De legendarische museumdirecteur

De Sandberg-mythe

Willem Sandberg maakte tussen 1945 en 1963 het Stedelijk Museum tot het belangrijkste centrum voor moderne kunst in Europa. Is er een nieuwe Sandberg nodig? Een debat over de actualiteit van een mythe.

«Het is de taak van het museum ruimte te creëren voor de bezoeker. Het gaat er niet per se om een massapubliek binnen te krijgen. Maar een kunstwerk is niet af zonder dat het gezien wordt. Je moet in het museum een mentale ruimte scheppen, een moment van verstilling, zodat je de mensen bijna dwingt tot intellectuele werkzaamheid.»

Aan het woord is Gijs van Tuyl, sinds 1992 directeur van een succesvol nieuw museum voor moderne kunst, het Kunstmuseum in Wolfsburg, Duitsland. Vanaf 1 januari 2005 is Van Tuyl de nieuwe directeur van het Amsterdamse Stedelijk Museum. Dat heeft zijn gezicht vooral te danken aan Willem Sandberg, die er na 1945 een van de belangrijkste musea voor moderne kunst in de wereld van heeft gemaakt.

Gijs van Tuyl zit aan tafel met Rutger Wolf son, directeur van de Vleeshal in Middelburg; Ad Petersen, een van de jongste museumdirecteuren in Nederland en oud-conservator bij het Stedelijk Museum, die Sandberg zeer goed heeft gekend en pas een fraai boek (vormgegeven door Jan van Toorn) publiceerde: Sandberg, vormgever van het Stedelijk; en Caroline Roodenburg-Schadd, auteur van het bijna duizend pagina’s dikke boek Expressie en ordening: Het verzamelbeleid van Willem Sandberg voor het Stedelijk Museum 1945-1962, waarin zij weerlegt dat Sandberg alleen maar een tentoonstellingsmaker en geen verzamelaar zou zijn geweest, maar ook wijst op diverse omissies en inconsistenties in zijn beleid. Op haar boek is de tentoonstelling Sandberg nu in het SMCS gebaseerd.

Rutger Wolfson (34), de jongste deelnemer aan dit debat over de actuele betekenis van Sandberg, zegt meteen dat hij weinig over Sandberg weet: «Ik weet niet veel meer dan dat hij als directeur van het Stedelijk Museum na de Tweede Wereldoorlog de modernisering van dat museum heeft gestart.»

Caroline Roodenburg (46) heeft Sandberg nooit zelf ontmoet: «Maar ik ben wel met zijn Stedelijk Museum opgegroeid. Onze lagere-schoolklas werd daar rondgeleid door een heel inspirerende kunstenaar. Toen ik tijdens mijn studie stage liep in het Stedelijk kwam ik steeds de naam Regnault tegen, de verzamelaar wiens collectie grotendeels in het Stedelijk terecht is gekomen. Op hem ben ik gepromoveerd (Goed modern werk: De collectie Regnault in het Stedelijk — ma) en daarna deed ik het voorstel onderzoek te doen naar het verzamelbeleid van Sandberg. Er is naar Sandberg maar weinig wetenschappelijk onderzoek gedaan. Journalisten hebben veel over hem geschreven, maar die herhalen steeds hetzelfde verhaal. De mythe-Sandberg. Daardoor komt bijvoorbeeld nooit naar voren dat Sandberg wel degelijk een collectie voor het Stedelijk heeft opgebouwd.»

Toen Gijs van Tuyl (63) in 1969 «als jongste bediende» in het Stedelijk kwam werken, was Sandberg daar al zeven jaar weg: «We zagen hem alleen uit de verte.» Hij herinnert zich nog een uitstapje naar Parijs, eind jaren zeventig, toen Sandberg al meer dan 75 jaar oud was: «We reden met z’n drieën in de Volvo van Ad Petersen naar Jean Tinguely (de maker van rare machines en andere bewegende objecten — ma). Sandberg werd door hem met veel liefde en diepe vriendschap ontvangen. Fantastisch als je zo’n relatie met kunstenaars hebt. Toen we na een paar dagen terugreden uit Parijs bleek Sandberg daar van ons drieën verreweg het meest te hebben gezien en hij was ook nog bij de Unesco en Nelly van Doesburg langs geweest. Ongelooflijk, die openheid en nieuwsgierigheid en gedrevenheid van hem.

