Essay De strategie van Wilders

De ruk naar rechts

Geert Wilders lijkt wel in de leer te zijn geweest bij de Italiaanse marxist Antonio Gramsci. Anders dan zijn tegenstanders bedrijft hij Politiek. Niet door te luisteren naar het volk, maar door een versie van ‘de gewone man’ en het ‘gezonde verstand’ te creëren die het best aansluit bij zijn programma.

HET VALT NIET TE ONTKENNEN: Nederland heeft de afgelopen jaren een stevige ruk naar rechts ondergaan. Dat uit zich niet zozeer in verkiezingsoverwinningen van rechts, als wel in zijn vermogen om het politieke midden naar zich toe te trekken. Klassiek rechtse thema’s als law & order, terrorisme en migratie zetten de toon in het publieke debat. Motor achter deze ontwikkeling is de opkomst van het rechts-populisme.
Een antwoord op deze verrechtsing is in de verste verte niet zichtbaar. Natuurlijk, er is de reactie van het politieke establishment op het alarmisme van Geert Wilders en de zijnen. Deze ligt in het verlengde van de gangbare polderreflex, dat van de boel bij elkaar houden en de lieve vrede bewaren. Het schippert heen en weer tussen een belerend moralisme, als Wilders ‘toch echt’ te ver gaat, en een zalvende schulderkenning van het eigen falen op het gebied van integratie. Om het radicalisme de wind uit de zeilen te nemen, worden ondertussen stilzwijgend grote delen van het programma van populistisch rechts overgenomen, in afgezwakte vorm. En dan is er nog het rituele offer op z'n tijd, zoals het laten vallen van minister Ella Vogelaar. Dat bevredigt de bloeddorst en kalmeert de gemoederen.
Polariseren is bij dit alles uit den boze. Deëscaleren en neutraliseren is het devies. De afgedwaalde schapen moeten teruggelokt worden naar de kudde. Deze sussende houding, daarbij opgeteld de neiging om het rechtse populisme af te doen als een onderontwikkelde vorm van politiek, een duveltje dat men weldra weer in de doos kan krijgen, heeft de plaats ingenomen van een serieuze politieke analyse van de opkomst van nieuw-rechts in Nederland. De voorlopige resultaten van deze 'aanpak’ zijn bekend. Ze zouden te denken moeten geven.
Het is onmogelijk de verrechtsing in Nederland te analyseren zonder te beginnen met een plaatsbepaling ten opzichte van het fenomeen Geert Wilders. Hem wordt tegelijkertijd te veel en te weinig aangerekend. Te veel, aangezien de fascinatie voor de persoon Wilders - en zijn geblondeerde kapsel - velen ertoe heeft verleid om het rechts-populisme en Wilders als synoniemen te zien. Alsof Wilders de totaalervaring is en niet slechts het meest recente, zichtbare onderdeel van een nieuw-rechtse stroming die in de afgelopen tien jaar de toon heeft gezet in de Nederlandse politiek.
De continuïteit en consistentie in thematiek, strategie en politieke beeldvorming van deze stroming wordt nogal eens over het hoofd gezien. De media hebben een sleutelrol gespeeld in de opkomst van nieuw-rechts. Er is het hervonden activisme van De Telegraaf, Elsevier als rechts clubblad, HP/De Tijd en haar nog voortdurende flirt met het fortuynisme. Of neem rechtse blogs als GeenStijl en rechtse columnisten als Theodor Holman, Max Pam en Leon de Winter - een drie-eenheid door Jan Blokker op gevatte wijze uitgeroepen tot 'Wij, het Volk’. Ook de intellectuelen hebben niet stilgezeten. Denk aan de neoconservatieve intellectuelen in Leiden - Paul Cliteur, Afshin Ellian, Andreas Kinneging, Joshua Livestro - en hun kortstondige avontuur met Opinio, onder leiding van de eveneens neoconservatieve ex-Trouw-redacteur Jaffe Vink; denk aan de Edmund Burke Stichting; aan de wegbereiders H.J. Schoo, Frits Bolkestein en Wim Couwenberg.
Kortom: nieuw-rechts is, in tegenstelling tot links, een actieve en vormende kracht. Zij heeft zich de afgelopen jaren grondig verfrist en timmert nog steeds vrolijk aan de weg. Natuurlijk, het is verre van een homogene beweging. Maar rond een aantal overbekende thema’s is er een zekere politieke samenhang, of het nu om integratie/islam gaat of om de vrijheid van meningsuiting, veiligheid, het spookbeeld van de linkse elite en klimaatverandering als samenzwering van de milieubeweging. Wilders is daarmee verre van een totaalervaring. Zijn electorale fortuin is gebaseerd op het veel bredere succes van nieuw-rechts in het bespelen van de politieke actualiteit. Deze stroming heeft een rechtse common sense gecreëerd, een geaccepteerde visie op de werkelijkheid waar Wilders alleen nog maar aan hoeft te refereren.
Aan de andere kant krijgt Wilders te weinig krediet voor zijn inspanningen. Het politieke aspect van zijn interventies wordt onderschat. Al staat de hele politiek in het teken van de dreiging die uitgaat van het rechts-populisme, nog lijken weinig mensen datzelfde populisme als politieke kracht serieus te nemen. Dit komt duidelijk naar voren in de diskwalificatie van populisme als demagogie, simplisme, onderbuikpolitiek en schreeuwerigheid. Het woord 'populist’ wordt in veel gevallen gebruikt als een scheldwoord - helaas. Dat levert niet veel meer op dan morele zelfbevrediging.
Een andere opmerkelijke gemeenplaats luidt dat het populisme neerkomt op 'u vraagt, wij draaien’. Een soort directe (onderbuik)democratie. Vooral politici laten zich op deze manier laatdunkend uit over het populisme. Dat is opmerkelijk. Ten eerste omdat deze beschuldiging duidelijk maakt wat de democratieopvatting is van de gevestigde politiek: u stemt, wij bepalen. Het is uiteraard geen nieuws dat democratie altijd geleide democratie betekent. Het is wel naïef dat expliciet te maken in de verwachting dat het iemand motiveert om op je te stemmen. Ten tweede is die aantijging opmerkelijk omdat men blijkbaar de populisten op hun woord gelooft als die stellen dat zij zeggen wat het volk denkt. Waardoor Wilders en nieuw-rechts zich ongestraft kunnen presenteren als de democratische oppositie en de gevestigde politiek als volksvreemd kan worden weggezet.

