Kunst - Ontmoeting met Louwrien Wijers

De Saint uit de Himalaya’s van New York

In de jaren tachtig bestond een opmerkelijke uitwisseling van ideeën tussen Joseph Beuys, Andy Warhol en de dalai lama. Schrijver en kunstenaar Louwrien Wijers vormde de schakel.

Medium louwrien beuysarnhem

Het was september 1990 en op een podium in een grote zaal van het Stedelijk Museum in Amsterdam zaten naast elkaar op een rij, van links naar rechts: de Russische econoom Stanislav Mensjikov, de Amerikaanse kunstenaar Robert Rauschenberg, de Britse quantumnatuurkundige en filosoof David Bohm en uit India de dalai lama, banneling uit Tibet. Aan hem was het jaar daarvoor de Nobelprijs voor de vrede uitgereikt en ook de andere heren kwamen bij die eer in de buurt, met Mensjikov die samen met J.K. Galbraith een boek had geschreven en Bohm die aan Princeton University nauw had samengewerkt met Albert Einstein. Het publiek was ook van niveau, met onder anderen prins Claus en een hofdame van de koningin en de crème de la crème van de internationale diplomatiek, ingevlogen door de sponsoren. Een groep demonstranten van het Tiananmenplein, die op dat moment ondergedoken zaten in Parijs en Amsterdam, was ook in de zaal aanwezig en verder vooral veel kunstenaars.

Vijf dagen lang werd er gesproken over de nieuwe stand van de wereld, vaak abstract en soms concreet maar opvallend openhartig en niet mild over hun eigen vakgebied. In het eerste panel sprak David Bohm over het begrip wholeness en de implicate order van de dingen om ons heen. Onze blik op de wereld was verstoord, zei hij, door de fragmentaire wending die de geschiedenis had genomen, de onderverdeling in landen, families en beroepen. ‘De aarde is één huishouding’, verklaarde hij, en het wetenschappelijk denken in strikt meetbare eenheden was verkeerd. Mensjikov stelde dat we een nieuwe wereldorde nodig hebben waarin het onderscheid tussen het communisme van de Sovjet-Unie en het kapitalisme van de westerse landen niet langer bestaat omdat de wereld één is, samen met de natuur en alle dieren. De dalai lama sprak toen nog over liefde en compassie, over progressie, realiteit en geloof.

Het dreigde even een weke boel te worden, maar toen kwamen de vragen. Van natuurkundige Fritjof Capra die opmerkte dat hij keek naar een uitsluitend mannelijk panel en wat dat doet met het wereldbeeld. Van kunstenaar Lawrence Weiner die de sprekers verweet dat ze nog steeds dachten in de dingen zoals ze waren, in plaats van te anticiperen op een echte breuk.

En dit was pas de eerste ochtend van de internationale conferentie ‘Art Meets Science and Spirituality in a Changing Economy’, die tegelijk ook een kunstwerk was. De registratie van de panels werd door de initiator, Louwrien Wijers, verwerkt tot een videokunstwerk van vijf delen, voor elke dag een deel. Deze zomer vormt het op vijf schermen het hart van een tentoonstelling in BOZAR in Brussel, eerder dit jaar was een deel van het werk in W139 in Amsterdam te zien, en als het aan Wijers ligt draait de video binnenkort overal. Want dit kunstwerk, een voorbeeld van een ‘mentale’ sculptuur, spreekt voor haar nu meer dan ooit tevoren. Het is een pleidooi voor de dialoog, voor het permanente gesprek.

