De saaie beatstad

Den Haag: bakermat van de beat, het Liverpool van Nederland. Maar waarom zit er na winkelsluitingstijd niemand meer op de terassen?
IN 1972 HAD ik medelijden met iedereen die niet in Den Haag woonde. Zelfs Amsterdammers vond ik beklagenswaardig. Zij beschikten weliswaar over het Vondelpark en de Dam, waar hordes buitenlandse studenten op vakantie zich als hippie vermomden, maar in Den Haag woonden de popmuzikanten. Opgegroeid in de Zuiderparkbuurt trokken ze met gitaren naar het Scheveningse strand om meisjes te imponeren, maakten hun eerste plaatjes en werden moeiteloos beroemd. Het tamelijk keurige Den Haag leek in de jaren zestig de juiste voedingsbodem te bieden voor ambitieuze jongens die zich niet wilden neerleggen bij hun natuurlijke bestemming als automonteur of administratief medewerker.

Traditiegetrouw komen popmuzikanten uit arbeidersmilieus, en de Zuiderparkbuurt in Den Haag vormde een gemeenschap die bestond uit middenstanders, arbeiders en kantoorpersoneel. Een dorp binnen een stad, waar iedereen elkaar kende. Pubers met tweedehands gitaren en zelfgemaakte versterkers ontmoetten elkaar vanzelfsprekend en bandleden werden gerecruteerd uit familie- en buurtkring.
In drie jaar tijd ontstond er een voorhoede van nauwelijks gevormde muzikanten die het popcircuit in Nederland beheersten. Voor het eerst verdienden ze wat geld en de meesten van hen trokken zich terug op hippe etages in de binnenstad. Natuurlijk struinden mijn vriendinnen en ik de kroegen af. Waar gingen ze uit? In welke cafes kwamen de bandleden van Livin’ Blues, Q65 en the Golden Earrings (toen nog meervoud)? Wij waren vijftien jaar en wisten zeker dat alles wat wij wilden meemaken, plaatsvond op de plekken die zij frequenteerden. Wij bezochten dagelijks etablissementen als de Marathon, Factory en het Bittere End, waar geblowd werd, speed en coke verhandeld werd en de grens tussen junks, popmuzikanten en criminelen niet altijd haarscherp te trekken viel.
OPVALLEND WAS DE neiging van popmuzikanten om zich te omringen met mensen die om de haverklap in de bak zaten voor uiteenlopende delicten en zich gaandeweg bewapenden met de ernst van een beroepsleger. De Haagse popwereld werd in sociaal opzicht gedomineerd door de penose. In tegenstelling tot de Amsterdamse scene, die intellectueler en geengageerder aandeed, werd de Haagse beat absoluut niet geassocieerd met linkse ideeen als pacifisme en gelijkheidsidealen. Geknokt werd er regelmatig - ooit zag ik een bekende popzanger met een geroutineerd gebaar een jongen met een mes van zich afduwen, omdat hij gestoord werd in een gesprek - en vrijwel alle cafes voerden een racistisch beleid. Surinamers en Turken werden alleen bij hoge uitzondering toegelaten.
Toen in 1973 het Paard van Troje werd geopend, wilde men een politiek correct beleid voeren in het jongerencentrum. Maar het kersverse bestuur was te stoned om de consequenties te overzien. In de eerste week barstte een enorme vechtpartij los in het theehuis van het Paard, toen een groep Surinamers clashte met de Haagse onderwereld en zij elkaar te lijf gingen met de kapotgeslagen flessen met druipkaarsen.
Den Haag is enigszins te vergelijken met Liverpool: een grote stad met arme wijken waarin opgroeiende jongeren slechts drie ontsnappingsmogelijkheden kennen: sport, criminaliteit en muziek. Snelle routes naar de wereld van geld, macht en ultieme vrijheid. Amsterdam was veel te sophisticated om rebelse straatjochies voort te brengen. Den Haag was en is nog steeds een onverschillige stad, waar niemand zich veel van een ander aantrekt. Je wordt geacht het allemaal zelf uit te zoeken of te veroveren. Als straatjochie, popmuzikant, allochtoon, miljonair of kunstenaar. Een uiterst tolerant klimaat, zolang je er een ander maar niet mee lastig valt.
IN DEN HAAG SPEELT het bestaan zich in principe tussen vier muren af, want een straatcultuur is er nauwelijks. Slechts op een paar plekken in de binnenstad heb je sinds enkele jaren terrassen, en alleen overdag bestaat er zoiets als een straatleven. Tegen vijf uur verlaat het winkelende publiek de binnenstad en wringt zich met volgeladen tassen in de trams. De terrassen stromen leeg, na winkelsluitingstijd houdt de drukte op. De straten zijn uitgestorven.
