China leert langzaam lachen

De ruimtewezens van boer Li

Eeuwenlang was het levensgevaarlijk om grappen te maken in China, vooral over de hoogste autoriteiten. De normen raken langzaam opgerekt, maar nog altijd is er geen lijn in te ontdekken.

Boer Li is miskend. Dat vindt hij tenminste zelf. ‘Ik word niet geacht er nog over te praten’, vertelt hij aan de telefoon, ‘het enige wat ik wil zeggen is dat het als een grapje was bedoeld en dat het op een grote teleurstelling uitliep. Bovendien heb ik er best hard aan gewerkt.’

Li veroorzaakte vorige maand in China een internetsensatie met foto’s waarop hij poseerde naast een vrieskist waarin hij een ‘buitenaards wezen’ bewaarde. Had hij al een jaar. Hoogstpersoonlijk gevangen, meldde hij trots. Het gebeurde toen hij nietsvermoedend op een mooie zomeravond langs de Gele Rivier naar huis fietste. Plotseling werd hij vanuit het niets van alle kanten door ufo’s aangevallen en nadat hij onbeschrijflijke gevaren had doorstaan, sloeg er gelukkig één tegen de grond. De gewonde inzittende probeerde nog te voet te ontsnappen, maar uiteindelijk was hij geen partij voor de heldhaftige boer. Met zijn elektrische konijnenvanger maakte hij voorgoed een einde aan de schelmenstreken van deze intergalactische bandiet.

Leuk?

Chinese netizens hadden het prima naar hun zin. De foto’s werden razendsnel talloze malen rondgetwitterd en te meten aan de reacties lachten de meesten zich een deuk. Meneer Li had z’n minute of fame.

De plaatselijke overheid voelde zich er wat minder fijn onder, en nadat de politie had geconstateerd dat het wezen met rubber en ijzerdraad in elkaar was geflanst – totale kosten veertien euro – ging meneer Li onverbiddelijk voor vijf dagen in het cachot. ‘Verstoring van de openbare orde’, was het humorloze oordeel.

‘Oei, ai, de arme man!’ roept humor­onderzoeker professor Yue Xiaodong uit als ik hem over het voorval vertel. ‘Dit is echt te erg… in het grote plaatje misschien wel weer een voorbeeld van gitzwarte humor… maar toch…’

China is niet een Land des Lächelns, zei Erik Zürcher ooit, toen hij afscheid nam als directeur van het Sinologisch Instituut in Leiden, en dat is op het eerste gezicht waarschijnlijk nog altijd een waarheid als een koe. De leiders nemen zichzelf berucht serieus en dat maakt dat ze bepaald niet bekendstaan als lachebekjes. Vergelijk bijvoorbeeld eens George W. Bush en de voormalige Chinese premier Wen Jiabao. Toen de Amerikaanse president in Irak in 2008 een schoen naar zijn hoofd kreeg, reageerde hij tegenover het verzamelde persvolk niet met z’n beste grap, maar toch nog altijd behoorlijk ad rem: ‘Als je het wilt weten: het was een maatje 10.’

Nauwelijks een maand later kwam droogstoppel Wen in Engeland na een dergelijk incident niet verder dan: ‘Dit walgelijke gedrag mag niet een obstakel zijn in de vriendschap tussen China en het Verenigd Koninkrijk.’

Dus aan de ene kant hebben we een boer die denkt thuis de leukste te zijn, en aan de andere kant een regeringsleider die nog geen grap herkent als die hem in z’n gezicht raakt.

Dat is dan ook precies het probleem met humor in China, aldus de psycholoog Yue die is verbonden aan de Stedelijke Universiteit van Hongkong. ‘Het volk is best grappig, maar dat vind de regering verdacht. Er bestaat een culturele vooringenomenheid tegen.’

De Daoist Zhuangzi vond zijn tijdgenoot Confucius een rare man. Een hopeloze dominee die nutteloos moraal predikte aan mensen die daar helemaal geen zin in hadden.

Op een dag, vertelt Zhuangzi, stopt Confucius al die energie in de onverbeterlijke struikrover Zhi. Maar de boef blijkt al minstens even handig met woorden als de wijsgeer en doet zijn opponent bovendien in schaterlachen uitbarsten. Zhi beëindigt de monoloog met: ‘Als mensen mij Zhi de boef noemen, waarom noemen ze jou dan niet (omdat je simpelweg een hypocriet bent) Confucius de boef?’

Nu schijnt de oude Confucius zelf soms wel komisch te zijn geweest, maar voor de acceptatie van humor in China speelde hij geen beste rol. Tijdens een diplomatieke topontmoeting tussen de Lu- en Qi-koninkrijken liet hij een groep komedianten executeren omdat ze onvoldoende respect zouden tonen voor het gezag. Na 2500 jaar wordt over de precieze omstandigheden nog steeds gediscussieerd, maar volgens Yue was de toon daarmee wel stevig gezet. ‘Het was dus duidelijk levensgevaarlijk om grapjes te maken te maken met hoge autoriteiten’, zegt hij. ‘Vooral toen na zijn dood de leer langzaamaan verzandde in puritanisme.’

Dat betekende in praktijk dat grappen­makers zich vooral tijdens de hoogtijdagen van de daaropvolgende dynastieën maar beter konden inhouden. ‘Met een sterk gezag was het ronduit gevaarlijk’, zegt Yue. ‘Bij een aftakeling van de macht, en vooral tijdens politieke chaos was de situatie uiteraard vrijer. Dat duurde voort tot weer een nieuwe dynastie het overnam.’ Gedurende een van die meer ontspannen periodes aan het eind van de Han-dynastie (221-265) kwam voor het eerst een echt moppenboek uit: Xiao Lin (Lach Bos).

