Klavdia Sjoelzjenko zingt Het blauwe sjaaltje in 1942 © russiart

In het Museum van de Grote Vaderlandse Oorlog begint de Tweede Wereldoorlog twee jaar te laat. Je zou het niet zeggen als je in Moskou over het enorme spekgladde plein van het Overwinningspark op de Poklonnajaheuvel naar het megalomane gebouw loopt. In de tweehonderd meter brede betonnen tentoonstellingsruimte lijkt de oorlog tot in detail weergegeven, van slag tot slag, van belegering tot belegering, om te eindigen bij de verovering van Berlijn en de overwinningsparade op het Rode Plein.

Het is december 2008 en het vriest vijftien graden. Aan de arm van mijn tengere Moskouse vriendin Joelia glijd ik naar de pompeuze ingang. We slagen er ternauwernood in om overeind te blijven. Aanvankelijk laten we ons imponeren door dit massale eerbetoon op de veertienduizend vierkante meter grote expositieruimte, totdat ons opvalt dat in deze pompeuze voorstelling over triomf en heldenmoed geen spoor te bekennen is van het Molotov-Ribbentroppact uit 1939. Dit vriendschapsverdrag tussen nazi-Duitsland en de Sovjet-Unie stelde Hitler in staat om op 1 september van datzelfde jaar ongestoord Polen binnen te vallen, waarna Stalin het oosten van dat land en de drie onafhankelijke Baltische landen kon annexeren. Wanneer ik de zaalwacht, een mollige dame met een suikerspinkapsel, vraag waarom niets naar dat beruchte verdrag verwijst, antwoordt ze streng: ‘U kunt er iets over zien in de videodocumentaire op de monitor, daar in de hoek, maar die is nu helaas stuk.’

De videodocumentaires op de andere monitoren voorspellen echter weinig goeds over wat ik heb gemist. Ze bestaan uit aan elkaar geplakte archiefbeelden zonder verhaallijn. Toch behoort het Molotov-Ribbentroppact, samen met de Spaanse Burgeroorlog, tot de belangrijkste episodes uit de voorgeschiedenis van de oorlog. Zonder dat ‘duivelspact’ had Hitler in 1940 waarschijnlijk nooit de strijd aangedurfd met de Engelsen en Fransen.

Stalin en Hitler lieten elkaar dankzij dat verdrag twee jaar lang met rust en breidden tegelijkertijd hun grondgebied uit ten koste van Estland, Letland, Litouwen en Polen. Hun vriendschap paste na 1945 niet in het officiële geschiedbeeld en werd zorgvuldig weggeretoucheerd. Ook in het huidige Rusland mag het Pact nog altijd het historiografische daglicht niet zien.

Joelia herinnert zich de oorlogsfilms waarmee ze in haar pubertijd werd doodgegooid nog goed. ‘Door die films had ik nachtmerries over de fascisten die eraan kwamen’, vertelt ze. ‘In de lente van 1985, tijdens de glasnost, was ik zelfs als de dood dat er weer oorlog zou uitbreken.’

In de Zaal voor de Herinneringen en de Smarten, waar je onder een hemel van tranen loopt, staan in vitrines de dodenboeken opgesteld. De aantallen zeggen veel over het lijden van het sovjetvolk in de Tweede Wereldoorlog. Uit de provincie Tambov komen 190.000 van de gesneuvelde soldaten, uit die van Saratov 273.500, uit de provincie Rostov 262.698 en uit de provincie Volgograd 199.975. Het gaat maar door, tot je er meer dan acht miljoen hebt geteld.

En dan zijn er ook nog de negentien miljoen omgekomen burgers. Van hen zie je hier weinig, want in het Museum van de Grote Vaderlandse Oorlog staan alleen de helden centraal. Ze storten zich op je in de Hal van de Glorie, waar je de namen van 11.695 Helden van de Sovjet-Unie in gouden letters op 72 zuilen kunt lezen.