In de internationale museumwereld is Sandberg nog altijd een begrip, niet alleen bij ouderen, ook bij degenen die hun museumgeschiedenis kennen. Sandberg, dat is zoiets als een merk, een concept. Dat staat ergens voor. Hij was een boegbeeld, en dan heb ik er niet zoveel moeite mee als mythe en realiteit door elkaar gaan lopen. De mythe vormt een onderdeel van het concept.

Toen ik in 1992 directeur werd van het nieuwe Kunstmuseum in Wolfsburg bracht ik in zekere zin het idee van een museum voor moderne kunst terug naar Duitsland. De idee en van Sandberg hadden veel te maken met die van Alfred Barr van het MoMa, het Museum of Modern Art in New York. En die had veel opgestoken van Alexander Dorner, de leider van het Landesmuseum in Hannover, dat dicht bij Wolfsburg ligt. Dorner was zeer bevriend met mensen van het Bauhaus, maar hij emigreerde in de jaren dertig naar Amerika en zijn ideeën werden onder het nazisme in Duitsland uitgebannen en raakten daar in de vergetelheid. Nu zijn de opvattingen van het Bauhaus uit de jaren twintig via Dorner, Barr en Sandberg weer terug in Wolfsburg.»

De ideeën van Sandberg waren dus een inspiratie voor Wolfsburg?

Gijs van Tuyl: «Ik dacht niet zozeer aan Sandberg persoonlijk, hoewel ik nu zijn radio-interviews beluister in de auto van en naar Wolfsburg. Maar ik breng de geest van het Amsterdamse Stedelijk Museum met me mee, die ik heb ingeademd. Een sfeer van openheid en levendigheid, heel anders dan in Duitsland, dat is veel stijver. Het Stedelijk, zoals ik dat een jaar of zes heb meegemaakt, vond ik een ideaal museum. De actualiteit, het direct samenwerken met een kunstenaar. Dat lijkt nu misschien vanzelfsprekend, maar toen was dat heel ongewoon. Kunstenaars, die hield je liever een beetje op afstand. Maar Sandberg zette de deur wijd open en liet de kunstenaars vrij. In Wolfsburg hebben wij nu ook op die manier een tentoonstelling gemaakt met de Mexicaans-Belgische kunstenaar Francis Alÿs. Hij mocht zijn gang gaan en installaties en dat soort dingen bouwen.»

Ad Petersen (73) heeft Sandberg goed gekend, van 1960 tot diens dood in 1984. Petersen heeft kunstgeschiedenis gestudeerd in Groningen en hield zich daar weinig met oude kunst bezig, maar wel met Werkman en de schilders van De Ploeg. Zijn belangstelling voor moderne kunst en levende kunstenaars bracht hem naar het Stedelijk, waar hij na één gesprek met Sandberg meteen kon beginnen: «Toen heb ik hem drie jaar lang dagelijks meegemaakt, Sandberg en zijn adjunct-directeur Hans Jaffé. Het was duidelijk dat Sandberg de baas was, maar hij had enorm veel te danken aan Jaffé, de kunsthistoricus die een wandelende encyclopedie was, dat was soms om moedeloos van te worden.

In die drie jaar heb ik me met allerlei tentoonstellingen bemoeid, zoals Dylaby, om een beroemde te noemen. Jean Tinguely liep al langer rond met het plan van een dynamisch labyrint, te bouwen door kunstenaars als Daniel Spoerri, Niki de Saint-Phalle, Robert Rauschenberg en Tinguely zelf. Sandberg heeft in New York koffie gedronken met Tinguely en toen hebben ze Dylaby bedacht. Het ging allemaal van een paar centen: de kunstenaars kregen alleen de goedkoopste vliegtickets en een heel goedkoop hotel.»

Caroline Roodenburg: «Het is typisch voor Sandberg dat hij die kunstenaars hun gang liet gaan.»

Ad Petersen: «Maar het was tegelijkertijd duidelijk dat hij de boel in de gaten hield. Drie weken voor de opening van Dylaby kwamen we allemaal bij elkaar, ook de chef van de timmerlui en de chef van de elektriciens. Sandberg zei: er is zo en zoveel geld. We maakten een rondje door de zalen en de kelders om het materiaal en de technische mogelijkheden te bekijken. Sandberg zei: ‹Ik ga nu weg en ik kom kort voor de opening terug.› Niemand wist op dat moment welke vorm Dylaby ten slotte zou krijgen.

