Martin Simek interviewt Martin Simek

‘De Russen, dat zijn wij’

Alles wat leeft is onvolmaakt, stelt Martin Simek. Aan valse bescheidenheid heeft hij de pest. ‘Ik ben een lul, jij bent een lul. De kunst is om dat te beseffen.’

Medium simek

Samen met de communistische dictatuur in 1948 in Praag geboren worden betekende dat één gegeven vaststond in het leven van Martin Simek: wie de vijand is. Het verschil tussen vijand en tegenstander leerde hij een paar jaar later als jongetje op de tennisbaan kennen.

Leg uit, meneer Simek.

‘Hebt u even? Ik heb me na mijn vlucht naar het Westen vaak geërgerd aan de westerse commentaren op het Oostblok, toen het nog bestond. Wie langs de zijlijn staat heeft altijd makkelijk praten. Dat geldt voor een voetbal- of tennisveld, en al helemaal voor een slagveld. Een dictatuur is een slagveld, want de vijand wil je vernietigen. Zo niet lijfelijk, dan tenminste psychisch. Hij, gelijk iemand die een gewapende overval pleegt, handelt niet uit nobele motieven en zit niet te wachten op een lesje in goede manieren. Dat hij fout is weet hij zelf heel goed. Daarom heb ik me altijd onthouden van commentaar op de apartheid in Zuid-Afrika of de andere kwesties waar we alles van denken te weten hier in het Westen: Palestina, Irak, Iran, Afghanistan, en recentelijk Syrië en Oekraïne.

Ik leef al twintig jaar lang de helft van de tijd in Calabrië. Zodoende ben ik ongewild getuige geweest van de glorieuze opmars van de inmiddels gevaarlijkste, machtigste en rijkste misdaadorganisatie van Europa, de ’Ndrangheta. En toch besef ik dat ik nog altijd niets weet, al zit ik op de eerste rij en ben ik waarschijnlijk een van de meest geïnformeerde buitenstaanders. Soms denk ik: om te kunnen oordelen moet je dood zijn of bijna dood zijn. De vijand ervaren is een bijna-doodervaring.’

Waarom zegt u dat?

‘Normaal ben ik niet zo serieus, maar alleen al aan de vijand dénken maakt me bang. Zo diep zit de angst, als je de vijand eenmaal hebt leren kennen. Ik voel me ook verplicht aan wie het communisme niet heeft overleefd. De zonen en dochters van mijn vaderland die liever crepeerden dan collaboreerden.

Ik heb hier in Calabrië een kippenren. Eens landde een valk in de ren en vrat een kip half op voor ik kwam aanrennen. De kippen durfden daarna een paar dagen niet naar buiten, zo getraumatiseerd waren ze. Hoe bang moeten ze niet zijn geweest die ene keer dat een marter tot het kippenhok was doorgedrongen en ze één voor één heeft gedood met een beet in de nek, alle twaalf, om alleen het bloed eruit te zuigen, als Dracula? Dat wil ik me niet eens voorstellen. Dan krijg ik meteen bijgedachten als: wat een mazzel voor die eerste die eraan ging. Die laatste, die heeft alles moeten aanzien terwijl hij niet weg kon.

Je inleven in anderen is nooit makkelijk. Maar je inleven in iemand die in voortdurende angst moet leven is onmogelijk als je het niet hebt meegemaakt. Een vijand zaait angst, want daar is hij zelf vol van. De erfzonde vind ik onzin; het enige wat we erven is angst. Allemaal in meer of mindere mate, overal ter wereld. In Tsjechoslowakije hebben we de angst altijd proberen weg te lachen. Want wegkrijgen lukte niet. Kunt u me volgen?’

Twijfelt u daaraan?