Ook afwezig is een verwijzing naar Stalins bevel 277, dat soldaten verbood zich terug te trekken. Deden ze dat wel, dan werden ze door de nkvd geëxecuteerd. In de Slag om Stalingrad (21 augustus 1942-2 februari 1943) overkwam dit 23.000 Russische soldaten. In een van de zaaltjes is het drama als één groot overwinningsfeest neergezet. Het enorme schilderij van M.I. Samsonov verbeeldt de laatste uren van de slag, waarin twee miljoen soldaten tegen elkaar vochten. Een Duitse soldaat kijkt wezenloos voor zich uit. Een paar meter verderop juichen de Russen.

‘Toch ga ik hier niet met mijn dochtertje naartoe’, zegt Joelia teleurgesteld als we het gebouw uit lopen. ‘Oorlog gaat toch vooral over het leed dat gewone mensen is aangedaan. En dat zie je op deze tentoonstelling nergens.’

In een van de laatste zalen hoor ik ineens zwoele dansmuziek. Een vrouw zingt iets over een soldatenhart en een achtergebleven liefje.

‘Van wie is die mooie stem?’ vraag ik aan Joelia.

‘Van Klavdia Sjoelzjenko’, zegt ze. ‘Haar liedjes zijn het enige mooie wat ik van de oorlog heb onthouden.’

jaren dertig. Het zijn niet alleen haar stem en liedjes die je betoveren © russiart

Zo beroemd als Klavdia Sjoelzjenko was in de Sovjet-Unie bijna niemand. Ik vraag me dan ook af of de gekmakende willekeur waarmee het regime componisten als Prokofjev en Zaderatski kapot probeerde te maken ook gold voor het lichtere repertoire, oftewel de ‘Estrada’, zoals de kleinkunst in Rusland wordt genoemd. Tenslotte hadden populaire zangers als Alexander Vertinski en Pjotr Lesjtsjenko na de revolutie van 1917 hun land verlaten, samen met het grootste deel van hun publiek. In Russische emigrantenkringen in Parijs, Berlijn en Constantinopel zetten ze hun carrière ongestoord voort en werden ze door hun voor de bolsjewieken gevluchte landgenoten op handen gedragen. Door hun populariteit in die kringen werden hun tango- en foxtrotliederen in de Sovjet-Unie in de jaren dertig verboden. De aanzet daartoe kwam van de schrijver Maxim Gorki, die de muziek een maniakale kakofonie had genoemd, voortgebracht door wezens die half dier, half mens waren en gespeeld werd door een ‘negerorkest’. ‘Dit is muziek voor dikke mensen’, schreef hij in de Pravda op 18 april 1928, waarmee hij de prerevolutionaire elite bedoelde.

Klavdia Sjoelzjenko werd in 1906 geboren in Charkov in het noordoosten van Oekraïne. Haar vader werkte als accountant bij de tsaristische spoorwegen, maar was in zijn vrije tijd een fervent amateurmusicus, die zijn dochter Oekraïense volksliedjes leerde. Haar eerste concert gaf ze vanaf het balkon van het ouderlijk huis. In haar memoires schrijft ze over dat optreden: ‘Ik deed alle lampen in de kamer aan, opende de vensters, en begon te zingen. Plotseling hoorde ik applaus: “Kom op! Laat jezelf zien!” Welnu, natuurlijk stak ik uiteindelijk mijn gezicht door de gordijnen. En ze applaudisseerden zelfs meer. Dat gaf me een soort van moed, lef, en daardoor durfde ik nog wat te zingen.’

Ze genoot ervan om voor haar klasgenoten op te treden. Haar ouders zagen dat algauw in en gingen met haar naar het plaatselijke conservatorium, waar ze na te hebben voorgezongen meteen werd aangenomen. Na haar afstuderen zocht ze haar geluk eerst in het variététheater. Daar kon ze haar acteer- en zangtalent combineren in kleine, muzikale toneelstukjes.

Lenin had het variététheater en het circus in 1919 aan strenge regels onderworpen om het repertoire van ‘ongezonde tendensen’ te zuiveren. Beide podia werden in het vervolg door één gezamenlijke ideologische en bestuurlijke organisatie geleid. Voor beginnende zangers zoals Sjoelzjenko werden daardoor allerlei obstakels opgeworpen, waardoor het optreden hen vrijwel onmogelijk werd gemaakt. Zo mocht niet meer gezongen worden in de cafés van de variététheaters, zoals in de tijd van de tsaren gebeurde toen zangers als Alexander Vertinski zich al zingend tussen de tafels van het etende en drinkende publiek bewogen. Op die manier werd voor veel gewone Russen het plezier vergald.

