Jong versus oud 50Plus als one-issuepartij

De ruk naar grijs

Is 50Plus meer dan een opportunistische belangenpartij? Om een blijvertje te worden zal zij een eigen ideologie moeten ontwikkelen. Maar welke ideologie kan dat zijn?

Medium groene ruk naar grijs

Het oprichten van schertspartijen is een beproefd ironisch middel om de politieke actualiteit te becommentariëren. Kees van Kooten en Wim de Bie deden het met hun Partij tegen Enge Buren en de legendarische Tegenpartij. Gerard Reve lanceerde de Algemene Heimwee Partij, met als voornaamste strijdpunten dieren rijp te maken voor het katholieke geloof en de aansluiting van Nederland bij Duitsland. En Joost Zwagerman kwam als reactie op de Partij voor de Dieren met een Partij voor de Dingen, omdat ‘de Haagse politiek in alle talen zwijgt over de ongelijkheid tussen ding en dier’.

Ook de opmars van 50Plus was aanleiding voor de oprichting van een schertspartij. Onder het motto ‘Stop de ruk naar grijs’ kondigde de jonge NRC Handelsblad-redacteur Arjen van Veelen de partij 40Min aan. Een in de NRC afgedrukt manifest stelde: ‘Wij denken niet in leeftijd. Wij denken niet in wij en zij. Maar nu zíj dat wel doen, die oudjes, werpen wij een dam op.’

Dat 50Plus de aanleiding vormt voor hoon en spot is wel begrijpelijk. Met de beste wil van de wereld is het moeilijk om de partij als een serieuze en duurzame nieuwkomer op het politieke toneel te beschouwen. Rond de partij hangt een wel erg penetrante geur van opportunisme. Met Jan Nagel heeft de partij een oprichter die van het oprichten van politieke partijen zijn levensdoel lijkt te hebben gemaakt. Na Leefbaar Hilversum, Leefbaar Nederland, Nieuw Nederland, de Partij voor Rechtvaardigheid, Daadkracht en Vooruitgang (met Peter R. de Vries als beoogd stemmentrekker) en de Onafhankelijke Ouderen en Kinderen Unie is 50Plus alweer de zesde door hem opgerichte partij. Hoeveel partijen kan een mens in zijn leven oprichten?

Als media-ondernemer is Jan Nagel gepokt en gemazeld in het denken in termen van doelgroepen, kijkcijfers en formats. Dat na het thema leefbaarheid nu enig succes was te verwachten van een specifiek op de oudere kiezer gerichte partij lag gezien de demografische ontwikkelingen voor de hand. De generatie van de geboortegolf (door historicus Piet de Rooy ooit vergeleken met ‘een groot ei door een slang naar binnen gewerkt’) heeft de pensioengerechtigde leeftijd (bijna) bereikt. En dat in een periode waarin de ouderdomsvoorzieningen door de economische crisis sterk onder druk zijn komen te staan.

Om deze vaak door vitaliteit en jeugdigheid geobsedeerde kiezers te bereiken, moesten associaties met rollators, bejaardenhuizen en oude-besjesnostalgie worden voorkomen. Vandaar de verbreding van de doelgroep tot ‘50 plus’, vandaar ook de keuze voor Henk Krol als fractievoorzitter, die bekendheid had verworven als hoofdredacteur van de Gay Krant en strijder voor de homo-emancipatie. Iemand kortom aan wie geen benepen jaren-vijftigfatsoen kleeft en die bovendien de wetten van de media kent.

Rondom 50Plus hangt niet alleen de geur van opportunisme maar ook die van zuivere belangenpolitiek. In haar verkiezingsprogramma 50 plus punten stelt de partij weliswaar dat zij een ‘totaalprogramma’ heeft, maar in de praktijk ligt de nadruk wel erg sterk op de verbetering van de positie van ouderen. Het gaat om het behoud van de acht procent vakantiegeld voor aow’ers (het eerste punt in het programma), om het herstel van de rekenrente van de pensioenen op vier procent (het tweede punt) en om het aanstellen van een minister voor Ouderenbeleid (het derde punt). Opvallend is dat meer fundamentele uitspraken over de waarde van ouderen in de samenleving achterwege blijven.