‘Wij mensen, ook ik nu, schermen met woorden. Dat noemen we communiceren. We leggen ze op de gesprekstafel als kaarten zonder ons erin te laten kijken. Wat ik eigenlijk aan u vraag is: laat ik me genoeg in mijn kaarten kijken? Want zeker het woord “vijand” heeft voor iedereen een andere betekenis. Zelfs een zo eenduidig woord als “gas” heeft dat. Gas is heel wat anders voor de directeur van de Nederlandse Gasunie dan voor een inwoner van Oekraïne tijdens deze winter, laat staan voor een nabestaande van Auschwitz. En toch zouden we allemaal de vijand kunnen kennen. Móeten kennen eigenlijk. Wij mensen zijn bijna allemaal op zelfvernietiging uit. We drinken, roken, slikken drugs, vreten, werken, ergeren of vervelen ons dood. In mijn vaderland waren al die dingen de schuld van een externe vijand. Als je in de val zit en geen kant uit kunt, dan steek je nu eenmaal een sigaretje op en gooi je wat bier naar binnen om te vergeten, logisch toch? Alles was de schuld van de communisten, maar het Westen bleek ook vol losers te zitten. Wie zijn hier de Russen? vroeg ik me telkens opnieuw af.’

En wat is uw antwoord?

‘De Russen, dat zijn wij. Uiteindelijk heb ik begrepen dat ik alleen de externe vijand ben ontvlucht. Die andere ging mee de grens over, en niet in de koffer, die zit in me.’

Nog altijd?

‘Nog altijd. Ik ben mijn beste vriend en mijn ergste vijand. Dat besef zou ons wereldwijd kunnen binden. Maar dat lukt niet, wat we zijn massaal op de vlucht voor onszelf. Daar hebben we het maar druk mee. Zo is het overal oorlog. Wij hebben geen rust voor vrede. Rust en stilte werpen je terug op jezelf, en dan maak je kans zowel je vriend als je vijand te ontmoeten. Je ware familie. Als je met hen om de haard kunt zitten, heb je het hoogst haalbare gevonden: harmonie.

‘Ik ben mijn beste vriend en mijn ergste vijand. Dat besef zou ons wereldwijd kunnen binden. Maar dat lukt niet’

Vandaag nog heb ik met een Nederlands tennistalent van dertien hier in Calabrië gewerkt. Toen het om punten ging, riep ze regelmatig: “Nee! Fout! Nee!” en liet haar schouders hangen. “Dat doet ze nou altijd”, zei haar moeder, een ex-toptennister. En vervolgens geërgerd tot haar dochter: “Hou daar nou eens mee op!”

“Hoeft niet, Sofie”, riep ik eroverheen, “je mag best boos op jezelf zijn, als je wilt. Maar dan vraag ik je tegelijkertijd om bij ieder mooi punt te roepen: prachtig Sofie, wat heb je dat goed gedaan!” En ik ging haar vervolgens in haar enthousiaste uitroepen telkens voor met: “Prachtig! Móóie bal!” Ze lachte en speelde almaar beter. Ze versloeg voor het eerst haar moeder, en ook die lachte en baalde tegelijk. Dat is harmonie. Perfectie bereik je nooit. Alleen dingen kunnen perfect zijn, dode dingen. Alles wat leeft is onvolmaakt. De mens is de koning van de natuur omdat hij zelfkennis kan bereiken, innerlijk kan groeien. Gaat hij er niet voor, bereikt hij niet een flinke staat van bewustzijn, dan blijft hij een slaaf, al leeft hij in vrijheid.’

U bent natuurlijk anders, meneer Simek.

‘Dat weet ik zeker. Als ik ergens de pest aan heb, dan is het valse bescheidenheid. Juist het besef dat ik niets voorstel is wat me zeker van mezelf maakt. Eens, in een discussie onder vrienden, floepte ik eruit tegen Theodor Holman: “Theodor, weet je wat het verschil tussen ons is? Ik ben een lul, jij bent een lul, alleen ik weet het en jij weet het nog niet.” Ik was toen een jaar of dertig en Theodor nog iets jonger. We zien elkaar niet meer zo vaak, maar ik weet zeker dat Theodor er inmiddels ook achter is gekomen dat hij een lul is. Dat besef is een startpunt, maar roep het nooit als je het niet echt meent. En als je het weet, hoef je het ook niet meer te roepen. Dan hou je het lekker voor jezelf, dat geeft je kracht.’

Pardon?

