Kars Veling over God, geloof, onderwijs en spijkerbroeken

‘De samenleving zal nooit maakbaar zijn’

Sinds hij de ­politiek heeft verlaten ziet hij met bezorgdheid aan hoe Den Haag verandert. Idealisme heeft plaats­gemaakt voor plat eigenbelang en opportunisme. ‘Democratie is prachtig maar twee hoeraatjes voor de democratie vind ik wel genoeg.’

Of je nu islamitisch bent, joods, atheïst, of streng gereformeerd, kijk alsjeblieft verder dan je neus lang is, zegt Kars Veling, oud-politicus en oud-schooldirecteur. Zelf heeft hij dat – als kind van streng gereformeerde ouders – zijn hele leven gedaan. Niet alleen als student, maar ook later op de zwarte school waar hij directeur was. Daar nodigde hij Ayaan Hirsi Ali uit en liet hij de Gesluierde monologen opvoeren. Alles werd in de strijd geworpen om de blik op de wereld te verbreden. Wie het debat aandurft met een tegenstander wiens mening je misschien wel verafschuwt, weet Veling uit ervaring, komt sterker uit de strijd dan iemand die iedere confrontatie uit de weg gaat.

Sinds een jaar is Veling directeur van ­ProDemos, het huis voor Democratie en Rechtsstaat. Deze keer probeert hij op landelijk niveau scholieren voor politiek en rechtsstaat te interesseren. Juist omdat politieke belangstelling onder jongeren niet groot is, voelt Veling dit als een nieuwe missie. ProDemos, gefinancierd door het ministerie van Binnenlandse Zaken, hoopt dit jaar honderdduizend leerlingen te ontvangen. Ze krijgen niet alleen uitgelegd hoe het parlement werkt, maar voeren tijdens hun bezoek aan ProDemos ook debatten in een nagebouwde Tweede Kamer en ze spelen in een rechtbank zaken na en ontmoeten echte rechters. Van pvv tot d66, alle politieke partijen ondersteunen ProDemos. Regelmatig snellen Tweede-Kamerleden ernaartoe om mee te doen aan een debat. Alleen de politicus die de leerlingen het liefst zouden ontmoeten, Geert Wilders, heeft zich nog niet in het Huis van de Democratie laten zien.

Toen Kars Veling in 2004 de politiek verliet – eerst was hij jarenlang Eerste-Kamerlid voor het gpv, later fractievoorzitter van de ChristenUnie – verraste hij vriend en vijand door directeur te worden van een zwarte school in de Haagse Schilderswijk, het Johan de Witt College. Het college werd onder leiding van Veling een icoon, eindelijk een zwarte school waar het wél goed mee ging. Hier stond een oud-politicus die uitstraalde dat het inspirerend was om te werken op een moeilijke school in een probleembuurt. Zijn enthousiasme leidde ertoe dat premier Rutte er maatschappijleer ging geven, iets wat hij overigens nog steeds doet. Hij groeide op in Groningen, in een warm en beschermd gezin met vier kinderen. Zijn vader was scheepsverzekeraar. Van jongs af aan was Kars Veling nieuwsgierig naar de grote buitenwereld, waar mensen anders leefden en dachten dan in de kleine gereformeerde kring waar hij deel van uitmaakte. Hij hield ervan om in discussie te gaan.

Wat vonden uw ouders daarvan?

‘Zij waren streng in hun opvattingen maar wel naar buiten gericht. Ik ben in de Abraham Kuyper-lijn groot geworden: kerk, staat en maatschappij staan naast elkaar. Je werd geacht je in de samenleving te verdiepen en er wat aan bij te dragen. We mochten van onze ouders dus wel om ons heen kijken. Ik ging als eerste van de familie studeren, in Groningen, wiskunde en filosofie.’

Waarom koos u juist filosofie?