Lichte muziek is in Rusland een geliefd genre, bij jong en oud, laag- of hoogopgeleid. Ik merk het als mijn vrouw, een mezzosopraan die behalve barokmuziek ook liederen van Kurt Weill, Barbara, Vladimir Vysotski en Alexander Vertinski zingt, in de Moskouse club Bilingua optreedt. Trots als een pauw zit ik op het balkon tussen zwaar getatoeëerde en gespierde arbeiders en politiemannen in hun vrije tijd. In de zaal beneden ontwaar ik een minister en een beroemde schrijver met hun jonge vriendinnen, te midden van keurige oudere dames, die je bij ons alleen in het Amsterdamse Concertgebouw tegenkomt.

Mijn vrouw heeft de laatste noten van Vertinski’s lied Mevrouw, de bladeren vallen al nog niet gezongen of de mannen barsten in gejuich uit. Een van hen bromt met kapotgerookte stem het geweldig te vinden dat een buitenlandse in zijn taal zingt, ‘een bewijs van respect’. De Nederlands-Russische betrekkingen zijn in geen tijden zo goed geweest.

Net als Vertinski richtte Sjoelzjenko zich op het theatraal combineren van zingen en acteren. Haar liederen werden op die manier kleine toneelstukjes, waarin ze een overtuigend verhaal vertelde met alle mimiek die daarbij hoorde. Natuurlijk gingen ze over liefde, verlangen en jaloezie. In 1923 werd ze in Charkov aangenomen bij een theater, waar ze op de piano begeleid werd door de toen nog onbekende Isaak Doenajevski. Ook kreeg ze rollen in operettes en speelde ze in een toneelversie van Dostojevski’s De idioot. Maar haar grootste talent lag in het zingen van romances.

Klavdia Sjoelzjenko was Katja, Vera, Irina, en ga zo maar door. Ze was hun zus, moeder en dochter tegelijk én de geliefde van al hun mannen

Doenajevski adviseerde haar om een eigen repertoire op te bouwen. Hij introduceerde haar bij de componisten van sovjetliederen die zich met hun meest sentimentele noten voor haar inzetten. Zigeunerromances, foxtrots en tango’s, genres die Pjotr Lesjtsjenko voor de revolutie van 1917 beroemd hadden gemaakt, liet ze in het vervolg achterwege om ze te verruilen voor sociaal bewogen muziek uit het nieuwe liedboek van de Sovjet-Unie.

Een van deze begenadigde liedjesschrijvers was Pavel German. Zijn liedjes, met arbeidereske titels als Het lied van de bakstenenfabriek, Bakstenen en Mijnschacht nr. 3, zouden Sjoelzjenko roem brengen.

Wie denkt dat die sovjetvariétémuziek somber klonk en een ernstige muzikale weergave was van de industrialiserende Sovjet-Unie, heeft het mis. De industrie, met haar kloppende machines en stoom briesende fabrieksschoorstenen, was hoogstens op de achtergrond aanwezig. De teksten en melodieën waren daarentegen oersentimenteel en gingen vrijwel altijd over de liefde, het vaste thema van de meeste sovjetfilms, toneelstukken of levens.

In mei 1928 brak ze door toen ze in het Mariinski Theater in Leningrad een van de zangers was van een jubileumconcert gewijd aan de sovjetpers. Opnieuw was het publiek in de zaal razend enthousiast toen zij haar solo’s vertolkte. Bij liederen als Klaproos, Zjorzje en Ketti, Grenada, Nooit, Sigarettenmeisje en Oktoberprocessie werd om het ene na het andere ‘encore’ gesmeekt. Het succes van dit concert bezorgde haar een baan bij het Leningradse Music Hall-theater. Haar mentor Doenajevski was er inmiddels directeur.