‘Als twee tennissers tegen elkaar spelen, en één is zich bewust van zijn zwakke punten, dan heeft hij een enorme voorsprong op de ander die ze pas tijdens de wedstrijd zal ontdekken. Maar waarschijnlijk ontdekt hij ze ook dan niet. “Ik had een off-day”, zal hij het goedpraten. En de volgende keer, als een opponent weer eens zijn zwakke punten bespeelt, zal hij weer een excuus zoeken voor zijn nederlaag.’

Alles draait dus om bewustzijn. Hoe werkt u eraan?

‘Ik heb bij toeval al op mijn vierde meditatie ontdekt. In Praag vonden de schijnprocessen plaats tegen de Tsjechoslowaakse intelligentsia. Ik hoorde thuis op de radio nieuwe woorden als “samenzwering”, “verraad”, “imperialisme”, “gevangenis”, “levenslang” en “doodstraf”. Voor het eerst voelde ik angst om me heen, en ook de ernst van de waarschuwing die mijn ouders me gaven: “Martinku, alles wat we hier tegen elkaar zeggen mag je buiten nooit vertellen. Anders eindigen we als die arme mensen op de radio.” Ik zocht op zolder de wc op die ooit deel uitmaakte van het dienstverblijf, toen mijn ouders zich nog een dienstmeisje konden veroorloven. Een kleine, vochtige ruimte met een dakraam. “Hier moet ik het dus tot het einde van mijn leven volhouden”, zei ik hardop, terwijl ik met mijn broek op de ijskoude bril zat.

Ik keek om me heen en zocht naar iets in het niets. Wandelen! Ja natuurlijk, ik moest wandelen, zoals ik op zondag met mijn ouders deed. De vier witgekalkte muren waren gelukkig vaak overgeschilderd. Mijn kinderblik zag daar berglandschappen in. Zo langzaam mogelijk trok ik met mijn ogen van de ene oneffenheid naar de andere. Steeds langzamer en langzamer. Het plafond werd de hemel. De tegels op de vloer velden, waar beekjes tussendoor stroomden, die uit de muren, de bergen, kwamen. Dagen achter elkaar zat ik zo gevangenisje op de zolder te spelen, steeds als het me lukte aan de aandacht van mijn ouders te ontsnappen. Wie weet, als ze me niet hadden ontdekt was ik nu een boeddha.’

De vijand heeft u leren mediteren. Hebt u nog meer aan hem te danken?

‘Ontstellend veel. Van verlangen naar vrijheid, alertheid, steeds op je qui-vive moeten zijn, liegen, tot vrijen aan toe.’

Vrijen?

‘De kapotjes van de vijand waren zo onbetrouwbaar dat je niet op ze kon rekenen. Betrouwbare anticonceptiemiddelen maken luie minnaars. En de vijand heeft me ook geholpen een betere tennisser te worden. In 1981 stelde ik me als volgt voor aan Ivan Lendl: “Ik ben Martin. Ik heb leren tennissen met het racket Artis en de tennisballen Optimit.” Overbodig te vermelden dat het erbarmelijk slechte producten van Oostblok-makelij waren. Lendl antwoordde: “Dan moet je een heel goede tennisser zijn.”

Tennis was het enige eerlijke in mijn leven. Eén tegen één, niet tegen een overmacht, en dezelfde regels voor allebei. Je zit zelfs in dezelfde kleedkamer met je tegenstander. Vlak voor de wedstrijd speel je met hem in. Je houdt meer van hem dan dat je hem haat, want een goede tegenstander haalt het beste in je naar boven. Je tegenstander legt je zwakheden bloot. Je speelt een simultaanwedstrijd: één tegen jezelf, en één tegen hem. Vaak verlies je van jezelf, als het erop aankomt. Het is een beschaafde, Engelse sport. Er zit een net tussen jou en je tegenstander. Je moet leren incasseren, net zo goed als uitdelen. Een psychische bokswedstrijd is het eigenlijk.’

‘Ik ben een tenniscoach en ik wacht mijn leven lang op een leerling die weet wat hij wil. En u weet wat u wilt. U wilt dood’

Wat hebt u van uw tegenstanders geleerd?