Op een dag in het voorjaar zoek ik haar op in Ferwerd, Friesland, aan de Waddenzee. Wijers woont er in het afgelegen huis dat performancekunstenaar Ben d’Armagnac in de jaren zeventig kocht. Ze woonde zelf altijd in Amsterdam, aan de Herengracht 1, en was sinds de dood van D’Armagnac beheerder van het pand in Friesland. Toen ze een aantal jaar geleden haar woning in Amsterdam moest verlaten trok ze erin, samen met partner Egon. Het huis ligt op een terp, aan een kilometer lange onverharde weg, te midden van 66 hectare grond waar afwisselend aardappels, graan en suikerbieten op worden verbouwd. Wat het dit jaar zal worden heeft ze niet aan de boer gevraagd, ze ziet het wel groeien. Er is in het huis geen elektriciteit en geen stromend water.

We ontmoeten elkaar in het atelier dat ze huurt in het dorp Ferwerd, een voormalige schoonheidssalon met een grote glazen pui met de salonstickers nog op de deur. Die heeft ze laten hangen, zegt Wijers, want je komt er nog steeds mooier uit dan je er binnenkwam. 75 is ze en ze draagt haar witblonde haar in een klassieke wrong, precies als op de foto’s van decennia geleden, is gekleed in een tweedjasje en heeft parels in haar oren. Jerrycans staan klaar om aan het eind van de dag water mee naar het huis te vervoeren, iPhones liggen op te laden.Twee keer per jaar is deze ruimte beschikbaar voor een kunstenaar die zich kan laten inspireren door haar archief, opgeslagen in dozen en laden in een kamer en in de gang. Aan de muren van het atelier hangt die dag een kunstwerk van Marc Bijl. Hij verdiepte zich in David Bohm en plakte met zwart tape een citaat van hem op de muren, een uitspraak over de ‘universele orde’ maar dan vertaald naar het Fries.

Louwrien Wijers werd in 1941 geboren in Aalten, een plaatsje in de Achterhoek nabij de Duitse grens. Ze herinnert zich uit de oorlog de bommen die bestemd waren voor het Ruhrgebied maar die al in Aalten neerkwamen, en het vele verkeer door haar straat, voertuigen beladen met alles wat naar Duitsland ging. De Duitsers in het dorp waren vriendelijk, het was vreselijk om ze aangeschoten over de straat terug naar Duitsland te zien lopen. Nog een kilometer en dan ben je thuis, riep haar vader dan, nadat hij ze had verbonden. Maar haar eerste echte herinnering was het bombardement van hun eigen huis en het moment dat ze wakker werd en zomaar de lucht kon zien. Ze zat onder het glas, alles was stuk, maar dat deel van het huis was blijven staan en het was een fantastische belevenis voor een kind, vindt ze achteraf. Enorm verruimend om te ervaren hoe het is wanneer blijkt dat de dingen niet blijvend zijn.

Medium louwrien warhol
Wijers raakte gefascineerd door Beuys’ visie op ‘Eurazië’ en maakte een reis met de Trans-Siberië Express

Dat was precies ook wat ze jaren later opnieuw ervoer toen ze voor het eerst voor een kunstwerk van Joseph Beuys stond, op de Documenta in Kassel van 1968. Het was een installatie van tafels, spullen, rekken en metalen balken tegen de muur. ‘De rommel die je krijgt als je bommen op je huis krijgt’, dat herkende Wijers bij Beuys. ‘Al die spullen leken wel uit een ruïne te zijn getrokken. Beuys zette de dingen ook niet zelf neer, maar liet ze tegen de muur vallen. Net als bij een huis dat instort staat alles dan in zijn eigen gewicht, in een eigen rust, te leunen. Op die manier liep Beuys trouwens ook: hij liet eerst zijn ene voet vallen en dan ook zijn andere voet. Beuys leefde niet met zijn wil, maar met zijn verbondenheid met de kosmos.’

