De zogenaamde linkse kerk en de zogenaamde man op straat

De samenleving bestaat niet

Vroegere protestbewegingen wilden ‘de verbeelding aan de macht!’ Vandaag zijn het rechtspopulistische bewegingen - zoals de PVV, de Lega Nord in Italië, of de Tea Party-beweging in de VS - die de verbeelding gebruiken om de status-quo te bestrijden.

WE KENNEN IN NEDERLAND een verbeelde elite. Voor sommigen is het nog een controversieel statement, voor anderen al weer oude koek. Het beeld van de linkse elite dat het rechtspopulisme er de afgelopen jaren zorgvuldig heeft ingestampt, heeft weinig met de werkelijkheid van doen. De politieke en intellectuele elite in Nederland is overwegend liberaal en conservatief, zozeer zelfs dat ‘het meest linkse kabinet dat Nederland ooit heeft gehad’ - dat van Den Uyl - niet eens een linkse meerderheid kende. De geschiedenis wijst uit dat links een soms luidruchtige maar altijd marginale stroming is geweest in de Nederlandse politiek, afhankelijk van het jawoord van liberalen en christenen. De vraag is waarom dit buitensporige beeld van de linkse elite, al dan niet vergezeld van kinderbakfiets, kerk of grachtengordel, zo'n belangrijke rol is gaan spelen in de populistische politiek. Om deze vraag op een bevredigende wijze te kunnen beantwoorden, zullen wij haar iets moeten oprekken, en ons in bredere zin richten op de essentiële rol die verbeelding speelt in het populisme.

De alledaagse visie op populisme kenmerkt zich door morele veroordeling en politieke onderschatting. Dit heeft tot op heden een meer diepgravende analyse in de weg gestaan. Al staat bijna het hele politieke spel in het teken van de dreiging die uitgaat van het rechtspopulisme, nog lijken weinig mensen datzelfde populisme als politieke kracht serieus te nemen. Dit komt het meest duidelijk naar voren in de (weinig productieve) diskwalificatie van populisme als demagogie, simplisme, onderbuikpolitiek, schreeuwerigheid en wat dies meer zij. Het woord populist wordt in veel gevallen gebruikt als een simpel scheldwoord, wat eerder het gebrek aan intelligentie aantoont van degene die het in de mond neemt dan van degene die ervan beschuldigd wordt. Tenslotte levert het niet veel meer op dan morele zelfbevrediging.

Een andere opmerkelijke gemeenplaats over het populisme is dat het simpelweg 'u vraagt, wij draaien’ betekent, 'zeggen wat het volk denkt’, een soort van directe (onderbuik)democratie. Vooral de politieke elite laat zich op deze manier laatdunkend uit over het populisme. Het opmerkelijke hieraan is dat men blijkbaar de populisten op hun woord gelooft als die stellen dat zij zeggen wat het volk denkt. Waardoor de populisten zich ongestraft kunnen presenteren als de democratische oppositie en de gevestigde partijen als volksvreemd kunnen worden weggezet. Deze alledaagse visie op populisme verblindt ons. Het ontneemt ons het zicht op de kracht van het populisme: het verbeeldende karakter van zijn politiek.

Nu bestaan er vele verschillende interpretaties van het begrip populisme. De heersende academische consensus is dat het om een zeer ongrijpbaar en moeilijk te definiëren fenomeen gaat. Uit de kakofonie van sociaal-wetenschappelijke observaties over het populisme is met enige moeite niettemin een minimale consensus te slepen: populisme is een politiek die spreekt in naam van het volk en zich keert tegen de elite. De meest overtuigende uitwerking van deze dynamiek vinden we bij de politiek filosoof Ernesto Laclau. Hij stelt dat met dat 'volk’ bij het populisme altijd iets bijzonders aan de hand is. Het staat namelijk nooit gelijk aan de gehele politieke gemeenschap, er worden altijd groepen van uitgesloten, om te beginnen natuurlijk de elite.

Juist in het opsplitsen van de politieke gemeenschap in verschillende delen schuilt de essentie van het populisme, stelt Laclau in zijn boek On Populist Reason (2005): 'Een institutioneel discours probeert de grenzen van de discursieve formatie overeen te laten komen met de grenzen van de gemeenschap. (…) Het tegenovergestelde vindt plaats in het geval van populisme: een front splijt de samenleving in twee kampen. Het “volk”, in dit geval, is minder dan de optelsom van de leden van de gemeenschap: het is een deelcomponent die er niettemin naar streeft om gezien te worden als de enige legitieme totaliteit.’