DE 'U VRAAGT, WIJ DRAAIEN’-VISIE op Wilders ontneemt het zicht op waar het werkelijk om gaat: het vormende en scheppende karakter van de politiek van nieuw-rechts. Er is namelijk iets geks aan de hand met de populistische stelling van 'luisteren naar de stem van het volk’. Wat dat volk precies is, blijft onduidelijk. Het ene moment is het de 'man op straat’ die weet wat er speelt in zijn buurt. Het volgende moment zijn het de 'gewone mensen’. Even later is het Jan met de pet, Truus met de krulspelden of de hardwerkende Nederlander die zucht onder de belastingdruk. Al deze retorische figuren maken duidelijk dat populisten niet slechts luisteren naar het volk. Zij creëren het ook. Populisten kneden een beeld van het volk dat het best past bij hun eigen politieke belangen.
Dick Pels gaf kort geleden een treffende beschrijving van dit mechanisme. Hij trekt een vergelijking met de economie en het idee van de soevereine consument. Die gedachte dat de klant koning is, bestrijdt Pels. Daartoe haalt hij het boek Het boodschappenbolwerk (2008) van marketingman Frits Kremer aan. 'Iedere ondernemer weet dat de behoeften van consumenten tot op zekere hoogte kunnen worden gevormd en gestuurd’, schrijft deze. 'Een zelfbewuste merkenpolitiek gaat er dan ook van uit dat niet de vraag het aanbod bepaalt maar het aanbod de vraag. Een echt merk verschuilt zich niet achter de mythe van de soevereine consument. Het zendt een krachtige eigen boodschap uit, met de ambitie om de aarzelende consument te overtuigen of in elk geval te verleiden.’
De markt is dus niet alleen maar democratisch, aldus Pels, maar ook top down, paternalistisch. Dit geldt ook voor populistische politiek, gaat Pels verder: 'Populistische politici zeggen de stem van het volk te vertegenwoordigen, maar het is de vraag of het volk wel voor zichzelf kan spreken als de politicus niet eerst heeft gezegd wat het volk “eigenlijk” denkt. “Hij zegt wat ik denk”, zeiden velen over Pim Fortuyn. Maar dachten ze het eigenlijk wel voordat hij het had gezegd? (…) Zowel in de politieke arena als op het marktplein gaat het dus om een wisselwerking tussen een elite van producenten, marketeers en merkenbouwers en een achterban van consumenten, kopers en kiezers. Pas in dit heen-en-weer tussen elite en massa, dit touwtrekken tussen ondernemers en klanten, worden economische en politieke behoeften vormgegeven. Het aanbod bepaalt evenzeer de vraag als de vraag het aanbod.’
Een zeer treffende analyse. Het revolutionaire aan dit inzicht is dat het een groot manco aantoont in de bestaande literatuur over populisme. Laten we de meest invloedrijke publicatie erbij nemen: het boek Diplomademocratie van de bestuurskundige Mark Bovens. Kort na het verschijnen praatten PVDA-politici letterlijk de conclusie na. Ook David van Reybroucks veelbesproken Pleidooi voor populisme is grotendeels schatplichtig aan het werk van Bovens. De analyse van Mark Bovens gaat uit van een liberaal mensbeeld (dat van het geïsoleerde individu, in andere woorden: de soevereine consument), waar kiezers net als consumenten op zichzelf staande behoeftes hebben. Deze moeten gerepresenteerd worden in het democratische systeem. Zijn waarneming dat lager opgeleiden andere (conservatievere) voorkeuren hebben dan hoger opgeleiden, voorkeuren die onvoldoende gerepresenteerd worden, leidt tot een simpele technocratische oplossing voor de uitdaging van het populisme: meer lager opgeleiden in de politiek.
Dezelfde analyse leidt ook tot de conclusie dat Wilders een gezonde toevoeging is aan het Nederlandse politieke landschap. De rechtse standpunten van zijn achterban werden voorheen niet goed gerepresenteerd. Volgen we de argumentatie van Kremer en Pels, dan komen we tot heel andere conclusies. Als de elitaire, hoogopgeleide Fortuyn zijn merk politiek kan verkopen aan lager opgeleiden, dan gaat het niet zozeer om intrinsieke behoeftes van lager opgeleiden die door lager opgeleiden moeten worden vertegenwoordigd. Dan gaat het erom wie zijn wereldbeeld het best verkoopt.