‘Toen ik ging studeren in 1965 droeg iedereen nog een blazer en een nette broek, twee jaar later was die voor een spijkerbroek verruild. Dat gold niet voor mij, ik bleef er netjes uitzien. Drugs, seks, alles moest in die tijd kunnen, er was een gevoel dat de wereld radicaal zou veranderen. Ik stond ver van dat alles af, maar juist daarom wilde ik met die studenten praten. Ik wilde mijn gedachten scherpen, lezen, filosofen bestuderen.’

U keerde zich niet van die radicale types af?

‘Helemaal niet, ik zocht ze juist op. Ik richtte met vrienden een religieuze studentenvereniging op, ook al waren wij in de ogen van anderen ouderwets, wij wilden ons niet aan de kant laten zetten. Ik las uit nieuwsgierigheid naar die andere wereld Nietzsche, Vestdijk en Freud; het nihilisme dat Camus in De val beschreef, maakte diepe indruk. Ik besefte dat ik zo nooit zou willen leven. Nietzsche leerde me dat je als minderheid ervoor moet waken om je te wentelen in een slachtofferrol. Dat was een nuttig inzicht en ik heb ’t goed in mijn ogen geknoopt.’

Waren uw ouders politiek actief?

‘Nee, in die tijd hoorde het lidmaatschap van het gpv er gewoon bij. Mijn ouders steunden me wel in mijn drang de wereld te ontdekken. Al hield mijn moeder haar hart wel eens vast voor haar jongetje. “Zou je dat nu wel doen?” vroeg ze toen ik later op het Johan de Witt College ging werken.’

Was er thuis geen sfeer van hel en verdoemenis als u iets deed wat niet mocht?

‘Nee, die herinnering heb ik niet. Mijn ouders gaven ons juist vertrouwen. Daar heb ik veel aan gehad.’

Wat was de rol van God?

Veling zucht alsof hij bang is te worden misverstaan. ‘Ik was en ben er diep van overtuigd dat de wereld geen toevallige samenklontering van materie is, alles heeft een betekenis. Als God bemoeienis met de wereld heeft, en de verhalen uit de bijbel getuigen daarvan, dan moet je je God ook niet voorstellen als een vriendelijk baasje dat alles maar goed vindt. Hij is een moreel kompas. De manier waarop je leeft, doet ertoe. Het geloof bewaart me voor cynisme.’

Is uw eigen kompas niet voldoende? Waarom hebt u God daarvoor nodig?

‘Ik zou het nooit zo formuleren – dat ik God nodig heb. Het geloof bemoedigt me en het stimuleert me, het bevestigt me. Ik ben misschien niet optimistisch, maar dankzij het geloof raak ik nooit moedeloos. De wereld komt ergens vandaan, van een persoon heb ik geleerd. Die wil ons laten zien dat Hij zich om de wereld bekommert. Hij wil ons laten geloven dat de mislukking of het kwaad nooit het laatste woord zal hebben.’

Het geloof behoedt u?

‘Ja, dat bedoel ik niet dramatisch maar zo ongeveer ligt het wel. Ik heb mijn leven lang de confrontatie gezocht met mensen die rationaliteit in strijd vonden met het geloof. Ik was het niet met ze eens. Iedereen heeft emoties, idealen, opvattingen, het is dwaas om dat te willen ontkennen. Ik vind mijzelf een rationeel mens.’ Hij zwaait met zijn arm: ‘Kom maar op, ik ben bereid om me te verantwoorden, te vertellen waarom ik dingen vind. Openstaan, praten en elkaar proberen te begrijpen, dát is rationaliteit.’

Het idealisme van de wereldbestormers in de jaren zestig bekeek hij met verbazing. Dat zoveel leeftijdgenoten dachten dat de heilstaat binnen handbereik was, kon er bij hem niet in.

Had u geen idealen?