Laten we een actueel voorbeeld erbij nemen. In de Amerikaanse verkiezingen van 2008 waren we getuige van twee verschillende manieren om zich op het volk te beroepen. Een voorbeeld van een institutioneel discours was de campagne van Barack Obama. Hij appelleerde in zijn speeches aan de gehele Amerikaanse bevolking, met de American Dream als verenigend symbool. Op zijn website waren stickers te verkrijgen: 'Latino’s voor Obama’, 'homo’s voor Obama’, 'hondeneigenaren voor Obama’, 'labour voor Obama’, 'boeren voor Obama’, je kunt het zo gek niet bedenken of er was wel een sticker of Facebook-groep van te vinden.

Aan de andere kant van het politieke spectrum beriepen de Republikeinen John McCain en Sarah Palin zich ook op het Amerikaanse volk, maar op een radicaal andere wijze. Zij spraken over The Real America (vergelijkbare concepten zijn Small Town America, the Heartland, the Silent Majority) dat werd afgezet tegen het onechte Amerika, dat van de liberal elite. Hetzelfde discours vinden we terug bij de Tea Party-beweging. Hier zien we de populistische logica, waarbij een deelcomponent - het pure, onbezoedelde rurale of suburbane Amerika - een symbool wordt dat als plaatsvervanger dient voor Amerika als geheel. De logische conclusie van dit type discours is dat delen van de gemeenschap uitgesloten worden van het 'volk’ en daarmee van politieke legitimiteit.

Dezelfde typisch populistische operatie vindt plaats bij het appèl op virtuele categorieën als 'de man op straat’, 'de gewone mensen’, 'Jan met de pet’, of 'de hardwerkende Nederlander’. Het zijn symbolische elementen die als een plaatsvervanger functioneren voor de politieke gemeenschap als zodanig. Zij staan bovendien in oppositie tot andere elementen (bijvoorbeeld de vervreemde linkse elite, de moslimmigranten of de uitkeringstrekkers en profiteurs) die worden uitgesloten van politieke legitimiteit.

Een illustratie van deze frontendynamiek binnen het Nederlandse populisme is de 'Twee Nederlanden’-toespraak van Geert Wilders bij de bespreking van de Algemene Begrotingen van 2009: 'Het rijk van Balkenende is een koninkrijk van twee Nederlanden. (…) Aan de ene kant onze elite, met haar zogenaamde idealen. Van een multiculturele samenleving, de megahoge belastingen, van de waanzinnige klimaathysterie, van de onstuitbare islamisering, van de Brusselse superstaat en de zinloze ontwikkelingshulp (…). Het is de linkse grachtengordel en zijn kleffe vriendjes. Het andere Nederland, mijn Nederland, bestaat uit de mensen die de rekening moeten betalen. Letterlijk en figuurlijk. Die beroofd en bedreigd worden. Die zuchten onder de overlast van de straatterroristen, die zuchten onder de hoge belastingen en verlangen naar een sociaal Nederland. Het zijn de mensen die ons land hebben opgebouwd.’

Een front splijt de samenleving in twee kampen: er is het Nederland van de linkse elite en dat van de 'gewone’ belasting betalende mensen: het volk. Het is het plebs - een relatief uitgesloten en ondergewaardeerd deel van de gemeenschap - dat wordt uitgeroepen tot het enige legitieme populus. Het front dat via deze techniek wordt geproduceerd tussen de verbeelde elite en een verbeeld volk is wat Laclau de 'interne grens’ noemt.

Dit laatste begrip vertoont een interessante gelijkenis met het Nederlandse idee van de kloof tussen burger en politiek. Het is een veelgehoorde opvatting: de gegroeide kloof tussen burger en politiek is de oorzaak van de opkomst van het populisme. Laclau wijst echter op een omgekeerde causale relatie: het populisme is niet zozeer een expressie van deze kloof, maar draait er juist om deze kloof te produceren. Zo laat bijvoorbeeld Geert Wilders geen gelegenheid voorbijgaan om te laten zien dat hij niet van de Haagse kaasstolp, de Haagse praat of de Haagse mores is, en tegelijkertijd wordt er voortdurend gehamerd op de afstand tussen de realiteit waarin politici en bestuurders leven en de 'realiteit op straat’, wat deze ook moge zijn.

Volgen we de redenering van Laclau verder, dan kan de kloof tussen burger en politiek per definitie nooit helemaal opgeheven worden. De samenleving is in zijn ogen niet totaliseerbaar: zij is niet netjes samen te vatten tot universele gemene delers, niet te versimpelen tot een reeks van sociale klassen met bijbehorende behoeftes en eisenpakketten. Dé samenleving bestaat immers niet, zo stelt hij in een onverwachte variant op de beroemde slogan van Thatcher. Het gevolg is dat de samenleving ook nimmer geheel te representeren is. Er zijn dus altijd politieke eisen vanuit de bevolking die buiten de boot vallen, die niet politiek gerepresenteerd worden, met als gevolg politieke onvrede.