Een tentoonstelling van Barbara Hepworth in het Kröller-Müller Museum in de jaren vijftig en Niki de Saint Phalle in het Stedelijk Museum in de jaren zestig hadden haar, samen met de schilderijen van Mondriaan, op het spoor van de kunst gezet. In Parijs had ze opgetrokken met de Fluxus-kunstenaars, met Daniel Spoerri en Robert Filiou, en het idee van het leven zélf als vorm van kunst sprak haar aan. In 1968 vertrok ze naar New York met een brief van Wim Beeren op zak die ze bracht naar Leo Castelli, de beroemde galeriehouder met de grote kunstenaars in zijn stal. Afspraken met de kunstenaars volgden. Ze ontmoette onder anderen Donald Judd, Robert Morris en Robert Rauschenberg en schreef over hen in toen nog het Algemeen Handelsblad. Toen een hele club van Amerikaanse kunstenaars in 1971 naar Nederland kwam voor Sonsbeek buiten de perken, samengesteld door Wim Beeren, kende zij ze al.

In 1972 verbleef ze een heel jaar in het Chelsea Hotel in New York, bekostigd door de toenmalige Beeldende Kunstenaars Regeling. Ze maakte zelf ook kunst, deed een performance bij een galerie op Fifth Avenue over het ‘vrouw-zijn’ terwijl het publiek naar binnen kon kijken. Maar over het algemeen was Amerika een teleurstelling. ‘Ik moest nadenken over dat Amerika. Dat werd in Nederland zo opgehemeld, het Stedelijk kocht alleen nog Amerikaanse kunst aan en de Nederlandse kunst werd min of meer naar het Fodor Museum afgevoerd. Alles was Amerika en ik was daar en dacht: waar is hier nu de cultuur? Alles leek wel een probeersel, de kunst was flinterdun.’ Rauschenberg vormde de uitzondering, maar het werk van Morris bijvoorbeeld, dat vond ze ronduit oplichterij. Daar kwam bij dat ze was gegrepen door de kunst van Ben d’Armagnac, die ze in 1969 had leren kennen en voor wie ze een tijd in Zeeland was gaan wonen, bij hem en zijn vrouw. Even maakte ze sculpturen van koper, zink en aluminium, hield ze van de mogelijkheden van metaal, maar ineens had ze daar genoeg van. ‘Je wist helemaal niet waar dat materiaal vandaan komt, dat is misschien wel verkregen met bloed, zweet en tranen van mensen die niet betaald krijgen. Het was totaal onbetrouwbaar.’ Ze moest van een ‘metalen’ sculptuur naar een ‘mentale’ sculptuur gaan, zoals ze dat noemt. Beide vormen wegen even veel, als het lukt om iets in het hoofd van een mens te krijgen dat daar blijft hangen.

Aangemoedigd door D’Armagnac wilde ze diepte-interviews gaan maken. Als eerste zou ze Joseph Beuys interviewen en hem alles vragen wat ze echt wilde weten. Hoe moet je een maatschappij inrichten, hoe moet je vrede maken? En ze sprak met Beuys toen de telefoon ging en het bericht kwam dat Ben plots was gestorven. Verdronken in de Brouwersgracht, op 38-jarige leeftijd. Ze richtten direct een altaar in en Beuys speelde piano voor zijn overleden vriend.

Wijers ging door met Beuys te interviewen, aangestoken door zijn denken over kunst als een ‘sociale sculptuur’ en over hoe hij met kunst de wereld wilde veranderen. Er waren ook kunstenaars die dat afwezen. De conceptuele kunstenaars Sol Lewitt en Jan Dibbets, bijvoorbeeld, vonden het eng dat Wijers zo met die charlatan omging. Maar Wijers raakte gefascineerd door Beuys’ visie op ‘Eurazië’ en maakte een reis met de Trans-Siberië Express om te zien hoe groot dat gebied dan was. Van hun gesprekken maakte ze een boek, Joseph Beuys Talks to Louwrien Wijers (1980), en het was zijn idee om dezelfde vragen die ze hem gesteld had ook aan Andy Warhol voor te leggen.

