De Russen komen… toch niet

MARK TRAA
DE RUSSEN KOMEN! NEDERLAND IN DE KOUDE OORLOG
Athenaeum-Polak & Van Gennep, 250 blz., € 18,50

Sommige mensen blijven maar zeuren over het feit dat de overheid ten tijde van de Koude Oorlog maatregelen nam om te voorkomen dat bij een eventuele inval van de Sovjet-Unie en haar bondgenoten Nederlandse communisten zouden optreden als vijfde colonne. In een column naar aanleiding van de onthulling dat Telegraaf-journalisten door de AIVD zijn afgeluisterd verwees Elsbeth Ettty (NRC Handelsblad,14 juli), bijkans stikkend van verontwaardiging, naar het onlangs verschenen boek van Mark Traa. Ze schreef dat uit dit boek bleek dat hoge ambtenaren zich tijdens de Koude Oorlog ‘verlustigden in de meest perverse fantasieën’, zoals onder meer het ‘preventief liquideren van Nederlandse communisten’.
Uit Traa’s boek blijkt echter dat er nooit concrete plannen zijn gemaakt om communisten standrechtelijk te executeren, wél om een groot aantal van hen te arresteren en eventueel naar het buitenland te deporteren. In 1948, toen na de communistische staatsgreep in Tsjecho-Slowakije en tijdens de blokkade van Berlijn de angst voor een Derde Wereldoorlog groot was, stonden er achtduizend communisten en fellow travellers op de lijsten van ‘Operatie Diepvries’.
Het is makkelijk om hierover verontwaardigd of juist lacherig te doen, maar is dat ook terecht? Etty schrijft dat de BVD tot 1987 dergelijke lijsten heeft bijgehouden (waar toen trouwens aanzienlijk minder mensen op stonden), terwijl de minister van Binnenlandse Zaken al in 1982 had gesteld dat de CPN behandeld diende te worden als elke andere legale partij, ‘omdat deze functioneerde binnen ons parlementair-democratisch kader’. Dat klopte inderdaad voor de CPN van 1982, maar in 1948 lag dat toch een tikkeltje anders. Toen verklaarden prominente CPN’ers openlijk dat ze verwachtten én hoopten dat het Rode Leger ons binnen tien jaar zou ‘bevrijden’.
In de ogen van veiligheidsdiensten vormden in 1948 communisten – net zoals dat begin 1940 met NSB’ers het geval was geweest en tegenwoordig geldt voor moslimextremisten – een clear and present danger. Achteraf viel de dreiging van 1948 mee, maar ook tegenwoordig verwachten wij van onze veiligheidsdiensten dat ze rekening houden met eventualiteiten. Doen ze dat niet, en gebeurt er toch wat, dan is het huis te klein. Een intellectueel, wiens taak het is de waan van de dag te relativeren, kan het zich veroorloven achterover te leunen en te zeggen dat het zo’n vaart niet zal lopen, maar veiligheidsdiensten kunnen dat niet.
Wie het op uitvoerig archiefonderzoek gebaseerde boek van Traa leest schudt inderdaad soms vol ongeloof het hoofd en komt in de verleiding zich vrolijk te maken over de af en toe erg onrealistische plannen die ten tijde van de Koude Oorlog zijn gemaakt om Nederland voor te bereiden op een mogelijke oorlog met het Oostblok. Gelukkig mist de auteur echter de verontwaardiging van Etty, en beseft hij dat het erg gemakkelijk én onhistorisch is om uit het feit dat de Derde Wereldoorlog niet is uitgebroken te concluderen dat alle plannen en voorzorgsmaatregelen volmaakt overbodig en onzinnig zijn geweest.
Bovendien wordt duidelijk dat sommige ambtenaren en militairen zich toen al realiseerden dat wat ze deden niet altijd even realistisch was. Zo werd in de loop van de jaren vijftig, toen de atoomdreiging steeds groter werd, de conclusie onontkoombaar dat het onmogelijk was de op papier voorbereide massale evacuaties uit te voeren. Dat neemt niet weg dat ongelooflijk veel mankracht is verspild aan dergelijke voorbereidingen, zoals bijvoorbeeld in Gouda, waar voor elke woning werd bekeken hoeveel evacués er konden worden ingekwartierd, hetgeen werd bijgehouden in een kaartensysteem dat vele tienduizenden fiches telde. Ook zijn in alle gemeenten ambtenaren bezig geweest met het in kaart brengen van ‘prostituees, misdadige elementen, vervuilde personen en andere groepen, zoals ruziezoekers en onevenwichtige personen’, die bij evacuatie gescheiden dienden te worden van de normale burgers.
Het zijn deze verhalen, plus de hoofdstukken over de reddingsoperaties ten gunste van de Nederlandse elite, de beveiliging tegen atoomaanvallen en het opzetten van een verzetsorganisatie die in actie moest komen zodra de Russen zouden komen, die dit boek zo lezenswaard maken. Wat zich nu en dan wreekt, is dat Traa zich vrijwel uitsluitend geconcentreerd heeft op het archiefmateriaal, en vrij weinig literatuur heeft gebruikt. Daardoor blijft de context wat vaag en mist hij soms dingen.
Zo beschrijft hij wel dat Loe de Jong een tijdlang werd geobserveerd omdat hij van communistische sympathieën werd verdacht, maar wordt het niet duidelijk in hoeverre dat terecht was. Dat De Jong als directeur van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie in diezelfde tijd een nota aan de regering schreef, waarin hij de kans op een Russische inval heel hoog achtte en pleitte voor verregaande voorzorgsmaatregelen, en dat de veiligheidsdienst hem een paniekschopper en een bemoeial vond, meldt Traa ook niet. Het zou interessant zijn om te weten waarom men De Jong niet serieus nam, en of dat iets te maken had met de verdenking die tegen hem bestond.
Niettemin is De Russen komen! een bijzonder informatief en onderhoudend boek, dat niet alleen duidelijk maakt dat dreigingen vaak volkomen verkeerd worden ingeschat, maar ook dat het onvermijdelijk is dat een land zich voorbereidt op allerlei gevaren die zich uiteindelijk niet zullen voordoen.