HET HIERBOVEN BESCHREVEN POLITIEKE MARKETINGPROCES, 'heen-en-weer’ en 'touwtrekken’ in de woorden van Pels, staat in de filosofische literatuur beter bekend als 'interpellatie’. Het begrip komt van de Franse filosoof Louis Althusser, die het op zijn beurt weer leende uit de psychoanalyse van Jacques Lacan. Hij geeft als voorbeeld een politieagent die op straat 'Hé, jij daar!’ roept. Wie zich aangesproken voelt, erkent daarmee de autoriteit van de politieagent. Hetzelfde gebeurt bij de ideologische vorming van personen, aldus Althusser. Ze worden aangesproken door een ideologisch vertoog, dat ze zich vervolgens eigen maken. Wie zich identificeert met figuren als 'de hardwerkende Nederlander’ of 'de man op straat’, heeft een grotere kans om ook bijbehorend wereldbeeld van nieuw-rechts over te nemen. Het komt er grof gezegd op neer dat de politieke identiteiten en politieke voorkeuren van mensen niet vaststaan. Ze worden gevormd in een continu communicatieproces.
Het is de vooroorlogse Italiaanse marxist Antonio Gramsci geweest die de politiek-strategische consequenties van dit communicatieproces het meest prominent heeft beschreven. Niet toevallig geniet de 'linkse Machiavelli’ een groeiende populariteit in het rechts-populistische kamp. Van rechts-populisten zoals die van het Vlaams Belang of de Republikein Rush Limbaugh is publiekelijk bekend dat zij zich door Gramsci laten inspireren. Het is daarom niet vreemd dat er enkele verrassende parallellen te vinden zijn met de politieke praktijk van Wilders.
Zag de militair strateeg Carl von Clausewitz oorlog als 'voortzetting van de politiek met andere middelen’, in de ogen van Gramsci was het precies andersom. Hij onderscheidde daartoe de bewegingsoorlog en de stellingenoorlog. In het eerste geval ging de politieke strijd letterlijk om het opnemen van de wapens en het omverwerpen van de gevestigde orde. In de tweede situatie, die geldt voor de meeste moderne, westerse democratieën, is politiek een strijd om ideeën. Welk wereldbeeld is dominant? Wie heeft de politieke en culturele hegemonie in de maatschappij? In dit laatste geval vormt het maatschappelijke middenveld, inclusief de media en de culturele sector, het slagveld van de politiek.
De stellingenoorlog draait om het inwerken op het gezonde verstand - de common sense, oftewel de alledaagse perceptie van de werkelijkheid die het overgrote deel van de bevolking heeft, en waarmee zij betekenis geeft aan haar leefwereld. Dit moet gebeuren, zo stelde Gramsci, aan de hand van een eindeloze reeks 'polemieken’, door 'niet-aflatende en aanhoudende inspanningen’, om de politieke betekenis van bepaalde concrete gebeurtenissen in te passen in het eigen wereldbeeld.
Neem als voorbeeld hoe alle problemen rond integratie door Wilders, in eenzelfde eindeloze reeks polemieken, stelselmatig herleid worden tot de islam als achterlijke religie die onverenigbaar is met het verlichte Westen. Zo worden problemen met Marokkaanse jongeren nooit geportretteerd als grootstedelijke achterstandsproblematiek, maar altijd herleid tot hun culturele en religieuze achtergrond. Wat Wilders doet, is het creëren van een nieuwe alledaagse perceptie van de werkelijkheid. De islam is het probleem.

