is zich sterk bewust van de sociale omgeving waaruit ze voortkomt, maar migratie maakt dat het vanzelfsprekende niet langer vanzelfsprekend is, terwijl ook het nieuwe leven blijft wringen. Dat lees ik bijvoorbeeld terug in het lange gedicht ‘aantoonbaar geleverde inspanning’ die de derde afdeling afsluit. De ik is hier een ‘ballotant’ die solliciteert naar aanvaarding en naar een veilig plekje in de nieuwe maatschappij, waar ze tegelijkertijd ambivalent tegenover staat:

de ballotant bezoekt de juiste etablissementen
heeft geleerd een uur over een kop koffie te doen in ruil voor gratis wifi
verdient nu voldoende voor een macbook
weet welke sticker de juiste is om op de gloeiende appel te plakken
heeft een gepast kapsel gevonden
verbergt haar brandmerken

Fabias’ ironie en zelfspot geven lucht aan de ernstige thematiek. De ontheemde ballotant woont bijvoorbeeld voorbeeldig, precies zoals het hoort, ver weg van haar geboortegrond: ‘er is ruimte gecreëerd voor metaal en riet/ de verloren zon figureert in dit tafereel in drie objecten die in drie verschillende tinten/ geel het geheel helpen aarden, te weten: bank, bloempot en het verzameld werk van/ franz kafka’.

Adam spoelt aan

op zondagochtend op het kerkplein
in de stad – het is herfst er ligt blad
het toeval is van overheidswege
afgeschaft – ik raap hem op ik dep hem
droog ik houd hem om hem om hem
heen schrijf ik een zin waarin zijn knapzak past

adam rekt zich uit de verdrinking
heeft hem goed gedaan wat is hij
schoon hij heeft zes maskers hij
draagt er één dat heeft hij mee
uit de woestijn waar hij alleen was toen
intact nog en droog

Door het openingsgedicht ‘wat ik verstopte’ weten we dan al dat het lyrisch ik een wereld in haar verbergt die haar identiteit vormgeeft, maar waarvan de onmetelijkheid niet uit te leggen is, deels omdat die zo anders is. Zes bladzijden lang buitelen de beelden over elkaar heen: ‘de glimmende velgen/ de explosieve bassen uit de in de kofferbak geïnstalleerde subwoofers/ het stof van de dorre velden/ en haarvet: groen/ of de zwarte versie’. En verderop: ‘de straatjongens op te kleine fietsen/ hoe ze op de fiets om net menstruerende meisjes dansen/ de moeders die daarvoor waarschuwen’. En dat alles ‘door zee omringd’, op een plek waar alles ‘onder de zon verschroeit’, met ‘de verschrikking/ van toeristen’. Heimwee, walging, bewondering en minachting strijden om voorrang. Ook de positie van de vrouw (bijvoorbeeld het geweldige ‘gieser wildeman’), geloof en bijgeloof (‘kapitaal’) en misbruik (‘handoplegging’) komen in Habitus aan de orde: Fabias heeft veel op haar lever. Aan die overdonderende hoeveelheid kan misschien alleen in poëzievorm recht worden gedaan.

Als de bundel op bladzijde 112 uiteindelijk tot stilstand komt met de regels ‘dan rust ik/ hier roest ik/ hier stopt het’, ben je een grote leeservaring rijker. Een ‘must-read’, zou een beetje televisie-boekenpanel zeggen.