Portugese ziel in Nederlands dichter

De saudade van Slauerhoff

Voor fadozangeres Cristina Branco vertaalde de in Nederland wonende dichteres Mila Vidal Paletti gedichten van Slauerhoff in het Portugees. Slauerhoffs werk heeft een Portugese ziel.

Toen mij in 1998 werd gevraagd enkele gedichten van Jan Jacob Slauerhoff in het Portugees te vertalen ten behoeve van een cd van de Portugese fadozangeres Cristina Branco, was ik aangenaam verrast. Niet alleen kende ik de verwantschap tussen Slauerhoff en het Portugese levensgevoel, ook had ik jaren geleden een poging ondernomen om Schuim en as te vertalen. Het werk van Slauerhoff heeft mij altijd geboeid. Slauerhoffs eindeloze zoektocht naar het geluk, naar een eldorado, komt in de buurt van het universum van een dichter als Fernando Pessoa, die meende dat de Portugezen niet zozeer de drang hadden om nieuwe werelden te ontdekken, maar veeleer de zeeën overstaken om te weten wat achter de horizon schuilging. Als scheepsarts reisde Slauerhoff een aantal malen naar het Verre Oosten. Hij volgde de sporen van een andere grote Portugese dichter, Luís Vaz de Camões, tot aan Macau, een Portugese enclave bij China. Hij noemde deze zielsverwante dichter uit de zestiende eeuw zowel in zijn proza als in zijn verzen. In een van zijn sonnetten over Camões dichtte Slauerhoff:

Hij sleet zijn jeugd in ’t afgelegen slot

En diende een hof, geesteloos wuft en verwaten.

Hij vlood, wild hunkerend naar een grooter lot,

Alleen naar de pas opgerichte Staten.



Slauerhoff was zo onder de indruk van Camões dat een van de hoofdpersonen van zijn eerste roman, Het verboden rijk, op hem is geïnspireerd. Net zoals Camões in de zestiende eeuw uit Portugal verdreven en verbannen was, beschouwde Slauerhoff zichzelf in het Nederland van de twintigste eeuw als een banneling en een outcast. Ook hij voelde zich verstoten en wilde weg uit Nederland. Hij kon niet leven in een maatschappij die hij middelmatig, burgerlijk en kleingeestig vond. Zijn gevoelens over Nederland zijn opgenomen in het gedicht

‘Nederland’:

In Nederland wil ik niet leven,

men moet steeds zijn lusten reven,

ter wille van de goede buren,

Die gretig door elk gaatje gluren.

’k Ga liever leven in de steppen,

waar men geen last heeft van zijn naasten;

Om het krijschen van mijn lust zal zich geen reiger reppen,

Geen vos zijn tred verhaasten.



Ook het Portugese begrip 'saudade’ duikt vaak op in het werk van Slauerhoff. Het is vanouds het lievelingsthema van de Portugese lyriek, dat Camões al cultiveerde in zijn liefdessonnetten. Saudade is de noemer van elke Portugees die zich een dichter voelt. De dichter Teixeira de Pascoaes (1873-1946) zag het als 'een vrouwelijke verwant van de eeuwigheid’. Men zou het kunnen omschrijven als een mengsel van heimwee, nostalgie en verlangen. Dolf Spoor, die Camões vertaalde, noemde het 'weemoedslijden’.

Slauerhoff deelde dit gevoel. Gedreven door droefheid en waanzin nam hij de weemoed in krachtige beelden op in zijn gedichten, als geen andere Nederlandse dichter in zijn tijd. Er is echter een verschil, alsof men over twee saudades zou kunnen spreken: het gevoel van saudade dat Camões schept in zijn poëzie heeft een positieve kracht: het blijkt een middel om tot rust te komen. Wat hem bevrijdt en troost is nu juist dat heimwee naar het verleden dat hij als het ware wíl voelen. De saudade bij Slauerhoff echter laat ons een bittere smaak proeven: de bitterheid van iemand die achtervolgd wordt door zijn herinneringen, maar geen stem kan vinden die hem bevrijdt.

De verwantschap tussen saudade en fado, het Portugese levenslied, is onmiskenbaar. In de fado bezingen de Portugezen hun lot, dat ze nooit in de hand hebben. Door te zingen trachten ze te raken wat er in hun ziel leeft, maar wat onbereikbaar schijnt te zijn. De fado (ook wel 'de Portugese blues’ genoemd) zou zijn ontstaan onder zeelieden uit de tijd van de ontdekkingsreizen in de vijftiende en zestiende eeuw, uit weemoed en verlangen naar het moederland. De fado werd vervolgens herboren in de negentiende eeuw in de achterbuurten van Lissabon. Het was de muziek van de armen en van onderwereldfiguren. Zeelieden uit de hele wereld trachtten in de donkere kroegjes hun eenzaamheid te vergeten met drank, vrouwen en gepassioneerde muziek. En daar heeft Slauerhoff zich overgegeven aan de bohème en aan de mensen die net als hij uitzichtloos – 'doelloos’ – door de smalle stegen dwaalden, tussen echo’s van fado en muren van stilte. Lissabon, met zijn schaduwrijk labyrint van moorse straatjes, was voor hem een thuishaven, waar hij zich veilig wist: 'Daar kom ik vele als mijzelve tegen/ Die leven zonder liefde, lust, hoop’, staat in zijn gedicht 'Fado’.



Portugal is voor de Nederlanders nog steeds wat het voor Slauerhoff was: een land van saudade, destino, fado. In dat land is inmiddels veel veranderd. Zelfs de fado is zich aan het vernieuwen: de laatste jaren is ze veel te beluisteren, gezongen door jonge fadistas die een nieuw gezicht aan het oude levenslied hebben gegeven. Er zijn de fadodichters die alleen voor de fado schrijven en er wordt poëzie van vooraanstaande dichters als Camões, José Régio en Pedro Homem de Melo tot fado bewerkt. Amália Rodrigues, 'a grande Amália’, was de eerste die dat deed. Echter, de manier waarop de Portugezen het leven en de wereld trotseren, bleef ongewijzigd. Wie weet zou Slauerhoff, als hij nog leefde, opnieuw dezelfde gedichten schrijven en zou hij dezelfde visie over Portugal handhaven. En mogelijk zou hij zichzelf nu terugvinden in de prachtige stem van Cristina Branco en in de vernieuwende fadocomposities van Custódio Castelo.





De cd Cristina Branco canta Slauerhoff werd uitgegeven door de Círculo da Cultura Portuguesa na Holanda