ZOLANG DE VERSCHILLENDE politieke onvredes los van elkaar bestaan - zolang ze 'differentieel’ behandeld worden, in de woorden van Laclau - is er niets aan de hand. Met andere woorden, zolang de kloof tussen burger en politiek bestaat uit een heleboel verschillende van elkaar gescheiden 'singuliere’ kloven, kan deze onvrede zich niet kristalliseren. Zolang de onvrede over files zich niet mengt met die van de achterstandswijken, of die over bureaucratisering los staat van de criminaliteit. Politieke onvrede is dan verdeeld over de samenleving maar vindt geen kristallisatiepunt. Maar zodra een reeks van eisen onvervuld blijft en er een onderling verband wordt gecreëerd tussen deze eisen - wat Laclau de 'keten van equivalentie’ noemt - door middel van een politiek discours, dan kan het gebeuren dat één van die eisen zich opwerpt als een symbool voor alle andere onvervulde eisen. Dit is het populistische moment in de theorie van Laclau. Populisme draait dus om het transformeren van singuliere kloven tussen de burger en de politiek tot één collectieve kloof, een kristallisatiepunt van politieke onvrede.

Een voorbeeld is de manier waarop in Nederland het integratiethema met zeer verschillende betekenissen wordt geladen als symbool van een grotere onvrede richting de politieke elite: falende overheidsbureaucratie, een welvaartsstaat die niet langer voor 'gewone mensen’ is maar alleen voor 'allochtonen’ en de 'linkse cultuurbobo’s’, zorgen rond criminaliteit en de 'te softe’ rechtsgang, de problematiek in de achterstandswijken en de stedelijke vernieuwing, en ga zo maar door. In veel gevallen zijn het verhaallijnen die niet per se met integratie te maken hebben, maar die wel met het thema resoneren. De populistische techniek draait om het 'opladen’ van een persoon of een issue met dergelijke symbolische connotaties, het bij elkaar brengen van verschillende verhaallijnen rond een gezicht of een slogan. Daarvoor worden meerduidige symbolen gebruikt, lege betekenaars genoemd. De zogenaamde vaagheid van het populistische discours is dus niet een toonbeeld van zijn onderontwikkeling. Populisme kan in al zijn vaagheid juist een zeer geavanceerde techniek zijn die als doel heeft om een zeer heterogeen electoraat met zeer heterogene verlangens aan elkaar te binden.

Wat we uit lezing van het werk van Laclau kunnen concluderen is dat populisme niet zozeer draait om het gehoor geven aan de volkswil, die is namelijk grotendeels virtueel. Het gaat eerder om het verbeelden van het volk en de volkswil, en de constructie van een 'interne grens’. Ten eerste door negatieve identificatie, het buitenplaatsen van groepen uit de gemeenschap, het zogeheten 'constitutieve buiten’. Het volk vormt zich door de diskwalificatie van bepaalde groepen, door te bepalen wat het niet is. Het zich afzetten tegen de liberal elite, de 'vervreemde grachtengordelelite’ of de Ander - de vijand, in ons geval meestal de moslim(terrorist) of de migrant - verschaft een identiteit aan een anders vormeloos en zeer heterogeen electoraat dat in positieve zin geen duidelijke ideologie of beleidsvoorkeur deelt.

Daarnaast draait de symboolpolitiek van het populisme in positieve zin om de toe-eigening en politisering van culturele symbolen die dit begrensde idee van 'het volk’ zouden kunnen uitdrukken. Denk aan de politisering van de Boston Tea Party om de essentie van Amerika terug te brengen tot een antibelasting- en anti-overheidsentiment, of het pastorale polderlandschap met bijbehorende windmolens in de promotiefilms van Geert Wilders.

De verbeelde linkse elite heeft dus een essentiële rol gespeeld in de opkomst van het Nederlandse populisme. Zonder een duidelijk vijandsbeeld, is er immers geen sprake van een volk, en zonder volk is er geen sprake van populisme. Maar de teneur van deze analyse is niet dat het gebruik van de verbeelding per definitie problematisch is. Eerder dat het succes van het populisme te wijten is aan het gebrek aan verbeelding bij alle andere politieke stromingen, die zich veelal beperken tot de rationele opvatting van politiek als een vorm van publiek management. Het maken van beleid is hier hoofdzaak, niet politiek, die geringschattend wordt afgedaan als getuigenispolitiek, symboolpolitiek, of politiek voor de bühne. Juist links, de stroming die met behulp van de verbeelding nu tot volksvijand is uitgeroepen, beleefde haar hoogtij met een krachtige verbeeldingspolitiek.