Sandberg bleef, ook aan het einde van zijn leven, toen hij al lang bij het Stedelijk Museum weg was, nieuwsgierig naar wat er gaande was onder jonge mensen. Dat wilde hij weten, dat wilde hij zien, dat wilde hij meemaken en daar wilde hij een mening over hebben. Hij was al ver in de zeventig toen hij, ik meen met Willem de Ridder, meeging naar een disco, ergens in Brabant.»

Rutger Wolfson: «Ga jij nooit naar disco’s?»

Petersen: «Nee, ik niet.»

Wolfson: «Toch lijkt het me voor een museumdirecteur goed als hij weet wat daar gebeurt. Maar los daarvan: het lijkt me dat een bepaalde visie op wat een museum moet zijn en hoe je met kunstenaars moet werken op Sandberg wordt geprojecteerd. Dat is misschien de mythe die hij uitstraalt. Kunstenaars hun gang laten gaan is maar één manier van werken.»

Roodenburg: «Maar hij bracht veel meer dan alleen avant-gardekunst. In principe vond Sandberg dat het publiek in het museum met allerlei kunstuitingen moest worden geconfronteerd. Dus liet hij ook meer traditionele kunst zien, zoals de schilderijen van de Amsterdamse joffers of er kwam een tentoonstelling als Japanners vouwen papier.»

Gijs van Tuyl: «Ja, ongelooflijk, hij bracht rijp en groen, goed en slecht, simpele kost en honderd jaar dit en dat allemaal bij elkaar. Het Stedelijk waarmee hij begon was nog een soort Wunderkammer, een rariteitenkabinet met de snuisterijen van mevrouw Suasso, de wapenverzameling van de schutterij en een aantal stijlkamers.»

Wolfson: «Maar had Sandberg het ook niet gemakkelijk? Je kon na de Tweede Wereld oorlog kiezen of je een behoudende koers wilde varen of een moderne. Hij heeft gewoon voor die moderne stroming gekozen.»

Roodenburg: «Er waren maar een paar musea in de wereld die dat toen deden, het MoMa in New York en een enkel museum in Europa, en hij werkte graag met ze samen.»

Petersen: «Zo gemakkelijk was het echt niet. Rutger is van de multiplechoicegeneratie. Druk maar op die knop of die knop. Die ideeën leefden hier en daar ook wel bij andere mensen. Maar: il faut le faire. En daar lagen Sandbergs kwaliteiten: hij was een doener, een vormgever, een man van de daad.»

Van Tuyl: «Het was een enorm verbitterde strijd. Er waren heel wat lobby’s tegen die moderne richting, ook in de politiek. Er werd ontzettend op Sandberg ingehakt in die tijd.»

Petersen: «Daar kwam nog de Koude Oorlog bij en het verwijt dat hij communist was. De abstracte kunstenaars waren volgens hun tegenstanders allemaal communisten. Sandberg heeft wel eens tegen mij gezegd dat hij nooit directeur van het Stedelijk was geworden als hij tijdens de oorlog niet in het verzet had gezeten. En hij was een duizendpoot. Hij zat in dertig besturen en commissies om na de oorlog een beetje schwung in het kunstleven te krijgen.»

Wolfson: «Maar ik neem toch aan dat er toen een hele beweging van moderne kunstenaars was.»

Roodenburg: «Nee, het dreigde juist helemaal mis te gaan na de oorlog. Terug naar af. Naar de jaren dertig. Regnault ging wel door met moderne kunst verzamelen. Die zag in Sandberg onmiddellijk een medestander.»

«Wat Sandberg na de oorlog deed moet je niet onderschatten», zegt Gijs van Tuyl. «Het was in wezen de tweede doorbraak van de moderne kunst in Nederland na wat gesputter rond 1910. Het is Sandberg die heeft bewerkstelligd dat we nu overal in Nederland centra voor moderne kunst hebben. Sandberg had een feilloze intuïtie. En hij was ook ijdel. Maar ik zie dat als een verdienste.»

