Het Migrantenmuseum

De saz

De rechter had de jonge gastarbeider gevraagd waarom hij de andere migrant een gekneusde rib, twee blauwe ogen en een bloedlip had bezorgd. De jonge migrant had de regels van de migrantenwereld, die stand hield dankzij de onderlinge solidariteit, geschonden door op een andere migrant in te meppen. Hij antwoordde niet. Hij hoorde het vonnis van de rechter aan, knikte instemmend, deed niet moeilijk over de 150 gulden die hij als boete moest betalen aan het slachtoffer en vroeg toen de rechter was uitgepraat: ‘Als ik nou in plaats van 150 gulden driehonderd gulden betaal, mag ik dan zijn gezicht nog een keer bewerken, meneer de rechter?’
Vraag niet hoe, maar een maand voor deze rechtszitting brandde het hart van de migrant heviger dan de ovens van de staalfabriek Demka in Utrecht, waar hij op elke doordeweekse dag en soms ook op de zaterdagen werkte en elke dag opnieuw leerde hoe heet het zou zijn in de hel. Zijn hart ging tekeer omdat de dag was aangebroken dat hij zijn bestelling zou krijgen. De jongeman kon wel huilen van blijdschap als hij eraan dacht dat zijn kamergenoot het muziekinstrument reeds tegen de muur had gezet. Eenmaal in het pension zou hij zijn saz pakken, allereerst aan het hout van het instrument ruiken, de snaren strelen, het plectrum kussen, het ding liefdevol stemmen, de eerste noten spelen, het ding laten huilen en misschien ook wel zingen.
De mooiste zon is de zon die nog gaat schijnen, de mooiste dag is de dag die we nog niet hebben meegemaakt, de mooiste liefde is de liefde die we nog moeten beleven, het mooiste kind is het kind dat nog niet geboren is en de mooiste muziek is de muziek die de jonge gastarbeider die avond zou gaan maken.
Hij was blijer dan een kind toen hij door de donkere straten van Utrecht naar het pension liep. Wetend dat alleen de noten hem konden redden, dat zonder de noten zijn ellende alleen maar erger zou worden, dat zonder de huilende klanken zijn ziel nog meer zou verschrompelen en dat de wereld weldra tot een donkere kamer zou verworden waar het lichaam van de jonge migrant zou uitdoven, deed hij de sleutel in het slot, trok de deur open, liep de trappen op, trad de kamer met een brede grijns binnen, zag de man die zijn bestelling bij zich zou moeten hebben, keek rond in de kamer en zag geen spoor van een saz.
Met die hatelijke, nasale stem zei de pensiongenoot zonder enige gêne: ‘Lieve kamergenoot toch van me. Met het geld voor de saz heb ik mijn terugreis betaald. Die verdomde familie van me heeft me kaalgeplukt. Geloof me, ik had geen cent meer over om de terugreis te betalen. Ik geef je je geld zo snel mogelijk terug, goeie vriend toch van me…’
In het Migrantenmuseum is een leeg hoekje waar die nooit gekochte saz hoorde te staan. Kijk ernaar en probeer te begrijpen wat de jonge gastarbeider heeft gevoeld toen hij ook naar een lege muur staarde waar een saz tegen hoorde te rusten. Probeer te begrijpen hoe een vreedzame man in een bruut kan veranderen als de muren kaal zijn.
De lange reis van de pensiongenoot vanuit de binnenlanden van het moederland naar het hart van Nederland werd afgesloten met de vuisten van de jonge migrant die zo hard als staal waren. De politie werd erbij gehaald, een proces-verbaal werd opgemaakt, de jonge migrant werd veroordeeld en betaalde met plezier die 150 gulden aan boete.
Noch de moeder die haar kind verliest, noch de migrant die verstoken blijft van muziek trapt in de val van de zelfmoord. De moeder neemt genoegen met de momenten die ze met haar kind heeft mogen beleven. De migrant redt zich uit de verzengende eenzaamheid door zijn stem muzikaal te laten begeleiden door bomen die ruisen, het water dat vloeit, de vogels die de tweede stem worden, het staal dat vibreert wanneer het op de vloer valt en het eigen brandende hart dat voor het ritme zorgt.
Zelfmoord is voor de vrek die zijn vermogen kwijtraakt.