In 1981 interviewde ze Warhol, die op zijn beurt zei dat ze de vragen moest stellen aan de dalai lama. In 1982 reisde Wijers naar India om dat te bewerkstelligen. Ze bewoog zich langs de lijnen van een intellectuele driehoek die zich over de wereld uitstrekte, een bondgenootschap tussen de kunst, de wetenschap en de spiritualiteit, dat het onderwerp van haar nieuwe kunst zou worden.

Andy Warhol had namelijk net de dalai lama geïnterviewd voor zijn eigen tijdschrift Interview. De dalai lama had net zijn eerste reis naar de Verenigde Staten gemaakt, in 1979, op uitnodiging van de econoom J.K. Galbraith. Andy Warhol had net het werk van Joseph Beuys ontdekt in Duitsland en een portret van hem gemaakt, een zeefdruk waarvan sommige exemplaren zijn besprenkeld met diamantstof. Robert Rauschenberg was op zijn beurt weer dol op de dalai lama en zou een paar jaar later een tentoonstelling in Lhasa organiseren. Het ging de kunstenaars onderling niet om de ‘name and fame’, zegt Wijers, want beroemd waren ze allemaal, maar om de gedeelde ideeën die door hun onderlinge relaties aan kracht konden winnen. Het denken in die dwarsverbanden klinkt door in haar woorden. De dalai lama bijvoorbeeld werd bekend door de interviews in Interview en in Rolling Stone en werd dus door de kunst, ‘door ons’, op het toneel gezet. En Warhol noemt ze ‘een Saint uit de Himalaya’s van New York’.

Het interview dat ze met die superster hield, bij hun eerste ontmoeting, vond plaats in Genève. Het verscheen in FILE Magazine, het tijdschrift van kunstenaarscollectief General Idea, in een themanummer over ‘succes’. Het gesprek springt van kleine naar grote kwesties. Warhol vraagt zich af waarom er nog nooit een kunstenaar over de reling van het Guggenheim Museum is gesprongen, dat kan hij zich bijna niet voorstellen, het museum houdt dat vast stil. Hij vertelt over zijn ontmoeting met paus Johannes Paulus II en hoe hij op het Sint-Pietersplein handtekeningen uitdeelde aan de nonnen. Doordat het gesprek als een letterlijke transcriptie is opgeschreven zijn alle aarzelingen, onafgemaakte zinnen en cirkelredeneringen bewaard gebleven en kun je Warhol nu nog horen spreken, met de kenmerkende zachtheid in zijn stem – alles is ‘wonderful’, ‘great’ en ‘very nice’ – en vriendelijke nonchalance.

‘We hebben een totaal verwilderde tijd achter de rug en dat moet nu allemaal weer terug in het doosje’

Wijers: ‘Kun je misschien een statement geven over “kunst in de jaren tachtig”?’

Warhol: ‘Nou, ik… mijn hele filosofie over kunst is: iedereen die iets goed doet… dus het hoeft niet eens de schilderkunst of beeldhouwkunst te zijn, het kan gewoon alles zijn, je kunt goed koken, of je kunt goed naaien… Dus, ik bedoel, er zal meer van dit zijn, omdat er meer mensen zullen zijn die dingen goed kunnen in de jaren tachtig…’

Dat doet denken aan Beuys, die stelde dat iedereen een kunstenaar was, maar er waren ook raakvlakken buiten de kunst. Warhol die vond dat Beuys president van de Verenigde Staten moest worden en een poster voor zijn kandidaatstelling bij die Grünen ontwierp: ‘Andy Warhol für die Grünen’. Beuys die streed voor directe democratie en voor het stemmen op oplossingen, in plaats van op partijen – een standpunt dat hij deelde met de dalai lama en dat ook altijd Wijers’ overtuiging is gebleven. En toen Beuys zei: ‘Ik wil een permanente samenwerking met de dalai lama maken om Eurazië te realiseren en jij moet dat doen’, bracht zij die twee bij elkaar, in 1982 in een hotel in Bonn.