In haar memoires zou ze vertellen dat het geheim van haar liederen vooral lag in de combinatie van een elegante melodie, ritmische vrijheid, de aanwezigheid van helden met duidelijke karaktertrekken en een onverwachte, vrolijke finale. Het einde van elk lied moest volgens haar het publiek aan het schaterlachen brengen, of op z’n minst een glimlach opwekken.

jaren vijftig. Sjoelzjenko’s liedjes gingen over liefde, verlangen en jaloezie © russiart

Maar er moet meer zijn, want een lied staat of valt bij de vertolker ervan. Om erachter te komen wat het geheim van haar succes was, ga ik in Amsterdam op bezoek bij Leonid Roesanovski, een 71-jarige Russisch-joodse altviolist die in 1979 vanwege het toenemende antisemitisme uit de Sovjet-Unie naar Nederland emigreerde en tot aan zijn pensioen bij het Nederlands Kamerorkest speelde. Hij heeft Sjoelzjenko in zijn jeugd vaak zien optreden.

Als ik naar zijn huis aan de rand van het Amsterdamse Bos fiets, zit er sneeuw in de lucht. In zijn woonkeuken zet zijn vrouw Irina Kievse taart op tafel en schenkt thee. Als we ook nog Russisch spreken en het over de Sovjet-Unie hebben, waan ik me even in een Moskouse keuken.

‘De schrijver W. Somerset Maugham schreef ooit dat je als acteur in een toneelstuk nooit stil moest blijven als daar geen reden voor was’, zegt Leonid. ‘Maar als je dat wel deed moest je dat doen zo lang als je kon. Datzelfde zie je bij Sjoelzjenko. Ze kon geweldig acteren. Ze oogde als een Russische boerin, maar ook daarin zat haar kracht.’ Om het te bewijzen laat hij op zijn iPad een YouTube-filmpje zien van een van haar naoorlogse optredens. ‘Zie je, het is haar gevoel voor timing’, zegt hij. ‘Precies dat hoor je ook terug in de muziek van Mjaskovski, Chrennikov en Prokofjev, die heel goed naar zowel haar als naar Vadim Kozin hebben geluisterd.’

In het zwart-witfilmpje beweegt Sjoelzjenko gracieus met haar handen als een Russische Mata Hari in een lange glitterjurk. Een vrouw met een stevige boezem en een rond gezicht. ‘Als zij de zaal binnenkwam, kreeg iedereen kippenvel’, vervolgt Leonid. ‘Ze had een prachtige tred, alsof ze op rolschaatsen gleed.’

Begin jaren dertig kwamen ook tango’s en foxtrots onder vuur te liggen. Aangezien Sjoelzjenko wilde blijven optreden, besloot ze zich daarom meteen aan te passen, zoals zoveel van haar artistieke landgenoten deden. Ze nam daarom volksliederen in haar repertoire op die wel op de goedkeuring van de rapm konden rekenen. Dat was geen moeilijke opgave, omdat ze langzamerhand genoeg had van de klassieke romances over zigeuners of aristocraten met liefdesverdriet. Juist volksliederen drukten ‘gewone emoties’ uit, van mensen die ze dagelijks op straat tegenkwam, zoals ze schreef in haar memoires. Het was een troost in het verstikkende klimaat waarmee elke vorm van menselijke spontaniteit leek te worden uitgebannen.

Halverwege de jaren dertig verloor Sjoelzjenko haar hart aan de jonge, talentvolle joodse musicus Vladimir Koralli. Ze trouwden en kregen een kind. In het vervolg traden ze samen op en in 1935 maakten ze hun eerste plaat met Tanja’s lied uit de komische film Met vakantie.

Terwijl tijdens de Stalin-terreur van 1936 tot en met 1939 behalve politici ook leden van alle takken van de intelligentsia voor hun leven vreesden, toerde Sjoelzjenko met het Skomorovski Jazz Orkest door de Sovjet-Unie. Voor de promotie van een nieuwe plaat ging ze op tournee. Tijdens haar verblijf in het Armeense Jerevan hoorde ze op 22 juni 1941 dat de oorlog met nazi-Duitsland was uitgebroken. Meteen nam ze het vliegtuig terug naar Leningrad. Daar werd ze de volgende dag, net zoals zo’n 42.000 andere artiesten, ingedeeld bij een regiment voor het vermaak van de troepen aan het front. Tot aan het einde van de oorlog zou het daar optreden.