Het beroep op de verbeelding was namelijk bij uitstek een kenmerk van de cyclus van protestbewegingen uit de jaren zestig en zeventig - 'de verbeelding aan de macht!’ luidt niet voor niets de beroemde slogan van de protestgeneratie. Het betekende in die tijd bovenal een vorm van bevrijding: de mogelijkheid van een radicaal andere maatschappij, het afschudden van bestaande, starre rolpatronen, het openbreken van oude identiteiten: ras, sekse, klasse et cetera. Men verbeeldde een nieuwe toekomst om zo af te rekenen met het verleden ('ren kameraad, de oude wereld staat achter je’; een bekende '68-leus). Vandaag de dag zijn het rechtspopulistische bewegingen - de PVV, de Lega Nord in Italië, de Tea Party-beweging - die het politieke toneel bestormen en op hun beurt de verbeelding aanwenden voor het bestrijden van de status-quo. Zij doen dat op tegengestelde wijze: in plaats van een nieuwe toekomst verbeeldt men een geïdealiseerd verleden.

Zo dost de Tea Party-beweging zich uit in de historische kledij uit de tijd van de Boston Tea Party; de Lega Nord houdt grootschalige evenementen met ridderkostuums en bijbehorende heraldiek; Geert Wilders neemt in een verkiezingsfilmpje plaats in een roeibootje en dobbert zich een weg door een ongeschonden Nederlands polderlandschap, met de onmisbare windmolen op de achtergrond. In plaats van om de ontmanteling van bestaande rolpatronen en identiteiten draait het rechtspopulisme juist om het op scherp stellen van deze categorieën, door het op een voetstuk plaatsen van de norm, dat voortkomt uit het beroep op de 'gewone mensen’, of uit de stereotiepe vrouwelijkheid van een hockey-mum en de viriele mannelijkheid van een Berlusconi, of de oppositie van autochtoon en allochtoon.

DE IRONIE van de huidige situatie is dat men aan de linkerzijde van het politieke spectrum reageert op de populistische verbeeldingspolitiek met een beroep op rationaliteit en realisme. Het is een illustratie van de analyse die Stephen Duncombe eerder al naar voren schoof in zijn boek Dream: 'De ideologische erfgenamen van de mei-'68-slogan “verwerkelijk je verlangens” vertegenwoordigen nu het tegenovergestelde: “verlang naar de werkelijkheid”. Links en rechts hebben van rol gewisseld: rechts heeft de mantel van het radicalisme overgenomen, en links zwaait de vlag van het conservatisme.’

Het gaat mij er niet om een moreel oordeel te vellen. Evenmin is dit een pleidooi voor een terugkeer naar een politiek die zich beperkt tot rationaliteit, simpelweg omdat wij ons daar meer comfortabel mee zouden voelen. In zijn Tractatus Politicus waarschuwde Spinoza ons er al voor: de mens is verre van een rationeel denkend wezen. Niemand is minder geschikt voor de politiek dan de filosofen en intellectuelen die uitgaan van een menselijke aard 'zoals die nergens te vinden is’: 'Zij die meenen dat men de menigte of hen die in staatszaken elkanders tegenstanders zijn ertoe zou kunnen brengen alleen volgens de voorschriften der Rede te leven, (…) droomen van de gouden eeuw der dichters of aan sprookjes geloof slaan.’

Waar de protestgeneratie van 1968 zich bewust van was, waar ook de huidige populistische bewegingen zich terdege bewust van zijn, is dat politiek meer inhoudt dan publiek management en de rationele afweging van belangen. Sommigen zijn het misschien vergeten maar politiek draait nog altijd om verbeelding, het vermogen collectief te dromen, het vertellen van verhalen; politiek herbergt nog altijd een vorm van mythologie. Willen we het populisme serieus nemen als politieke kracht, dan moeten wij het juist in het licht van deze aspecten bezien. Tegelijkertijd moeten we ons de moeilijke vraag stellen hoe het komt dat onze eigen politiek niet meer tot de verbeelding kan spreken.

Merijn Oudenampsen is onderzoeker verbonden aan de Universiteit van Tilburg. Deze tekst is een ingekorte en bewerkte versie van de inleiding van Open #20: De populistische verbeelding. Naar aanleiding van het verschijnen van Open #20 vindt op vrijdag 18 maart in De Balie in Amsterdam het Populist Front Symposium plaats