Het predikaat ‘belangenpartij’ geldt over het algemeen niet als een aanbeveling. In vrijwel alle democratische stelsels geldt het zijn van belangenpartij immers als een overtreding van een informele regel in de politiek. In Nederland werd deze in 1917 het best onder woorden gebracht door A.F. de Savornin Lohman, oprichter van de Christelijk Historische Unie. In de chu-krant De Nederlander schreef hij: ‘Niet elke leuze mag partijleuze zijn. Voor de behartiging van particuliere groepsbelangen mag men vereenigingen en bonden oprichten, maar geen politieke partijen. Elke partij moet vóór alles het algemeen belang ten doel hebben.’ Om de eenheid en welvaart van de natie te waarborgen mag de democratie niet ontaarden in een strijd tussen facties die slechts eigen belangen najagen. Dat De Savornin Lohman deze uitspraak in 1917 deed, was niet voor niets. In dit jaar werden in Nederland het algemeen kiesrecht en de evenredige vertegenwoordiging ingevoerd, wat leidde tot allerlei angstscenario’s over onverantwoordelijke volksmenners die de schatkist leegroofden om hun eigen achterban te paaien.

Die angst bleek ongegrond, maar wel zouden er in de daaropvolgende jaren tal van belangen­partijen worden opgericht, zoals de Middenstandspartij, de Plattelandersbond, de Politiepartij, de Invalidenpartij en ook toen al een Partij voor Pensioenbelangen. Na de Tweede Wereldoorlog kwamen daar nog de Boerenpartij, de Nederlandse Middenstandspartij en natuurlijk het Algemeen Ouderen Verbond, de voorganger van 50Plus, bij.

Een bijzonder groot probleem zouden al deze belangenpartijen overigens nooit vormen, want alle bleken een sterke neiging tot zelfdestructie te hebben. Na een enkel succesje vielen zij steevast door amateurisme en onderlinge ruzies uit elkaar. Een constante was dat de ruzies te maken hadden met het fundament van de partij. Moest de partij zich beperken tot behartiging van de belangen van de eigen doelgroep of moest zij meer zijn dan dat en een eigen ideologie formuleren?

Om als partij te overleven lijkt het raadzaam om voor een meer ideologische invulling te kiezen. Een partij met slechts één specifiek issue kan door de andere partijen redelijk eenvoudig overbodig worden gemaakt door iets meer aandacht te besteden aan het door de nieuwkomer behartigde thema. Dat is vanzelfsprekend minder gemakkelijk als dat thema de basis is gaan vormen van een ideologie. Zo konden de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij en de Katholieke Volkspartij de verwijten dat zij weinig meer dan belangenpartijen voor arbeiders of katholieken waren makkelijk pareren door te wijzen op hun uitgebreide ideologische canon.

Tegenwoordig heeft ook een partij als de Partij voor de Dieren er heel duidelijk voor gekozen om meer te zijn dan alleen vertegenwoordiger van dierenbelangen. Zij wil een samenleving die is gebaseerd op nieuwe waarden en een fundamenteel andere verhouding tussen mens en dier. De Partij voor de Vrijheid heeft haar verzet tegen immigratie en islam eveneens weten om te vormen tot een ideologie die is gebaseerd op een sterk nationalisme en allerlei apocalyptische ideeën over een geïslamiseerd Eurabië. Wie in deze ideeën gelooft, zal zich niet laten overtuigen door een enkele toezegging of maatregel van de andere partijen om meer aandacht aan het thema te besteden.

Als Nagel en Krol meer dan een eendagsvlieg willen zijn, dan zullen zij 50Plus een meer solide basis moeten geven. De vraag is natuurlijk welke ideologie 50Plus zou kunnen omarmen. Bestaat er een overkoepelende visie op een samenleving waarin de wijsheid van de ouderen als leidraad geldt en waarin ouderdom een verdienste is? Het ‘gerontisme’ wordt in handboeken over politieke ideologieën niet als stroming aangetroffen. Wel bestaat de term ‘gerontocratie’, maar die wordt meestal in negatieve zin gebruikt voor de verkalkte regimes in het Oostblok met leiders als Leonid Brezjnev, Tito, Erich Honecker en Enver Hoxha of meer recent het Cuba van Fidel Castro. Ook het Vaticaan lijkt een typische gerontocratie, zoals weer is gebleken uit de benoeming van de 76-jarige paus Franciscus tot opvolger van de 85-jarige Benedictus XVI.

De notie van gerontocratie heeft echter wel degelijk een filosofische onderbouwing die zelfs teruggaat tot het klassieke Griekenland. In verschillende Griekse stadsstaten, waaronder Sparta, werden de heersers bijgestaan door een raad van oudsten, de gerousia. Deze oudsten werden geacht over meer ervaring, zelfbeheersing en wijsheid te beschikken dan de meer onstuimige en naïeve jongeren. Verstandig bestuur viel dan ook eerder van ouderen dan van jongeren te verwachten, zo meende onder anderen Plato, die zoals bekend geen warm voorstander van democratie was.

