De dynastie houdt zich even koest

De Saoedische connectie

Het Saoedische bewind houdt zich sinds 11 september opvallend stil. Osama’s populariteit in Saoedi-Arabië is enorm en de oorlog in Afghanistan kan fataal zijn voor de dynastie van Riad.

Enkele weken geleden brachten de Saoedische staatsmedia een opmerkelijk nieuwtje. Ze publiceerden een oproep van minister van Binnenlandse Zaken Najjaf bin Abdelaziz aan zijn eigen veiligheidspersoneel om «zich niet te verbroederen met de opstandelingen in het zuiden des lands». In een land waar elk afwijkend geluid krachtig wordt onderdrukt door de Algemene Inlichtingendienst of de religieuze politie (het zogenoemde Comité ter Bevordering van de Deugd en Voorkoming van de Zonde) is een dergelijke oproep ongehoord. Tot voor kort ontkende het bewind in Riad het bestaan van elke georganiseerde binnenlandse oppositie. Maar nu was de minister kennelijk zo onzeker van de loyaliteit van sommige commandanten dat hij zich over hun hoofden heen tot zijn manschappen moest richten.

Het is niet de enige scheur in het front van de Saoedische monarchie die na 11 september aan het licht kwam. Omstreeks dezelfde tijd verscheen in Franse, Israëlische en Amerikaanse bladen het bericht dat de bejaarde koning Fahd voor zijn eigen veiligheid in het diepste geheim was overgebracht naar Zwitserland, waar hij zou verblijven in het huis van een oude westerse zakenrelatie totdat de internationale storm, ontketend door de Amerikaanse drijfjacht op zijn voormalige onderdaan Osama bin Laden, zou zijn uitgeraasd. Volgens de berichten wordt Fahds gezondheid 24 uur per dag bewaakt.

Intussen voltrekt zich in Riad een nieuwe en waarschijnlijk beslissende akte in de jarenlange machtsstrijd tussen zijn twee potentiële opvolgers. De ene kandidaat is kroonprins Abdulla, een pan-Arabist en orthodoxe islamiet die zijn sympathie voor Osama niet onder stoelen of banken steekt, ostentatief toenadering zoekt tot Iran, Syrië en Jemen en derhalve slecht ligt bij de Verenigde Staten. Abdulla is de kampioen van de wahabie-sekte, het religieuze establishment van Saoedi-Arabië, waarvan de leiders in 1990 zonder uitzondering hun hand tekening zetten onder de Muskara an-Nasiha, de verklaring waarin Osama bin Laden en zijn strijders afstand namen van de koninklijke familie en de oorlog verklaarden aan de Amerikaanse troepen die de heilige grond «bezet» hielden. Abdulla was geen factor van politiek belang tot 1995, toen hij gebruikmaakte van Fahds slechte gezondheid om de macht tijdelijk aan zich te trekken.

Maar Abdulla is slechts een halfbroer van Fahd en behoort niet tot de Sudeiri, vanouds de koninklijke clan. Zijn concurrent, Fahds gematigde, westers georiënteerde broer en minister van Defensie, prins Sultan, behoort daar wel toe. Hij was degene die Abdulla in 1995 de voet dwars zette, Fahds terugkeer mogelijk maakte en de banden met de VS bleef cultiveren. Sultan heeft echter het politieke tij tegen: het verzet tegen de Amerikaanse aanwezigheid wordt krachtiger en goede contacten in Washington zijn in het koninkrijk geen troef meer. De betrekkingen tussen beide landen zijn zelfs buitengewoon koel, zoals bleek op 20 september toen minister van Buitenlandse Zaken Saoed bin Faisal een beleefdheidsbezoek bracht aan het Witte Huis. Tijdens de foto-op keken beide heren buitengewoon zuinig in de camera, na afloop maakten ze geen woord vuil aan hun ontmoeting. Twee weken later schreef Bin Faisals ambassadeur in Londen, Ghazi al-Qusaibi, een vernietigend artikel over de Amerikaanse politiek, waarin hij George W. Bush «geestelijk onvolwaardig» noemde.

Terwijl alle ogen zich na 11 september richtten op Afghanistan, bleef het in Riad opvallend stil. De regering nam schoorvoetend afstand van het Taliban-regime en verschool zich verder achter de verklaringen van diverse organisaties van Arabische en islamitische staten. Dit stilzwijgen leek ingegeven door schaamte over de Saoedische nationaliteit van twaalf van de negentien kapers, allen afkomstig uit het zuiden van het land waar ook de Sudeiri hun historische wortels hebben. Maar die afkomst is geen toeval en Osama’s populariteit in Saoedi-Arabië is zo groot dat de uitkomst van de militaire strijd in Afghanistan misschien wel bepalend is voor de uitkomst van de dynastieke strijd in Riad. The Guardian vernam onlangs uit islamistische bronnen dat tachtig procent van zijn aanhang uit het koninkrijk komt. Het is niet te veel eer om te zeggen dat hij «de monarchie in een wurggreep houdt,» zoals een dissidente Saoedische journalist in Londen het uitdrukt. «Het is buitengewoon vervelend te moeten toegeven, maar Bin Laden beslist misschien wel over de toekomst van Saoedi-Arabië, het lot van de monarchie, de machtsverhoudingen rond de Golf en de wereldmarkt voor olie.»

