De ruis komt uit de telefoon

Een van de prettigste eigenschappen van Nederlandse hiphop is het grote vermogen tot kwetsbaarheid. Extince had dat in de jaren negentig al, Fresku heeft dat bij uitstek, en ook onder de bravoure van Jebroer en de ironische taalrijkdom van De Jeugd van Tegenwoordig ligt het direct onder het oppervlak.

De beste Nederlandse hiphoppers kunnen bluffen, opscheppen en uitdagen, maar hebben net zo veel woorden voor hun eigen falen, fouten en twijfels.

Datzelfde bleek in 2007 ook te gelden voor dat jaar debuterend rapper Typhoon (geboren als Glenn de Randamie, broer van twee rappers en een zangeres), die nog een opvallende eigenschap had: een nadrukkelijke blik naar buiten. Niet alleen buiten zijn eigen leefwereld, maar ook buiten Nederland. Hij rapte als iemand die zichzelf als een wereldburger beschouwde, zoveel was duidelijk. Hij was al opgevallen bij clipzender The Box, waar hij nummers voor schreef, die gingen over het Nederlands vluchtelingenbeleid, man-vrouwverhoudingen en (homo)seksualiteit.

Zeven jaar tussen een debuut en een opvolger is extreem lang, zelfs wanneer het debuut zo goed is. Het waren zeven jaar van vleugels uitslaan. Typhoon werkte samen met New Cool Collective, deed ontwikkelingswerk in Kenia en maakte deel uit van rapcollectief Fakkelbrigade. Dat hij dit jaar op een groot aantal festivals staat geboekt (van afgelopen week North Sea Jazz tot volgende maand Lowlands) komt doordat hij op die manier zijn reputatie levend hield, maar het komt vooral door zijn zojuist verschenen tweede album Lobi Da Basi, dat simpelweg een mijlpaal is in de Nederlandse hiphop.

Als Glenn praat hakkelt hij, als Typhoon zingt, vloeit hij. Dat is een reden dat dit album zo veel indruk maakt, zijn fijne flow, maar ook zijn teksten – scherp, gevoelig, soms een beetje corny, maar nooit vrijblijvend. En zijn muzikale begeleiding: weelderig en kleurrijk met trompetten, saxofoons en koortjes, vleugjes reggae – hij loopt in de voetsporen van Postmen, maar in IJswater net zo overtuigend van Outkast. Of neem Zandloper, met een glansrol voor André Manuel: hier wordt de erfenis van Doe Maar verbonden aan die van Krang, of het allemaal niks is.

Maar vooral is Lobi Da Basi zo overrompelend omdat het klinkt, in tekst en woord, als een ode aan een gulzig leven. Typhoon bezingt alles dat het leven voor hem de moeite waard maakt: van zijn vriendin tot zijn muziek, zijn familie tot zijn roots, zijn blow tot zijn God. Hij bezingt het met liefde, maar ook met twijfels, zelfkritiek en voornemens. ‘Here, here/ Ik hoef me niet te generen, ik hoef me niet te bewijzen, niemand iets te verwijten’, zingt hij in Glenn 1984, dat zich laat beluisteren als het mission statement van zijn leven. ‘Leer een beetje van mijn fouten, luister wat meer naar je ouders’ (wel raar dat hij hier opeens naar de je-vorm overschakelt, als een voetballer in een interview, maar zijn perspectiefwisselingen zijn wel vaker onnavolgbaar). Fraai zijn ook de bescheiden demonstraties van zelfkennis: ‘Gooi m’n hash in de prullenbak om het er vervolgens uit te halen.’ En waar Typhoon in uitblinkt: grote woorden afwisselen met kleine voorbeelden die nog veelzeggender zijn. De allermooiste scène zit in afsluiter Liefste: ‘Ik heb de trui aan die je mij zo goed vindt staan. Telefoon uit. Daar komt de ruis vandaan.’

En ondertussen borrelt en bruist de muziek maar voort en voort. Als Typhoon met een vertaalboek door de straten van Paramaribo loopt, en zijn vader met een saxofoon, hoor je niet alleen die sax, je hoort ook de reis, de stad, de beleving. De beste omschrijving van al deze weelde komt van Typhoon zelf, in Hemel valt: ‘Pootje baden in het universum.’


Typhoon, Lobi Da Basi (Topnotch / Universal)