Op andere YouTube-filmpjes zie je haar in deze tijd steeds geposeerder en gemaniëreerder worden. Desondanks was ze door haar enigszins gezette verschijning, haar weelderige haar, bleek gepoederde wangen, felrode lipstick en geplukte wenkbrauwen voor veel vrouwen herkenbaar. Klavdia Sjoelzjenko was Katja, Nadezjda, Joelia, Vera, Irina, en ga zo maar door. Ze was hun zus, moeder en dochter tegelijk, zoals ze ook de geliefde was van al hun mannen.

Tot eind 1941 zou ze voor de troepen zingen, als onderdeel van de variété-, theater- en circusoptredens die voor het Rode Leger werden georganiseerd. De legerleiding vond haar zo belangrijk voor het moreel dat ze met haar ensemble een eigen repetitieruimte in een onderkomen van het Rode Leger in Leningrad kreeg. Het was een privilege dat geen van de andere artiesten had.

Per autobus of pantsertrein reisde Sjoelzjenko langs het front. Onderweg werd overal gestopt om een kort concert van zo’n dertig minuten te geven, omdat ze anders het gevaar liepen door Duitse jachtvliegtuigen te worden beschoten. Ze zong bij dertig graden onder nul op het bevroren Ladogameer, dat als enige vluchtroute vanuit Leningrad voortdurend door de Duitsers werd gebombardeerd.

Maar het kon haar niets schelen, zo blij was ze altijd om soldaten te ontmoeten die van haar muziek genoten, zoals ze in haar memoires schrijft: ‘Alleen om mij te zien, zouden soldaten kilometers over kapotte wegen reizen: ze zouden bombardementen doorstaan, er zou op hen worden geschoten, ze zouden amper slapen, niet genoeg eten, ze zouden zelfs hun hachelijke positie vergeten, zichzelf vergeten. Daar, aan het front, begreep ik wat voor een artiest de hoogste eer betekent: die glimlach, die liefde en erkenning van soldaten voor wie jouw kunst, zoals blijkt, absoluut essentieel is.’

© russiart

De troost van de liederen die ze in de oorlogsjaren zong zat hem in de thematiek. Vanzelfsprekend gingen ze over trouw aan de afwezige geliefde die voor het vaderland vocht. Maar ook bruisten ze van patriottisme en kameraadschap. De wereld die Sjoelzjenko op het podium in muziek goot was een droomwereld, vol zuivere schoonheid, waarin het kwaad afwezig was. Toen ze uit solidariteit met de soldaten optrad in militair uniform waren ze teleurgesteld. Ze wilden haar zien in galajurken met parels, zoals vóór de oorlog.

Alleen al om Het blauwe sjaaltje adoreerden miljoenen soldaten haar. Iedereen moet het in die dagen hebben gekend en gezongen of geneuried. Ik begrijp het volkomen, want de melodie is die van een weemoedige wals op een tekst over een vrouw bij wie een blauw sjaaltje van de schouders valt, dat wordt opgeraapt door haar geliefde die naar het front moet. De vrouw belooft hem dat ze het zal koesteren en het aan het hoofdeinde van haar bed zal bewaren totdat de fascisten zijn verslagen en hij weer terugkeert van het front.

‘Daar, aan het front, begreep ik wat voor een artiest de hoogste eer betekent: die liefde van soldaten voor wie jouw kunst essentieel is’

Het lied heeft een even romantische ontstaansgeschiedenis. Op een dag in de lente van 1942 werd Sjoelzjenko aan het Wolgafront benaderd door een luitenant, Michail Maksimov genaamd, die een nieuwe tekst op een bestaand lied had geschreven dat Het blauwe sjaaltje heette. Het sentimentele verhaal van een sjaaltje veranderde nu in een lied van hoop op de terugkeer van de geliefde die aan het front voor het vaderland vocht. En die hoop klonk uit de mond van Sjoelzjenko als bij niemand anders.