Rutger Wolfson: «In de museumshop kun je wel vier verschillende ansichtkaarten met een foto van Sandberg kopen. Dat blijft raar. Hij wordt een beetje gemythologiseerd, terwijl het voor het Stedelijk veel beter zou zijn als hij wordt gedeconstrueerd en de mythe wordt genuanceerd.»

Caroline Roodenburg: «Dat heb ik volgens mij in mijn boek juist gedaan! Ik heb ook laten zien dat hij er heel goed in was om zijn eigen mythe te scheppen.»

Gijs van Tuyl: «Natuurlijk heeft hij niet al die tentoonstellingen zelf bedacht. Maar dat geeft niets. Hij staat voor een idee. Iemand die zo’n idee communiceert is een front figure, een maatschappelijk icoon.»

Ad Petersen: «Sandberg stimuleerde veel zonder zelf op de voorgrond te treden. Hij heeft waanzinnig veel connecties tussen mensen gelegd. Hij was dag en nacht in de weer. In het kunstenaarsverzet tijdens de Tweede Wereldoorlog merkte Sandberg dat kunstenaars maatschappelijk iets konden betekenen, dat er kunstenaars waren die persoonlijk een voorbeeld konden zijn. Later heeft hij het schilderen van de Cobra-mensen als een reactie op de oorlog gezien.»

Wolfson: «Dat engagement van Sandberg vind ik interessant, het idee dat het museum misschien een taak heeft voor de samenleving, dat kunst iets voor mensen kan betekenen. Dat het museum een ontmoetingsplek moet zijn, dat het een actualiteit moet hebben. Kortom, dat mensen aan kunst iets kunnen hebben, dat ze er beter van kunnen worden. Toch blijken die ideeën nu naïef geweest, de naoorlogse beloften zijn niet helemaal uitgekomen.»

Petersen: «Het was een utopisch idee en een utopie komt nooit uit. Het is een ideaal, een soort kompas, iets waar je je naar richt.»

Van Tuyl: «Voor Sandberg was kunst altijd gerelateerd aan de maatschappij. Niet alleen als een betere, mooie wereld, maar ook als spiegel van de samenleving.»

Wolfson: «Je ziet dat verschillende instellingen met een links maatschappelijk engagement, zoals de VPRO, de Volkskrant, misschien ook De Groene, nu worstelen met de koers die ze moeten gaan. Ze verlangen terug naar hun glorie dagen in de jaren zestig en zeventig. Ook bij sommige musea zie je dat. Die worden dan óf heel theoretisch óf ze grijpen terug op hun eigen geschiedenis. Het is niet verkeerd als het Stedelijk Museum in een tentoonstelling aandacht besteedt aan Sandberg, maar ik zie niet dat ze ook een idee hebben hoe ze nu verder moeten gaan. Je proeft nergens zoiets als: dít hebben we van Sandberg geleerd, dát zijn zijn tekortkomingen en nu gaan we zó verder.»

Kan kunst iets betekenen voor de maatschappij?

Van Tuyl: «Ja, absoluut. Allereerst probeer je met kunst te communiceren. Kunst is sowieso maatschappelijk. Het is pas iets als het wordt gezien. Je hebt nu niet meer die utopische naïviteit van vroeger. Als je al een utopie hebt is die heel pragmatisch, iets op de vierkante centimeter. Zoals Hans Ulrich Obrist op de Biënnale van Venetië: hoe kun je samen met de bewoners een buurt verbeteren.»

Wolfson: «Als je diep in mijn hart kijkt geloof ik net als Sandberg dat er voor het museum een taak in de samenleving moet zijn, alleen is dat een andere taak dan vroeger. Alle grote of kleine utopische verwachtingen hebben zich niet ingelost. Dat vraagt nu om andere ideeën. We leven in verwarrende tijden met snelle ontwikkelingen op allerlei gebied, misschien heeft de kunst en vooral het museum tot taak daar betekenis aan te geven. Het museum zou een plek moeten zijn waar ge noeg tijd en aandacht bestaan om op die nieuwe dingen te reflecteren. In de Vleeshal hebben we een project gedaan over de esthetiek van de veiligheid na 11 september en de moord op Pim Fortuyn. We vonden het interessant om ons vanuit ons domein, het esthetische domein, met dat onderwerp bezig te houden. Met de vraag bijvoorbeeld of veiligheid misschien maar een idee is, een gevoel, dat historisch steeds verandert. Daarmee laat je je betrokkenheid bij de samenleving zien. Als het om de rol van het museum in de samenleving gaat is de geschiedenis van het Stedelijk erg interessant. Maar het is jammer dat het Stedelijk geen nieuw idee over de toekomst formuleert.»