‘In Praag liep een speler rond die van oorsprong een hordenloper was. Met tennis was hij te laat begonnen, en dat besefte hij, als sportman. Hij was te oud om alle slagen nog echt goed te leren, en koos er één. De lob, de hoge bal. Een slag die haast niet wordt getraind omdat hij maar een enkele keer per wedstrijd aan bod komt. Hij oefende en oefende op de hoge ballen, tot ze uiteindelijk allemaal vijf, tien, hooguit twintig centimeter van de baseline vielen, ook als het woei. Een topprestatie. De enige manier om hem te verslaan was service-volley te spelen, en als hij aan service was direct aanvallen en naar het net stormen. Dat deed ik dan ook, met succes. Ik smashte al zijn hoge ballen af en stond met 6-1, 1-0 voor, toen hij bij de baanwissel tegen me zei: “Je smasht zeer goed. Maar een echte smasher herken je pas bij de honderdzeventigste smash.” Dat hij zoiets zou gaan zeggen bij achterstand wisten we allemaal. En toch sloeg het me uit het lood. “Hoe vaak heb ik nou al gesmasht?” begon ik me af te vragen, en verloor.

De tweede keer dat een opmerking van een tegenstander me nekte was in Nederland. Een speler uit de provincie die op papier nooit van me kon winnen keek me voor de wedstrijd in de kleedkamer plotseling vol medelijden aan. “Ach, heb je iets met je been? Wat vervelend.” “Nee, waarom?” hapte ik onnozel. “Gelukkig maar”, zei hij, “ik was even bang dat de wedstrijd niet door zou gaan. Het is net of je hinkt.” Eenmaal op de baan speelde hij de ene korte bal na de andere, alsof ik echt een probleem had, wat mij ontzettend irriteerde. Ik probeerde hem onbeheerst af te straffen en verloor. Zulke tegenstanders moet je dankbaar zijn. Ze bombarderen je ego tot stof. Als je het oppikt, word je vele malen sterker.’

Gebruikt u uw tenniservaring ook buiten de tennisbaan?

‘Zonder tennis zou ik nooit een radio- en later televisie-interviewer zijn geworden. In 1994 werd ik door Louis Bogaers, een Hilversumse radiomaker, gevraagd om in te vallen voor een presentatrice met zwangerschapsverlof. Ik zei ja, maar ik zei nee tegen de “microfoontraining” waar Bogaers op stond. “Nee, nee, dat zou me alleen maar afschrikken. Als je zegt dat ik het kan, heb dan vertrouwen.” Een mapje met knipsels dat ik ter voorbereiding op het gesprek met de eerste gast kreeg opgestuurd liet ik ook liever ongeopend. Voorkennis zou me alleen maar afleiden. Niets weten, het alleen van kijken en luisteren moeten hebben leek mij de beste basis voor een gesprek.

Ik kwam op tijd op het Mediapark, goed uitgeslapen en ontspannen, net als voor een tenniswedstrijd. “Zo, wie hebben we vandaag?” vroeg ik opgewekt. De redactie die het mapje met informatie en vragen aan me had gestuurd schrok. Gelukkig waren ze wijs genoeg om me geen verwijten vlak voor de uitzending te maken. “Je gast heeft zestien mislukte zelfmoordpogingen achter de rug”, zeiden ze alleen. “Zestien? Dan heeft ze er beslist geen talent voor”, constateerde ik. Ik zag de schrik op de gezichten: waar zijn we in godsnaam aan begonnen?

We vertrokken in een busje. “Waar gaan we heen? De studio is toch hier?” vroeg ik. “We interviewen op locatie”, zei Louis kortaf, zijn ogen strak op de weg. Het miezerde. Ook toen we uitstapten. Nu schrok ík: ik was terug in het Oostblok. Dat gebouwencomplex kende ik. Dat was de architectuur van het regime. “Gesloten inrichting”, zei Louis. “Hier heb je de microfoon, je gaat naar binnen, en als je haar ziet, gaan we open.” “Ga je niet met me mee?” vroeg ik, stomverbaasd. “Nee, ik zit in het busje. Achterin zit de techniek.” En inderdaad: vanuit de ingewanden van het busje stapte nu ook de technicus, om me sterkte te wensen.