Het blauwe sjaaltje werd wat Lale Andersens Lili Marleen voor de Duitsers was en We’ll meet again van Vera Lynn voor de Britten. Het gaf de soldaten moed. Er was zelfs een twintigjarige officier die zijn manschappen voorging in het gevecht met de strijdkreet ‘Voor het blauwe sjaaltje!’ in plaats van het gebruikelijke ‘Voor het Moederland! Voor Stalin!’

In de documentaire Een avond met Klavdia Sjoelzjenko (1983) is een fragment opgenomen uit begin jaren zeventig waarin Sjoelzjenko op de negende mei, de Dag van de Overwinning, te midden van oorlogsveteranen van de marine in een televisiestudio zit. De officieren herinneren haar aan een optreden tijdens de oorlog in het militair hospitaal in Novorossiisk aan de Zwarte Zee. Ze waren gewond maar smachtten ernaar om haar te zien optreden. Vooral het lied De handen deed hen in dat hospitaal goed. Handen waren voor hen van levensbelang, omdat je er al het wezenlijke mee kon doen: schrijven, deeg kneden, je geweer vasthouden, liefhebben, et cetera. Daarom vragen ze haar om het nog een keer voor hen te zingen, wat ze als vanzelfsprekend doet. Opnieuw zie je dan weer haar geheim, want het zijn niet alleen haar stem en liederen die je betoveren, maar ook de elegante bewegingen van haar handen, die je bijna doen geloven dat ze je naar zich toetrekt en je omhelst.

Voor haar optredens, die haar behalve langs het westfront ook naar de Kaukasus en Centraal-Azië voerden, kreeg Sjoelzjenko in de loop van de oorlogsjaren de ene na de andere hoge onderscheiding toegekend, zoals de Orde van de Rode Ster, die anders alleen voor hoge officieren was weggelegd.

De vreugde over de overwinning op Hitler was onvoorstelbaar groot, om van het verdriet over het door de Duitsers veroorzaakte leed nog maar te zwijgen. Het hele Europese deel van de Sovjet-Unie lag in puin. Al mijn Russische vrienden en kennissen hebben tussen 1941 en 1945 wel een familielid verloren.

In 2010 woonde ik de prijsuitreiking bij van een opstelwedstrijd voor middelbare scholieren over die periode. Tijdens die bijeenkomst vertelde de toen 83-jarige mensenrechtenactiviste Ljoedmila Alexejeva met een door tranen verstokte stem hoe zij het einde van de oorlog had beleefd. ‘Toen ik hoorde dat de oorlog afgelopen was, rende ik naar het Rode Plein’, zei ze. ‘Alle straten zagen zwart van de mensen. Iedereen was zó blij. Niet omdat we de Duitsers hadden verslagen, maar omdat de oorlog voorbij was. Wij hadden gewonnen, het volk. Daarom schaam ik me er nu zo voor dat er overal Stalin-affiches worden opgehangen. Want het einde van de oorlog was ónze heldendaad en niet de zijne.’

Alexejeva, die in 2018 overleed, sloeg de spijker op z’n kop. Wat zij toen voelde, moeten ook Sjoelzjenko en al die miljoenen soldaten hebben gevoeld. Zij hadden Stalin de overwinning bezorgd en eisten in ruil daarvoor grotere burgerlijke vrijheden en een einde aan de terreur. De dictator ervoer dat verlangen echter als een aanval op zijn machtspositie, en draaide daarom de duimschroeven extra aan.

De sovjetpers opende ineens de aanval op tango’s en walsen. Die liederen waren ‘decadent’ en zouden de jeugd bederven. Ook de jazzelementen in de foxtrots kregen ervan langs. In 1946 werd het variété zelfs van een officieel stigma voorzien. Entertainment ‘zonder dogma’ kwam onder vuur te liggen van het Centraal Comité. Hetzelfde gold voor lyrische liederen. Er werd een zwarte lijst gepubliceerd met driehonderd ideologisch ‘ongewenste’ of ‘onbenullige’ liederen, waarop ook Sjoelzjenko’s Het briefje, Handen, De klok, Rendez-vous, Ik heb nergens spijt van en Het blauwe sjaaltje stonden. Platen met die liederen waren steeds moeilijker verkrijgbaar en werden niet bijgeperst. Opnieuw moest Sjoelzjenko een ander repertoire samenstellen. Maar ditmaal kostte het haar veel meer moeite en ging het niet van harte. Wat wil je ook: enerzijds werd ze als zangeres door de staat geprezen als het beste wat het variététheater had voortgebracht, terwijl de autoriteiten haar anderzijds bekritiseerden op grond van haar ‘banale’ liedjes.