‘Jawel, maar die zijn bescheiden. Ik geloof niet dat er zoiets bestaat als een ideale democratische rechtsstaat, er schort altijd wel wat aan. Maar ik wilde wel graag een paar goeie dingen doen.’ Met een glimlach: ‘Dat klinkt onbenullig maar zo was het wel. Ik ben een gedreven mens, ik geef me helemaal, daar krijg ik energie van. Of ik nu een nieuwe partij help oprichten, de ChristenUnie (een fusie van GPV en RPF – mk) of leerlingen bij hun wiskunde begeleid en hun leer dat ze vertrouwen in zichzelf moeten hebben. Allebei is belangrijk. Ik praat liever over richting geven dan over het najagen van idealen.

Ik was en ik ben er diep van overtuigd dat er veel niet deugt in de wereld. Mensen hebben er een zooitje van gemaakt. Ik verwacht niet zo veel van anderen en eigenlijk ook niet van mezelf. Daarom raak ik niet snel teleurgesteld. Ik heb nooit gedacht: nu bouw ik mee aan een betere wereld. Ik heb mezelf altijd voorgehouden: wees bescheiden in je verlangens, overschat jezelf niet. Met die houding ben je minder kwetsbaar.’

Wat is het verschil tussen de jaren zestig en nu?

‘Het idealisme heeft hier en daar plaats­gemaakt voor plat eigenbelang, opportunisme, we schrijven mensen makkelijker af, of we sluiten ze uit. Intolerantie zie je op verschillende fronten, bij de pvv-site waar je over Oost-Europeanen kunt klagen, maar ook in de beweging die de rituele slacht ten koste van alles wilde verbieden, en hetzelfde geldt voor de intellectuelen die beweren dat pvv-stemmers niet zouden deugen. Ik weet hoe het voelt als iedereen jou ouderwets, bekrompen en niet rationeel vindt. In de tijd dat ik studeerde, werd me dat voort­durend duidelijk gemaakt. Op zich is de gedachte “jij hoort er niet bij”, of “ik ben superieur aan jou” menselijk en niet uit te bannen. Maar als het om groepen gaat, moet je dat soort mechanismes doorbreken. In een democratische rechtsstaat hoef je het niet met elkaar eens te zijn. Maar je moet ook niet zeggen dat de ander niet deugt. Dát leren we scholieren bij ProDemos.’

Nadat hij zijn studies wiskunde en filosofie (cum laude) had voltooid (hij promoveerde later ook nog), ging Veling in het onderwijs werken. Eerst werd hij leraar op de gereformeerde Sociale Academie, later werd hij directeur op het gereformeerde Greijdanus College te Zwolle. Toen hij in 2002 lijsttrekker voor de Christen­Unie werd, liet Veling tijdens de verkiezingscampagne weten dat hij er geen probleem mee zou hebben als er op zondag ijsjes werden verkocht. Dat had hij beter niet kunnen zeggen, vonden behoudende partijgenoten. De Christen­Unie verloor een zetel bij die verkiezingen en Veling verliet de politiek. Hij wuift het incident nu een beetje weg. Misschien aten zijn partijgenoten zelf ook wel een ijsje op zondag, alleen moest je dat niet hardop zeggen. In bevlogen bewegingen, of het nu het gelovige nest is waar hij zelf uit komt, of het feminisme of het communisme, zegt Veling, wil men de fronten nu eenmaal gesloten houden. Uit angst dat als je de wereld toelaat de normen snel zullen vervagen.

Dat mechanisme herkende hij toen hij in 2004 op het Johan de Witt College aantrad en de ouders, vaak islamitisch, zichzelf en hun kinderen probeerden te beschermen tegen invloeden van buitenaf. Zelf kwam hij als jonge jongen ook niet in een bioscoop of een theater: ‘Dat paste niet in ons leefpatroon.’ Veling begreep de ouders, maar besloot toch om docenten die vrouwen geen hand wilden geven niet aan te stellen, datzelfde gold voor stagiaires die mannen niet wilden aanraken. ‘Een school moet de wereld open tegemoet treden.’