Dat wijsheid pas met de jaren komt is een gedachte die in diverse culturen nog steeds dominant is. Nu zijn er neurologische studies waaruit het tegendeel blijkt – de intellectuele vermogens zouden volgens een studie in het British Medical Journal na 45 afnemen. De politieke geschiedenis leert echter ook dat grote hervormingen in de politiek dikwijls beter verteerbaar zijn als zij door oudere leiders worden gepresenteerd. De grondleggers van de naoorlogse verzorgingsstaten en democratieën waren vrijwel zonder uitzondering oude mannen die juist door hun ouderdom beschikten over een natuurlijke autoriteit en vaderlijke uitstraling, die als façade konden dienen voor ingrijpende hervormingen in het eigen land.

Alcide De Gasperi was 64 toen hij in 1945 premier werd van een volledig gedemoraliseerd Italië. De Brit Clemens Attlee werd in hetzelfde jaar als 63-jarige premier; zijn opvolger was de eeuwig jonge 76-jarige Winston Churchill. Konrad Adenauer werd op zijn 73ste bondskanselier, een functie die hij tot zijn 88ste bleef bekleden. De cdu’er was al burgemeester van Keulen in de tijd van keizer Wilhelm II en voerde campagne met de slogan Keine Experimenten. Achter die slogan gingen echter enorme veranderingen schuil die een einde maakten aan de Duitse Sonderweg: de Bondsrepubliek Duitsland sloot zich definitief aan bij het Westen, werd lid van de Europese Gemeenschap, moderniseerde de economie en kreeg een stabiele democratie. In Frankrijk bleef het na 1945 lange tijd onrustig, tot de 68-jarige Charles de Gaulle in 1959 president werd. Met zijn strenge, vaderlijke gezag wist hij de pijnlijke dekolonisatie van Algerije in goede banen te leiden. Willem Drees, die 62 was toen hij premier werd, kreeg als eerste sociaal-democratische premier in Nederland eveneens met een moeizaam dekolonisatie­proces te maken. Onder zijn bewind werd de verzorgingsstaat verder uitgebreid, brak Nederland definitief met de vooroorlogse neutraliteitspolitiek en vond een belangrijke hervorming van de economische structuur plaats.

De vraag is natuurlijk of zulke voorbeelden van ervaren leiderschap voldoende houvast bieden voor een politiek programma. En meer nog, of zo’n gerontocratische visie in Nederland zou kunnen aanslaan. Mede dankzij de generatie die nu doelgroep van een ouderenpartij is geworden, is de Nederlandse samenleving sinds de jaren zestig geobsedeerd door jeugdigheid. Dat is goed zichtbaar in de daling van de gemiddelde leeftijd in de Tweede Kamer sinds de jaren zestig – van 52 in 1960 tot 45 nu – in een periode waarin het aantal ouderen meer dan verdubbeld is. Tot in de jaren zestig waren veel Kamerleden de zeventig gepasseerd: A.F. de Savornin Lohman bijvoorbeeld zat tot zijn 83ste in het parlement. Momenteel is de SP’er Jan de Wit met 66 jaar het oudste Tweede-Kamerlid. Met hem zijn er nog zes andere parlementariërs ouder dan zestig jaar.

Maar niet alleen in de Tweede Kamer, ook in veel bedrijven en organisaties lijkt de oudere werknemer die niet is doorgestoten tot een leidinggevende functie vooral een last te vormen. Alle hoop wordt gevestigd op twintigers en dertigers die onderling mogen uitvechten wie tot de top mag doorstoten. De overgebleven vijftigers en zestigers mogen zonder noemenswaardig perspectief hun rondjes blijven draaien. Hun ervaring wordt niet zozeer benut als meerwaarde, maar veeleer beschouwd als hinderlijke zuurheid. Verworden tot dood hout in een organisatie weten ze zich beschermd door oude werknemersrechten als de ontslagbescherming.

Eenmaal geloosd wacht veel oudere werknemers werkloosheid tot het pensioen erop volgt. Deze sombere perspectieven bieden een politieke ondernemer als Jan Nagel de mogelijkheid om zijn nieuwe politieke format met succes in de electorale markt te zetten. Als hij deze kiezers ook op de langere termijn wil vasthouden, doet hij er echter goed aan om het project een steviger ideologische basis te geven.

Koen Vossen is politiek historicus. Hij promoveerde op het proefschrift Vrij vissen in het Vondelpark, over kleinere politieke partijen tussen de wereldoorlogen. Deze maand verschijnt zijn boek Rondom Wilders: Portret van de PVV