Behalve haar repertoire paste Sjoelzjenko nu ook haar hele stijl van optreden aan. Een van de oplossingen die ze bedacht was dat ze in het vervolg alleen met pianobegeleiding zong en niet meer met het jazzensemble van haar man Koralli. Zonder de vrolijke tonale vrijheden van de jazz klonken al haar oude liederen ineens veel serieuzer en subtieler. En ze begon liederen over het studentenleven te zingen, waarin het minder ging over liefde en verlangen maar des te meer over het chaotische leven van jonge mensen op de rand van het serieuze bestaan. Op zo’n geraffineerde wijze lukte het haar om de jaren tot aan Stalins dood in 1953 ongeschonden door te komen, maar het zou zeker tot eind jaren vijftig, begin jaren zestig duren voordat ze een comeback maakte met haar oude repertoire.

1978. Sjoelzjenko had een sterke mimiek © Leonid Lazarev / Getty Images

In 1962 werd een van haar concerten op de lokale televisiezender van Leningrad uitgezonden. Ik zie het op internet en laat me meevoeren naar de tijd waarin Leonid Brezjnev met zijn zware zwarte wenkbrauwen aan de macht was en iedereen min of meer tevreden leek dankzij de hoge olieprijs.

Het programma dat Sjoelzjenko die middag zong, heette ‘Liederen over de liefde’. De camera voert je als in een documentaire langs de rivier de Neva met zijn grote bruggen en de statige voormalige adelspaleizen naar presentator Igor Gorbatsjov, die al lopend een liefdesgedicht declameert, om stil te houden bij het affiche aan de gevel van de concertzaal waarop de naam van de populaire zangeres prijkt. En dan zegt hij, de pet schuin op het hoofd, nonchalant: ‘Ik weet niet hoe het met u is gesteld, maar ik houd van Sjoelzjenko.’ Het is de Sovjet-Unie op haar meest romantisch.

Sjoelzjenko, die begeleid wordt door een driekoppig combo met piano, gitaar en contrabas, is in volle glorie te zien. De lofprijzingen van de dweperige Gorbatsjov, die haar bij de kijker introduceert, zijn niet van de lucht. Haar blonde haar is inmiddels zwart geverfd. Ze oogt stevig voor haar 56 jaar, maar voor veel vrouwen in de Sovjet-Unie van die jaren is zo’n postuur heel gewoon. En zoals altijd draagt ze een mooie lange jurk, met een zijden stola om haar schouders. Een parelketting en lange oorbellen sieren haar hals, de haren zijn opgestoken. Het is alsof ze zichzelf na al die jaren overtroffen heeft.

Ik besef nu pas hoeveel vrouwen zich in haar moeten hebben herkend. Waarschijnlijk droomden ze ervan ooit ook zo’n mooie jurk en sieraden te dragen. De zaal zit vol met echtparen, jong en oud, en militairen. Nog voor Sjoelzjenko een noot gezongen heeft, glimmen ze al van bewondering.

Tussen de liederen door vertelt Gorbatsjov over haar leven van weleer. Er zijn beelden van beroemde opnamen uit de oorlogsjaren ingelast, bijvoorbeeld van de blonde Sjoelzjenko die Het blauwe sjaaltje zingt. Daarna neemt hij je mee terug naar het concert en zingt ze ‘Davaj, zakoerim’ – ‘Laten we samen roken’. En dan zie je opeens waarom ze zoveel van haar landgenoten weet te verleiden met haar liederen. Het zijn niet haar ogen, die ze tot spleetjes knijpt alsof ze de sigarettenwalm willen ontwijken, maar haar handen, waarmee ze een denkbeeldig shagje rolt. Ook flirt ze met de camera en haar publiek. Je hebt de klank er bijna niet bij nodig, zo sterk is haar mimiek.