Het jaarlijkse schoolreisje was iedere keer een strijd. Veling vond het belangrijk dat de leerlingen meer zagen dan hun eigen, kleine wereld, en als de dochters niet mee mochten, liet hij het er niet bij zitten. Zijn collega Ajoub Ajoeb Mohamed ging die gezinnen thuis opzoeken. ‘Hij blufte soms’, herinnert Veling zich. ‘Hij zei dat het schoolreisje verplicht was, dat het moest van de minister. Zo’n argument maakte indruk. Mohamed probeerde de ouders erop te wijzen dat ze met een verbod het belang van hun kinderen schaadden.’ Uiteindelijk kreeg hij ze allemaal mee. ‘Wij regelden dan een aparte verdieping voor de meisjes en eentje voor de jongens, de kamer van de leraren lag vlak bij de trap. Zo hielden we de leerlingen goed in de gaten.

De bezorgdheid van de islamitische ouders in Den Haag was vergelijkbaar met die van de gereformeerde ouders in Zwolle. Ook daar moest ik ouders ervan overtuigen dat het goed was voor hun kinderen om op pad te gaan en andersdenkenden te ontmoeten. In Den Haag hebben we zelfs de voorstelling Gesluierde monologen laten opvoeren en Ayaan Hirsi Ali is op bezoek geweest. School heeft als taak de horizon van leerlingen te verbreden.’

Wat hebt u zelf van die tijd geleerd?

‘Dat de energie van jonge mensen sterker is dan alle maatschappelijke weerstand.’ Maar er waren ook jongeren die snel geld wilden verdienen en het aantrekkelijker vonden om de criminaliteit in te gaan. ‘Zoals een heel vrome jongen die ineens ging stelen en die later vastzat voor een roofoverval. Dat kwam voor mij totaal onverwacht.’ Vaak bleef Veling trekken en sleuren aan jongens die het slechte pad verkozen. ‘Ik gaf en geef niet snel op.’ Met een lachje: ‘Ik ben niet hard maar wel taai.’

Maakt u zich zorgen over de nieuwkomers?

‘Nee, maar ik ben ook niet heel optimistisch. Ik zou pvv-stemmers er niet van willen overtuigen dat ze het bij het verkeerde eind hebben. Of dat ze geen aanleiding hebben om argwanend om zich heen te kijken. Er is toch alle reden om bang te zijn voor extremisten in de Arabische wereld. De oude dictators zijn nu weggejaagd, maar wie gaan daar in de toekomst de dienst uitmaken? Daar maak ik me zorgen over. Ik begrijp dat pvv’ers zich afvragen: wat komt er allemaal over ons heen? We hebben hier ook incidenten meegemaakt die bedreigend waren, zoals de moord op Theo van Gogh. Op zo’n moment zie je dat sommige nieuwkomers niet willen deugen. Je zou ontevreden kiezers alleen wel kunnen voorhouden eens wat zelfbewuster te zijn. Maak van jezelf geen slachtoffer.’

De realist Veling zou het de pvv-kiezers gunnen dat ze wat meer vertrouwen hebben in de Nederlandse rechtsstaat: ‘Deze samenleving is stevig en valt niet zomaar om. We kunnen heel wat aan. Je voelt bij pvv-stemmers naast hun bezorgdheid ook een afkeer van de elite die dit allemaal heeft laten gebeuren. Diezelfde elite die ons nu de aow niet gunt en die onze ziekte­kosten duurder maakt. Als je de pvv’ers als minkukels voorstelt, moet je niet raar opkijken wanneer ze jou voor geen stuiver vertrouwen. Echt, bij de meeste pvv-stemmers zitten geen verkeerde bedoelingen. Ze stemmen op die partij omdat ze hun vertrouwen kwijt zijn en omdat ze gehoord willen worden.’

Reageert Den Haag adequaat op die bezorgdheid?