PELS STELT DAT 'HET AANBOD VAN POLITIEKE SLOGANS de vraag pas articuleert’, Gramsci voegt hieraan toe dat het hele aardappelen eten, de praktijk van politieke strategie en ideologisch conflict, is in welke richting die vraag wordt gearticuleerd. Wordt het integratievraagstuk verbonden met een linkse notie van achterstandsproblematiek en emancipatie? Of met een rechtse notie van straatterreur en islamisering? Het is deze politieke praktijk van het bewerken van populaire noties waar populistisch rechts de laatste jaren veel succesvoller in is dan de sociaal-democratische bestuurders.
De Britse socioloog Stuart Hall deed een vergelijkbare observatie tijdens de opkomst van de populistische politiek van The Iron Lady Margaret Thatcher. Het succes van het populisme van Thatcher is volgens Hall 'niet gelegen in de capaciteit om mensen om de tuin te leiden, maar in de wijze waarop het echte problemen bespreekt’. Het gaat om de wijze waarop Thatchers populisme in staat was om deze problemen in te passen in een groter verhaal, dat ze systematisch op één lijn zette met rechts beleid en rechtse politieke strategieën. Thatcher was daarmee een innovatieve en 'vormende’ kracht. Zij creëerde nieuwe denkbeelden en trok het gezonde verstand van normale mensen sterk naar rechts via allerlei campagnes van rechtse dagbladen zoals The Mail, The Sun and The Express. Een vergelijkbaar proces vindt nu in Nederland plaats, door middel van de activistische campagnes van De Telegraaf. Ondertussen houden politici ter linkerzijde angstvallig vast aan het beeld van de individuele, rationele kiezer, van de soevereine consument. Wat zij vergeten is dat politieke representatie altijd ook draait om het proces van touwtrekken en heen-en-weer, waar Dick Pels aan refereert.
Natuurlijk hadden politieke partijen in Nederland voorheen de zuil met haar verenigingsleven. Zo werd een min of meer samenhangende (politieke) moraal onder de eigen gelederen verbreid. Dat is verdwenen. In plaats daarvan is er de politiek van Motivaction. De beleidsvoorkeuren van de bevolking worden tot in de details bijgehouden. Partijen passen daar hun standpunten op aan.
Dat komt in Gramsci’s woorden neer op het zich beperken tot de 'effectieve realiteit’. Tot het 'wat is’, in plaats van 'wat zou moeten zijn’. Maar in tegenstelling tot de diplomaat en de politiek wetenschapper, die zich beperken tot de bestaande machtsverhoudingen, is de ware politicus volgens Gramsci een passiemens. Die wenst niet slechts binnen de huidige machtsverhoudingen het beste uit de onderhandelingen te slepen, maar zet alles in het werk om een nieuwe machtsbalans te creëren. Dit is volgens Gramsci de enige ware vorm van politiek: 'Het gaat erom geschiedenis te schrijven en nieuwe denkbeelden te scheppen, alleen dit telt als politiek’.
Het is precies deze gramsciaanse opvatting van de politiek, de innovatieve en vormende relatie tot de bevolking, die Wilders en nieuw-rechts met succes lijken toe te passen. In tegenstelling tot het 'u vraagt, wij draaien’ reiken zij de Nederlandse bevolking een kant-en-klare politieke identiteit aan. De machteloosheid en verwarring van de andere politieke partijen worden veroorzaakt door het feit dat zij gewend zijn geraakt aan het liberale wereldbeeld als communis opinio, aan het idee van de soevereine consument. Met als gevolg dat zij, als een baby die nooit is blootgesteld aan bacillen, weerloos zijn tegen elke ideologische infectie. Zij weten domweg niet meer met ideologie en politieke strijd om te gaan. Het is zo bezien tijd voor een nieuw-links dat, in navolging van nieuw-rechts, de lessen van Gramsci ter harte neemt en 'scheppend’ durft te handelen.
'Ziet u zichzelf als populist?’ was de vraag die de gratis krant Spits aan Wilders voorlegde. Hij antwoordde met de vaststelling dat hij 'een politicus van het gezonde verstand’ was. Waarvan akte.


Merijn Oudenampsen is politicoloog en socioloog. Tot 2009 maakte hij deel uit van Design Negation, een onderzoeksproject over populisme aan de Jan van Eyck Academie in Maastricht. Sinds de jaarwisseling werkt hij aan een boek over populisme en symboolpolitiek