Je krijgt mensen in Den Haag pas de straat op zodra er iets te koop is. Antiekmarkten, braderieen, de Paser Malam of een computerbeurs in de Grote Kerk: het loopt altijd als een trein. In Den Haag doe je altijd iets: je komt ergens vandaan of gaat ergens naartoe, vertelt iemand anders wat je gaat doen of wat je gisteren gedaan hebt, maar je zonder reden zomaar op straat begeven, dat is een beetje raar. Je zit wel een half uur in de tram om een theezeefje te kopen, maar je gaat nooit zomaar. Terrassen of cafes zijn slechts een rustpunt tussen winkelbezoeken. Op een zonnig terras urenlang blijven zitten doen alleen import-Hagenaars, trendy jongeren en bohemiens.
In de Posthoorn, een van de oudste en bekendste cafes in Den Haag, glimlacht de ober altijd meewarig zodra een vriend van mij binnenstapt. Hij woont om de hoek en gaat nogal eens met vrienden witte wijn drinken op het terras. Omdat de bediening hier nogal wat te wensen overlaat - de obers komen alleen vrijwillig op klanten af die ze instinctmatig apprecieren - begint hij meteen met een dubbele bestelling. Zo kan hij in een normaal tempo drinken, had hij ooit bedacht, maar inmiddels wordt hij bekeken als een dakloze alcoholicus die misschien de rekening niet zal betalen.
MIJN VRIEND HOUDT zich niet aan de regels. In Den Haag gebeurt alles stiekem. Openlijk je manifesteren als een bepaald type - of het nu een homo, kunstenaar, ambtenaar of alcoholist is - daar houden ze niet van. Niet dat men op zich bezwaar heeft tegen deze kwalificaties, maar het feit dat je ervoor uit zou komen, dat begrijpt men niet. Er is een onverklaarbare Haagse behoefte om alles te willen verhullen en men is er dol op anonimiteit. Een half uur praten met een onbekende die je toevallig op straat ontmoet, is doodgewoon, maar daarna even een cafe ingaan, nee. Daarvoor maak je eerst een afspraak.
Men heeft hier niet zoals in Amsterdam een kennissenkring; zodra mensen elkaar aardig vinden, sluiten ze vriendschap. En anders gaan ze elkaar uit de weg. De consequentie hiervan is dat iedereen altijd met de helft van zijn vriendenkring gebrouilleerd is. Juist omdat er nauwelijks een tussenweg bestaat, worden contacten snel intiem, waardoor eerst zo bloeiende relaties soms snel weer stranden. Niemand vindt dat gek.
Het is waar dat Hagenaars graag kankeren. In de eerste plaats op hun eigen stad. Zoals Amsterdammers trots zijn op hun stad, zijn Hagenaars geneigd af te geven op de saaiheid van het uitgaansleven, de lelijkheid van de sociale woningbouw, ons veel te kostbare stadhuis, het smerige strand, het algemene verval, de stupiditeit van onze burgemeester. Het is niet dat wij de stad te min vinden. Maar wij zijn Hagenaars. Wij staan boven de ordinaire trots die andere stedelingen kenmerkt. Wij kennen onszelf en onze tekortkomingen. Wij zijn wel de enigen die ze mogen aanstippen.
Is Den Haag eigenlijk een leuke stad om in te wonen? Als ik ’s nachts om een uur over de lege Denneweg wandel en nog twee geopende kroegen weet, met hooguit drie mensen aan de bar, bekruipt me een vreemd gevoel. Ik voel me thuis. Het is ergerniswekkend, ik geef het toe, maar de overzichtelijkheid van de uitgaansmogelijkheden maakt het leven een stuk rustiger. Er is niets wat ik zal missen. Ik kan in mijn auto stappen en naar huis rijden. Ook kan ik de Kunstkring binnenlopen. Of gaan dansen bij de Boko om de hoek. Of ik kan bij mijn witte-wijnvriend aanbellen. Maar die slaapt waarschijnlijk al. Ik aarzel. Zal ik naar huis gaan? Morgen kan ik naar de stad gaan. Om een theezeefje te kopen. En daarna ga ik naar een terras. Waar ik heel lang blijf zitten. Samen met een paar vrienden. Met wie ik niet gebrouilleerd ben. En dan gaan we kankeren. Op Den Haag.