Heeft dit nog iets met tennis te maken?

‘Alles. Let op, nu komt het. De ijzeren hekken gaan open en dicht. Bewakers. Ik word verwacht. Een heel lange gang. Aan het einde gaat weer een hek open. Een bewaker houdt een vrouw bij de elleboog. Ze is kaalgeschoren, want ze stak haar haar almaar in de fik, maar dat wist ik nog niet. Ze lijkt me ook geen dertig, zoals de “Marloes” die ik moest ontmoeten, want die naam had ik nog in het busje geoefend. Naarmate ze dichterbij komt durf ik haast niet te kijken. Zo ziet de dood eruit. Haar wijd opengesperde ogen lijken blind. Het is net of ze door me heen kijkt. Bleek, mager, overal brandwonden, ook op haar armen. Daar drukte ze haar sigaretten op uit.

Je hebt verschillende soorten stiltes, en ervaren radiomakers herkennen ze meteen. “Ze is er hé?” fluistert Louis Bogaers in mijn koptelefoon, “wij gaan open. Begin.” Ik steek mijn hand uit en tover een dommige, misplaatste glimlach op mijn gezicht. “Ik ben blij u te ontmoeten”, lieg ik. Het streepje van haar mond, meer is het niet, wordt een paar millimeter langer. Ik zie minachting. Iedere tennisser weet dat als je een fout maakt, je hem moet herhalen. Dat moet ik geloof ik uitleggen.’

Inderdaad, maar kort in godsnaam.

‘Als je jong bent, op Roland Garros door de kwalificatie bent gekomen en in de eerste ronde Nadal, de negenmalige winnaar loot, zal je trainer voor de wedstrijd blijven herhalen: speel niet op zijn forehand. Dat je niet op Nadals forehand moet spelen weet iedereen, maar als je het zo vaak onnodig hoort herhalen, want je trainer is waarschijnlijk ook bang, en je komt voor het eerst in je leven op het uitverkochte centercourt waar zeventienduizend mensen klaarzitten voor de openingswedstrijd met Nadal, sla je de eerste de beste bal gegarandeerd op Nadals forehand. Hij maakt hem natuurlijk genadeloos af. Maar als je de volgende bal weer op zijn forehand speelt en die daarna ook, heb je kans dat hij gaat denken: wie is die dropveter daar aan de overkant? Weet hij soms niet dat ik Nadal ben? En zo kan het gebeuren dat ook Nadal fouten gaat maken. Dat is de enige kans die je hebt.

Dus ik besef bliksemsnel: ik moet mijn fout niet corrigeren. En herhaal: “Ik ben blij om u te ontmoeten, Marloes.” Maar nu, weet ik, moet er iets komen dat honderd procent waar is. Anders is de wedstrijd verloren. En zo hoor ik mezelf zeggen: “Want u moet weten: ik ben een tenniscoach…” – mijn god, wat zeg ik nu weer! Ik wil weg. Ik wil vluchten – “Ik ben een tenniscoach en ik wacht al mijn leven lang op een leerling die weet wat hij wil. En u weet wat u wilt. U wilt dood. Alleen nu moet u me nog uitleggen waarom.” Het streepje van Marloes’ mond ontspant. Er verschijnt zelfs een milde glimlach op haar lippen. “Dat kan ik”, zegt ze, “dat kan ik heel goed.”

Jaren later kreeg ik een brief. Marloes vertelde me dat ze nog leeft, terug is bij haar man en dat ze inmiddels kinderen heeft. “Het was de eerste keer dat iemand naar me luisterde”, schreef ze. Dat was niet mijn verdienste. Het was de verdienste van tennis. Je traint uiteindelijk op situaties waarin je niets anders kunt dan je aan het moment overgeven. Je angsten achter je laten en vol vertrouwen in het niets springen is het mooiste wat er is.’


Beeld: Martin Simek in Calabrië tijdens zijn zelfinterview (Gianni Tirelli).