De confuciaanse humorloosheid gold aanvankelijk vooral voor onderdanen en de slaafse ambtenarij, want aan het hof zelf schijnt het zo nu en dan nog wel eens lachen te zijn geweest. Het brein van de keizer (de Confucius_-in-chief)_ werd met een hofnarcultuur nog enigszins lenig gehouden.

Zo had keizer Wu een drankje dat hem onsterfelijk moest maken en daar was zijn snaakse huiskomiek uiteraard wel in geïnteresseerd. Hij dronk het stiekem op, en toen Wu daarachter kwam beval hij de booswicht ogenblikkelijk te laten executeren. Maar de ook niet domme nar zei: ‘Uwe majesteit, als het elixer werkt, dan kan ik helemaal niet dood. Als het daarentegen geen nut heeft, wat heb ik dan voor misdaad begaan?’ Dat vond de keizer leuk, en het leven van de nar werd gespaard.

Het oprukkende puritanisme overtuigde echter ook de allerhoogste elite er gaandeweg van dat humor en satire inferieure flauwekul waren. Een gentleman onwaardig en bovendien nog gevaarlijk anarchistisch ook. Dat zette behalve op grappen en grollen ook een rem op lichte literatuur en drama. Diep peinzend en zwaarwichtig moest het zijn, anders mocht het niet meedoen aan de Chinese cultuur.

Die saaiheid duurt blijkbaar nog hardnekkig voort tot op de dag van vandaag. Volgens een onderzoek van Yue, zeven jaar geleden in de provincie Binnen Mongolië, vond het merendeel van de universiteitsstudenten leukigheid beneden hun torenhoge chiqueheid liggen.

En toch waren er tijden dat zelfs die confucianisten op zoek waren naar iets lichters. Waarschijnlijk niet onverwacht, juist tijdens perioden van chaos en politieke instabiliteit. Momenten dat de natuurlijk geachte rol van de mandarijnen plotseling niet meer zo natuurlijk bleek. Zo was het land vooral na de val van de laatste dynastie in 1912 op zoek naar een nieuwe definitie van zichzelf. Een nieuw keizerlijk huis leek er niet aan te komen en veel intellectuelen keken daarom naar buiten voor inspiratie.

In die donkere dagen kwam ene Lin Yutang met een briljant idee, vond hij zelf: humor. Als westers, modern en vooruitstrevend middel zou humor kunnen helpen om onder China een nieuwe basis te schuiven. Na zijn bloedserieuze opvoeding, waarin geen plaats was voor een mop, was hij tot zijn niet geringe verbazing op lachende mensen gestuit in de Verenigde Staten. Zelfs de elite hield daar van een goede grap en het leek de samenleving zowaar helemaal geen kwaad te doen. In tegenstelling zelfs, de verstandhouding werd erdoor verbeterd.

Dat wilde Lin in China ook. In eigen land werd humor al duizenden jaren aangeduid met verschillende termen, maar hij kwam met een gloednieuw woord om zijn revolutionaire concept te onderstrepen: youmo. Uitgesproken als jo mò, een directe transliteratie van het Engelse humour. Vervolgens richtte Lin een satirisch tijdschrift op en een gouden tijdperk was aangebroken.

Dat geluk duurde echter maar tien jaar, want toen moest Lin zijn experiment al weer opgeven. De zure nationalisten kwamen aan de macht en vervolgens ging serieus het licht uit: onder Chiang Kai-shek en de communisten van Mao Zedong. Pas in de jaren tachtig begon er weer wat leven op te flakkeren.

Peking zegt dat het volk nog nooit zo vrij is geweest als nu, en misschien klopt dat ook wel. Want lachen kunnen ze hier tegenwoordig best. Boer Li was goed de klos, en nog altijd is er geen lijn in te ontdekken, maar de normen raken opgerekt. Corruptie, overheidscampagnes, nieuwsfeiten, allemaal voer voor een goede mop. De zittende regering en schandalen die Peking zelf raken zijn echter nog altijd heilig. Wat dat betreft kijken de meeste Chinezen nog steeds even verbaasd naar Amerika als Lin Yutang honderd jaar geleden deed.

Maar neem een schoengooi-incident in China zelf. Fang Binxing staat bekend als de godfather van het Chinese internet. Hij is de door tallozen verachte beambte die verantwoordelijk is voor de ‘Great Firewall of China’, het hightech soft- en hardwarepakket dat verhindert dat internetters hier vrij toegang hebben tot allerlei buitenlandse sites. Vorig jaar hield hij een lezing op een universiteit toen hij door een schoen werd getroffen. De aanwezige leraren probeerden de dader nog aan te houden, maar hij wist met hulp van studenten te ontsnappen. Een dankbaar publiek bood de jongeman naderhand vliegtickets aan, een bordeelbezoek, overnachtingen in vijfsterrenhotelhotels, een iPad, schoenen, juridische bijstand, seks met bewonderende ­vrouwelijke bloggers, enzovoort. Vanwege deze wilde populariteit is de schoengooier nog altijd vrij.

Daar wilde ik het bij laten, maar mijn echtgenote krijgt op het laatste moment nog iets doorgesmst: ‘Mao Zedong ligt op z’n sterfbed en bezorgd roept hij Deng Xiaoping bij zich. “Ping Ping”, fluistert hij. “Ik maak me zorgen dat delen van de partij niet met jou mee willen gaan.” “O, dat is prima”, antwoordt Deng. “Laten ze maar met jou meegaan.”’


De Nederlandse filmmaker René Seegers bereidt een documentaire voor over humor in China