Hoe heeft het zo ver kunnen komen? De historische band tussen het Saoedische regime en het aannemersgeslacht Bin Laden is genoegzaam bekend, evenals de rol die Osama voor de CIA in de jaren tachtig in Afghanistan vervulde en de financiële steun die hij via zijn charitatieve organisaties ontving van zijn familie en Saoedische sympathisanten. Maar de «Saoedische connectie» behoort allerminst tot het verleden. Nu de bombardementen op Afghanistan niet het gewenste resultaat hebben, stellen Amerikaanse commentatoren steeds vaker pijnlijke vragen over hun bondgenoot in de Golf. Als Bin Laden een vijand van het Saoedische regime is, waarom pleegt zijn organisatie dan geen aanslagen op Saoedische doelen, maar enkel op Amerikaanse? Waarom heeft Riad, als een van de weinige hoofdsteden, in 1997 het regime van de Taliban erkend? Waarom mogen de VS bij hun aanval op Afghanistan geen gebruik maken van Saoedische vliegvelden? En waarom klagen Amerikaanse ministers en veiligheidsfunctionarissen in de wandelgangen over het gebrek aan medewerking van hun Saoedische collega’s?

Het antwoord luidt dat de Saoedische regering te zwak en te verdeeld is om Bin Laden en zijn binnenlandse aanhangers het hoofd te bieden. Het islamistische verzet, waarover sporadisch berichten naar buiten doordringen, wortelt in de diepe sociale crisis waarin het land verkeert. Het beeld van de zorgeloze, in oliewinsten zwemmende Saoedische welvaartsstaat uit de jaren zeventig en tachtig is achterhaald. Door de corruptie van de al-Saoedi en hun hovelingen, de torenhoge defensie-uitgaven en de onbeheersbare staatsschuld, is het inkomen per hoofd van de bevolking gedaald van vijftienduizend dollar in 1981 tot zevenduizend dollar vandaag de dag. De helft van de Saoedi’s is achttien jaar of jonger, veel jongeren zijn werkloos. Het ontbreekt het verzet echter tot nog toe aan een charismatische leider. Die leider zou Osama kunnen zijn.

Binnen de heersende elite is men zich daarvan bewust, maar toch wordt Bin Laden tot nog toe in zijn vaderland ontzien. De reden daarvoor is dat Osama en zijn al-Qaeda-organisatie een beslissende rol hebben gespeeld in de car rière van Abdulla. Abdulla’s factie steunde op de broer van minister Faisal, Turki bin Faisal, die meer dan twintig jaar de Saoedische inlichtingendiensten leidde. Osama bin Laden is zijn schepping. Turki kweekte hem op tot aanvoerder van de Saoedische Afghanistan-gangers, onderhield voor hem de contacten met de Amerikanen en zag toe op de financiering van zijn netwerk. Lang nadat de VS hem tot staatsvijand hadden verklaard, bleef Turki hem in bescherming nemen. Onder Abdulla’s invloed is al-Qaeda sinds 1995 in een aantal opzichten versmolten met de reguliere Saoedische inlichtingendiensten en met de wahabieten.

Nog in juli 1998 vloog Turki naar Afghanistan, waar hij onder meer bij Bin Laden in Kandahar werd gesignaleerd. Volgens de correspondent van de Far Eastern Economic Review in Centraal-Azië, Ahmed Rashid, verblijdde Turki na afloop van dat bezoek zijn gastheren met een zending van vierhonderd pick-up trucks, naar de nummerborden te oordelen afkomstig uit de Golfstaat Doebai. Voor de primitieve Taliban-strijdkrachten was dat een belangrijke aanwinst. Wat was het doel van een dergelijk gebaar? Volgens Rashid wilden de Saoedi’s koste wat het kost voorkomen dat Bin Laden in Amerikaanse handen viel. In dat geval zou de westerse pers zich op de zaak storten en de bijzondere banden tussen al-Qaeda en het Saoedische regime aan het licht brengen. Bij de Taliban zat hij veilig, mits die erop toezagen dat hij niet werd uitgeleverd.

Het is op z’n minst een opmerkelijk toeval dat Turki een week voor de aanslagen van 11 september op last van koning Fahd werd ontslagen. Het was het eerste ontslag van een prins van den bloede in twintig jaar. Het was een tegenslag voor Abdulla, maar zijn rol is nog lang niet uitgespeeld en het verhindert zijn factie niet Osama als vanouds in bescherming te nemen. In een poging de binnenlandse publieke opinie tegemoet te komen, verklaarde de onderminister van Binnenlandse Zaken, prins Ahmet bin Abdelaziz, afgelopen maandag op een persconferentie dat Osama bin Laden «niet verantwoordelijk is voor enige aanslag in het koninkrijk in de afgelopen jaren». De Amerikanen houden hem aansprakelijk voor de aanslag in Khobar in 1996, waarbij negentien Amerikaanse soldaten omkwamen, en voor een serie kleinere aanslagen op Saoedische bodem, de laatste op 6 oktober jongstleden.

Zelfs de gehate Sudeiri-clan kan het zich niet meer veroorloven afstand te nemen van Osama bin Laden. Het lijdt geen twijfel dat het Saoedische koningshuis het liefst zou willen dat hij snel en geruisloos door de Amerikanen werd uitgeschakeld. En als het niet geruisloos kan, dan maar door een welgemikte bom. Maar elke Amerikaanse bom die zijn doel in Afghanistan mist en onschuldige burgers doodt of verwondt, is een gewonnen slag voor Osama en voor zijn beschermheer Abdulla en brengt de gedwongen aftocht van de Amerikaanse soldaten van Saoedisch grondgebied dichterbij.