Het boek dat Wijers over die ontmoeting maakte, Writing as Sculpture, towards a new human individual: report on the meeting of Joseph Beuys with his holiness the Dalai Lama of Tibet in Bonn, Germany, on 27 October 1982 (1983) heeft een enorm formaat en bevindt zich in de bibliotheek van het Stedelijk Museum in Amsterdam. Het bestaat in een oplage van 108 stuks, de getypte en gekopieerde pagina’s samen gevat in een spiraal. Het boek opent met een foto waarop de gezichten van Beuys en de dalai lama op magische wijze in elkaar overlopen, gemaakt door Fluxus-fotografe Ute Klophaus. Op de meeste foto’s draagt Beuys een sjaal over zijn arm. Wijers vertelt dat hij die als geschenk van de dalai lama had gekregen en dat je aan Beuys’ reactie kon aflezen dat hij weinig van protocol begreep. In plaats van het ding snel weg te stoppen, zoals gebruikelijk bij een gift van een heilige, liep hij er de rest van de dag mee rond en lijkt zijn hand de stof steeds te aaien.

Het boek is een reflectie van de dag tot in de kleinste details. De hele dag lag Wijers’ taperecorder op tafel, in de buurt van Beuys, maar ook bij de gesprekken die de gasten die dag met elkaar voerden. Gesprekken die vaak diep op de kunst en de politiek ingaan en soms een onderonsje zijn, ze zijn als transcripties overgeleverd.

Joseph Beuys: ‘Heb je Dieter Roth gezien?’

Robert Filiou: ‘Ja…’

Beuys: ‘Hoe ging het met hem, ging het goed?’

‘Ik wilde iets laten zien wat anders verborgen zou blijven. Dat is toch beeldende kunst, om iets zichtbaar te maken?’

Filiou: ‘Ja, ja…’

Achterin ten slotte zijn de vele kaartjes en dankbrieven van de internationale gasten opgenomen. Ludo De Schutter uit Antwerpen schreef aan Wijers: ‘Wil je proberen Yoko Ono hierover in te lichten?’

Het is een stuk tijd dat zonder camera of papier nooit bewaard zou zijn gebleven. Een sociale sculptuur, als je wilt. En toen overleden plots alle kopstukken van dat toneel, de mensen die Wijers haar kunst hadden gebracht. Eerst Beuys, in 1986. Toen Warhol in 1987 en in hetzelfde jaar ook nog Filiou, die zij ziet als de grote Fluxus-denker achter Beuys.

Wijers dacht toen al na over het symposium van 1990, waar Beuys en Filiou in ieder geval belangrijke gasten zouden zijn geweest, en wie weet ook Warhol. De dalai lama zou in ieder geval komen en Robert Rauschenberg was een goede vervanging voor Beuys. En ook de andere sprekers waren makkelijk te regelen, herinnert ze zich.

Het tweede panel werd gevormd door componist en kunstenaar John Cage, fysisch chemicus en Nobelprijswinnaar Ilya Prigogine en godsdienstwetenschapper Huston Smith. Er waren verder ontmoetingen tussen Fritjof Capra, Marina Abramovic, priester Raimon Panikkar en econoom H.J. Witteveen. Tussen kunstenaar J.C.J. van der Heyden, neurowetenschapper Francisco Varela, Moeder Tessa Bielecki en advocaat J.M. Pinheiro Neto. Tussen Lawrence Weiner, parapsycholoog Rupert Sheldrake, Tibetaans geestelijke Sogyal Rinpoche en bankier Jean-Maxime Lévêque. De conferentie belandde op de voorpagina’s van kranten wereldwijd. The Toronto Star en The New York Times, een krant in Bangkok.