‘Politici zouden het algemeen belang meer kunnen behartigen, zich minder moeten laten leiden door de waan van de dag, de impulsen en de emoties. De spoeddebatten en Kamer­vragen vliegen je om de oren. Politici en spotlights zitten aan elkaar vast, kennelijk kan niemand zich eraan onttrekken. Er zijn enkele politici die zelfvertrouwen uitstralen, die hun eigen koers varen. Henk Kamp laat zich bijvoorbeeld niet gek maken. Piet Hein Donner is ook zo iemand.’

En Geert Wilders?

‘Wilders opereert zelfstandig, maar het zou beter zijn wanneer hij meer verantwoordelijkheid nam. Ik vind de gedoogconstructie in die zin ongelukkig. Hij kan zijn achterban tevreden stellen en toch een outsider blijven. Pas als je je verantwoordelijk voelt voor het geheel doe je het als politicus echt goed. Je vraagt het vertrouwen van de kiezer niet alleen voor je eigen achterban maar voor iedereen, dat wordt wel eens vergeten. Eigenlijk kun je zeggen dat het een vorm van cliëntelisme wordt als je alleen aan je eigen kiezers denkt. Als je namens een groep in de Tweede Kamer zit en je hebt niets anders te vertellen dan dat die groep zijn zin moet krijgen, schiet je te kort en wordt het land moeilijk bestuurbaar. Want op die manier kun je geen belangen afwegen of compromissen sluiten.

Ik denk veel na over het toenemend gebrek aan vertrouwen in de politiek. Je ziet dat kiezers in het stemhokje vooral hun emotie volgen. Bij ProDemos proberen we jongeren via een rollenspel te leren wat argumenten zijn en hoe je die kunt gebruiken. Dat je een ander niet met emotie maar met feiten moet proberen te overtuigen. Het gezamenlijke besef dat je een sportwedstrijd niet zonder spelregels kunt spelen en dat je het fluitje van scheidsrechter niet kunt negeren, is zo belangrijk.’

Het vanzelfsprekende besef dat Veling van huis uit meekreeg om niet alleen aan jezelf te denken, mag wat hem betreft direct in alle Nederlandse huisgezinnen nieuw leven in worden geblazen. Juist nu de welvaart afneemt en kinderen het sinds lange tijd misschien niet beter dan hun ouders zullen krijgen. ‘Stel dat je met minder toe moet, kan dat tot onvrede en wrok leiden. Als je niet van huis uit of van ProDemos hebt geleerd dat het in een democratie om méér gaat dan je eigen belang, bestaat de kans dat je bitter wordt, of gaat mokken of schelden en dat leidt nergens toe.’

Wat kan de politiek doen?

‘Politici moeten elkaar de ruimte geven en elkaar niet voortdurend op ieder woord afrekenen. Iemand als Job Cohen, toch iemand van statuur, had baat gehad bij zo’n klimaat. In de tijd van de verzuiling gaf een groepering vertrouwen aan iemand die de leiding nam. Die een visie had, een verhaal. Hij of zij werd ook niet voortdurend op woorden afgerekend. Het was een vorm van betrokkenheid die anders was dan het cliëntelisme van nu. Voor een deel is dat heimwee naar iets dat niet meer terugkomt, besef ik. Maar een meer hiërarchische samenleving maakte het nu eenmaal makkelijker om aan het algemeen belang te denken. De kloof tussen burger en politiek is veel te klein geworden. Er zijn verantwoordelijkheden die je als burger niet moet willen nemen. Dat klinkt misschien behoudend maar ik vind enigszins hiërarchische gezagsverhoudingen het sympathieke en aantrekkelijke van conservatieve stromingen.’

Waar u zich nog steeds toe rekent.

‘Ja, de samenleving zal nooit maakbaar zijn. Hou er rekening mee dat mensen niet vanzelfsprekend het goede doen en realiseer je dat jij als burger het vertrouwen aan een ander moet geven omdat er beslissingen moeten worden genomen die buiten jouw horizon vallen. Democratie is prachtig, maar twee hoeraatjes voor de democratie vind ik wel genoeg. Drie hoeraatjes is wat overdreven.’