In haar laatste jaren ging haar gezondheid achteruit. Vooral haar geheugen liet het afweten. Toch merk ik er niets van in de documentaire Een avond met Klavdia Sjoelzjenko, waarin ze, een jaar voor haar overlijden, nog even mooi zingt als vroeger, al is haar stem wat gezakt. De film begint als ze in haar appartement wordt opgehaald voor een opname in de platenstudio van Melodia, op een steenworp afstand van het Moskouse Conservatorium. Ze is nog aan het repeteren met haar pianist en leunt over haar vleugel als haar bezoek wordt binnengelaten. De inrichting van haar woonkamer is die van de sovjetelite van die dagen, met kitscherige, antieke meubels en schemerlampen, goudzijden bloemenbehang, spiegels en een vleugel.

Op de achterbank van een Wolga, samen met de Lada in die dagen de dominante auto in de Moskouse straten, wordt ze even later naar de studio gereden van de Anglicaanse Kerk van St Andrew in de Voznesenskidwarsstraat. Het uit 1883 daterende gebouw van rode baksteen, dat zo in Cambridge of Exeter zou kunnen staan, verloor na de revolutie van 1917 zijn religieuze functie om pas na het staatsbezoek van koningin Elisabeth II in 1994 weer als kerk te functioneren.

In de documentaire haalt Sjoelzjenko tal van herinneringen op aan haar tijd in Leningrad tijdens de oorlog, maar ook aan haar jubileumconcert in 1976 in de Zuilenzaal van de Filharmonie. Zo verzucht ze dat ze in 1939 voor het eerst in die zaal optrad als deelnemer aan een concours voor variétéartiesten. Er komen tal van archiefopnamen uit de oorlog langs waarin ze voor de soldaten optreedt. De geüniformeerde manschappen luisteren ontspannen en bewonderend toe, in het open veld, in een concertzaal of een ziekenhuis. De beelden doen je beseffen dat ze in die jaren een van hen was: dankzij haar liederen was ze ieders liefje.

Toen Sjoelzjenko op 17 juni 1984 overleed was de hele Sovjet-Unie, van Brest-Litovsk tot Vladivostok, in rouw. Ze kreeg een staatsbegrafenis en werd door duizenden bewonderaars naar haar laatste rustplaats op het kerkhof van het Jonge Maagdenklooster gebracht. Nog jaarlijks worden daar bloemen op haar graf gelegd.

Het repertoire van Sjoelzjenko wordt nog altijd gezongen, door jong en oud. De hippe uitvoeringen met in legeruniform geklede jonge meiden zijn er het sprekendste bewijs van. Zoals Sjoelzjenko zelf zei: ‘Zolang mensen zich me herinneren, blijf ik leven.’ En zo is het, want je hoeft in Rusland rond 9 mei de televisie maar aan te zetten of je hoort Het blauwe sjaaltje weer.

Zelf leerde ik Sjoelzjenko kennen op die decemberavond in het Museum van de Grote Vaderlandse Oorlog. Vanaf haar eerste noten hield ik van haar muziek. Aan de arm van Joelia danste ik na afloop van ons bezoek over het grote plein, in de richting van de drie gebedshuizen, een synagoge, een moskee en een orthodoxe kerk, die de drie geloven van Rusland vertegenwoordigen.

Vanaf zijn enorme zuil in het midden van het plein keek Sint-Joris, de beschermheilige van het leger, op ons neer. Zingend schuifelden we over het ijs de heuvel af, in de richting van de metrohalte. In gedachten werden we omsingeld door de Duitse vijand. Maar we waanden ons veilig, dankzij het blauwe sjaaltje.


Michel Krielaars is oud-Ruslandcorrespondent en chef boeken van de NRC. Deze week verschijnt De klank van de heilstaat (uitgeverij Pluim), over het leven en lot van componisten en uitvoerende musici in Sovjet-Rusland, waar deze tekst een bewerkte voorpublicatie van is