Op de tentoonstelling in Brussel zwelt het geluid van een panel aan als je naar een videoscherm toe loopt en val je midden in een discussie over oorlog en vrede, over creativiteit. Maar ook van een afstand, zonder geluid, blijft het gesprek door de drukke handgebaren overeind. Het geheel geeft de indruk van een bevlogen tijd met een optimistische stemming en een bijzonder actief, kritisch publiek, een openheid zoals ik die nog niet zag. ‘Dat was ook zo’, zegt Wijers, ‘maar direct daarna, begin jaren negentig, klapte alles dicht. De banken gingen rotstreken uithalen, alles ging op de toer van geld verdienen met waardeloze papieren. En een economie kan nu eenmaal niet bestaan zonder de overkoepeling door kunst, wetenschap en spiritualiteit. We hebben een totaal verwilderde tijd achter de rug en dat moet nu allemaal weer terug in het doosje.’

Daarom moeten die 26 jaar oude banden nu weer gezien worden. Ook veel van de sprekers zijn inmiddels overleden, het hele eerste panel viel bijvoorbeeld weg, op de dalai lama na. Maar op de video is het alsof je weer in die zaal zit, het gesprek weer kunt voeren.

De tentoonstelling in Brussel opende een week na de aanslagen in de stad. Midden in de zaal van Wijers staat een lange bank, een plek voor ontmoetingen waar Wijers bijeenkomsten organiseert. Ze komt net terug uit Brussel, van een gesprek met leerlingen van een middelbare school. Ze had hun de vraag voorgelegd of kunst de wereld kan redden, en iedereen dacht van wel. Ze haalt voldoening uit de jonge mensen, zo aangeslagen door de recente gebeurtenissen, die zo vastberaden voor de kunst waren en met zo veel belangstelling naar de mensen op de schermen luisterden. Heeft ze zelf nooit de kunstenaar willen zijn die in zo’n panel plaatsnam, dat zij de grote kunstenaar was met een visie? ‘Nee, ik wilde alleen maar iets laten zien wat anders verborgen zou blijven. En dat is toch beeldende kunst, om iets zichtbaar te maken?’Dat ze die mentale kunst als vrouw beoefende, tussen zo veel mannen, daar heeft ze nooit echt bij stilgestaan. Ze wijt het aan haar afkomst uit de Achterhoek, het land over de IJssel waar nog altijd een Keltische cultuur heerst die stelt dat vrouwen het leven beheren met mannen als hun adviseurs. Haar moeder en grootmoeder waren in ieder geval veel belangrijker dan de vaders. Kinderen heeft ze zelf niet gekregen, omdat ze dacht dat ze dan niet langer voor de kunst zou kunnen leven.

In Friesland heeft Wijers opnieuw internationaal leren denken. Vanaf het moment dat ze hier zijn gaan wonen, komen ze overal. In Berlijn, Parijs, Brussel, China. Je moet hier wel denken aan ver weg, want er is geen dichtbij. De aardappels van de buurman gaan naar Egypte en naar Saoedi-Arabië. De jachtbouwers reizen met hun jachten de hele wereld over om de nieuwe eigenaren te instrueren. En de lokale koekjesfabriek verkoopt aan Rusland en ook aan Zuid-Korea, zo leerde Wijers onlangs. Aram Tanis, een Nederlandse kunstenaar van Zuid-Koreaanse afkomst die een tijd bij haar in het atelier in Ferwerd verbleef, herkende de koekjes uit Zuid-Korea op een buurtfeest.


Art Meets Science and Spirituality in a Changing Economy draait tot 30 september op een scherm in BOZAR, Brussel, en is tevens integraal te bekijken op cultureunplugged.com/storyteller/Louwrien_Wijers. Een tentoonstelling van Robert Filiou loopt van 14 oktober t/m 22 januari in het MuHKA in Antwerpen

Beeld: (1) Louwrien Wijers interviewt Joseph Beuys in Arnhem, 1978 (Privé-Archief Louwrien Wijers); (2) Wijers in Genève met Andy Warhol, 1980 (Privé-Archief Louwrien Wijers)