Van Tuyl: «Het goede van Sandberg is dat hij altijd heeft vastgehouden aan een artistieke sensibiliteit. In een museum gaat het toch om kunst. Bij veel kunstenaars die in de jaren zeventig en tachtig actief waren, met conceptuele kunst of minimal art, zie je dat ze een beetje zijn doodgelopen, leeggebloed, doordat ze helemaal geïsoleerd raakten. Ze zoeken nu weer naar aanknopingspunten, vanuit de kunst, niet vanuit de sociologie.»

Wolfson: «Maar er is een verschil. De populaire cultuur, de massacultuur is inmiddels ook helemaal doordrongen van esthetiek. Dat maakt je aanpak ingewikkelder, maar niet minder interessant.»

Van Tuyl: «In Duitsland werd enige tijd geleden een groot congres georganiseerd met mensen als Lyotard en Derrida over de Ästhetisierung des Alltags. Alles wordt veresthetiseerd en daardoor moet de kunst op een heel nieuwe manier haar positie bepalen. Daarom denk ik dat het museum vooral ruimte moet creëren voor het publiek om na te denken. Je moet kunst niet als hapklare brokken presenteren, maar een situatie maken waarin je de mensen dwingt zelf actief te worden. Maar het is complex. Kunstenaars als Damien Hirst, met zijn apotheek, zijn zelf al bezig het terrein van het kunstwerk op te blazen, in elk geval allerlei grenzen te verleggen.»

Roodenburg: «Sandberg verlegde ook grenzen. Voor hem was bijvoorbeeld architectuur de belangrijkste kunstvorm, waarin de geest van een tijd helemaal was uitgekristalliseerd. Overigens kwam een afdeling architectuur in het Stedelijk helemaal niet van de grond.»

Ad Petersen: «Omdat er nog zo veel andere dingen moesten gebeuren. Het Stedelijk maakte in die tijd dertig à veertig tentoonstellingen per jaar. Je moet voor jezelf de vrijheid creëren om te improviseren en je ook kunnen laten verrassen. Het moet niet allemaal voor een jaar vaststaan.»

Van Tuyl: «De relaties tussen de verschillende disciplines, dat is een van de interessantste dingen van het Stedelijk Museum. Het moet allemaal gebeuren en dan komt er op een gegeven moment een structuur in die je niet van tevoren hebt kunnen bedenken. Dat komt door het contact met kunstenaars, ontwerpers, architecten, door projecten waar je nu nog geen idee van hebt.»

Hebben we een nieuwe Sandberg nodig in de Nederlandse museumwereld?

Van Tuyl: «Zal ik even de kamer uit gaan?»

Roodenburg: «Zo’n vraag kun je niet stellen. Zoiets kun je niet sturen. Zo iemand is er of hij is er niet.»

Petersen: «Je zou kunnen zeggen dat ze in Wolfsburg bepaalde idealen van Sandberg naar onze tijd hebben getransponeerd. Zoals betrokkenheid op de maatschappij in de directe omgeving, het inschakelen van kunstenaars en het inzetten van moderne middelen van communicatie. Met succes. Op de openingen komen drieduizend bezoekers.»

Van Tuyl: «Als je nu rondkijkt wat er voor mensen zitten in de grote musea over de hele wereld, dan zien je geen Sandbergen, maar een ander type museumdirecteur: aan de ene kant bevlogen door kunst en aan de andere kant een heel goede manager.»

Petersen: «Iemand als Sandberg past helemaal niet meer in deze maatschappij!»

Wolfson: «Dat is niet waar. Maar we hebben allemaal onze blinde vlekken. Je kunt het niet meer in je eentje doen. Als je verstandig bent zul je altijd met mensen samenwerken. Er is behoefte aan iemand die alles van Sandberg heeft en nog vijftien andere dingen erbij. Dat is het probleem.»

Met dank aan Koen Kleijn

De tentoonstelling Sandberg nu: Ode aan een museumdirecteur loopt tot en met 13 februari 2005 in het smcs, de tijdelijke vestiging van het Stedelijk Museum bij het Amsterdamse Centraal Station