Essay: Weg met de lappen die vrouwen degraderen

De schaamte ontsluierd

Moslimmeisjes eisen het recht om met een gezichtssluier op school te verschijnen. Het wordt tijd dat de overheid helderheid verschaft. Alle lappen die de vrouw reduceren tot een tweederangs wezen passen niet in onze democratische rechtsstaat.

Zeven jaar geleden zat ik in een vliegtuig naar Canada naast een Amerikaanse vrouw in niqaab (gezichtssluier) met op haar schoot een jongetje. Zo’n lange reis leidt doorgaans tot een zeker contact met je omgeving. In een poging tot toenadering vroeg ik — zelf met een dochtertje op de knie en niet gekleed in verdorven westerse kleding — hoe oud haar zoontje was. Haar stem klonk gedempt. Door haar bedekking moest ik het doen met communicatie via de ogen. Aan het onschuldige gesprekje kwam snel een einde. Zodra haar man van de wc terugkeerde, nam hij het kind resoluut van haar af en dirigeerde haar in het Arabisch naar een stoel verderop. Ze sloeg haar ogen neer en heeft vele uren naar haar handen in haar schoot gestaard. Intussen zat ik naast haar man, die me hautain de rug toekeerde. Dit voorval maakte indruk op me. Het was de eerste keer dat ik zo direct te maken kreeg met de letterlijke scheiding tussen doek en buitenwereld.

Mijn weerstand tegen de islamitische kleding voor vrouwen is sindsdien niet afgenomen. Ik weet dat er een onderscheid moet worden gemaakt tussen hoofddoek en gezichtssluier. De laatste vorm beschouw ik als verwerpelijk. Niemand kan beweren dat een lap voor het gezicht een vooruitgang is: het beperkt letterlijk de bewegingsvrijheid. Ik ervaar het bovendien, pathetisch gesteld, als aanstootgevend voor ons Nederlandse vrouwen, die er in de ogen van de gesluierde draagsters maar «naakt en beschikbaar» bijlopen.

Veel mensen denken daar heel anders over, getuige de heftige emoties die bij dit onderwerp loskomen. Hoe verloopt het debat over dit dilemma tot nu toe? Ik zal me hier niet wagen aan de complexe vraag of kledingvoorschriften voortkomen uit culturele traditie of uit de interpretatie van de koran. Moslims komen daar zelf niet eens uit.

De hoofddoek is toegestaan in publieke gelegenheden als (openbare) scholen, ziekenhuizen en verenigingsgebouwen. Werkgevers mogen meisjes met een hoofddoek weigeren als het beroep nadrukkelijk neutraliteit met zich meebrengt (zoals in een rechtbank). Een instelling met een identiteit die botst met de waarden waarvoor de hoofddoek staat, zoals het maandblad Opzij, kan ook nee zeggen.

Toch komen er telkens weer incidenten voor. Opvallend is dat dezelfde argumenten verschillend worden geïnterpreteerd in dienst van een wenselijke uitkomst. Willekeur is troef.

Het schoolbestuur van de protestants-christelijke basisschool Timotheus te Amsterdam weigerde begin dit jaar een twaalfjarige leerlinge de toegang tot de klas omdat ze haar hoofddoekje niet wilde afdoen. In het reglement was het dragen van petjes, mutsen en hoofddoekjes tijdens de lessen verboden. Minister Van der Hoeven van Onderwijs gaf de school gelijk. De Commissie Gelijke Behandeling (CGB) in Utrecht — die bijvoorbeeld omstreden kledingeisen kan toetsen aan de Wet Gelijke Behandeling — gaf het meisje (de ouders) daarentegen gelijk. Volgens de commissie was «de bewindsvrouw helaas niet goed op de hoogte, want we hebben vrijheid van godsdienst in Nederland. Mutsen en petten zijn geen uiting van een geloof, een hoofddoek wel. Bovendien moet er een legitieme reden zijn voor een school om zo’n verbod op te leggen, zoals veiligheidsredenen.» Voor het argument van onveiligheid was overigens al eerder een oplossing gevonden. Een Nederlandse modeontwerpster ontwierp vorig jaar speciale gymhoofddoeken waarmee moslima’s veilig over de bok kunnen springen.

Ook op de Haagse Vliegerschool brak opeens gedonder uit, terwijl in het schoolreglement duidelijke kledingvoorschriften stonden. De directrice zette alles op alles om een meisje met hoofddoek tegen te houden. Ze deed onderzoek en zag hoe dit meisje onder druk stond van haar vader en broers. Andere meisjes vertelden haar dat zij waren uitgescholden voor hoer omdat ze geen hoofddoekje droegen. De directrice ging uiteindelijk door de knieën omdat ze de strijd moe was.

Eenzelfde inconsistentie is te zien bij bedrijven. Supermarktketen Dirk van den Broek koos anderhalf jaar geleden voor nieuwe bedrijfskleding, inclusief een speciale Dirk van den Broek-sjaal voor moslimmedewerksters omdat zij dreigden niet meer achter de kassa te gaan zitten. Bij Albert Heijn bepaalt iedere filiaalhouder zelf of een hoofddoek is toegestaan, afhankelijk van de buurt waar de winkel is gevestigd. McDonald’s, een kosmopolitisch bedrijf met een multi-etnisch personeelsbestand, is weer principieel: «Boven de hamburger geen hoofddoek.» Maar ook geen rastapetten, tulbanden, keppeltjes en piercing in het gezicht want «anders wordt het een ratjetoe». In ziekenhuizen in allochtone wijken, zoals het Medisch Centrum Haaglanden in de Schilderswijk in Den Haag, staan verpleegkundigen met hoofddoek daarentegen weer zonder problemen aan het bed van de patiënt.

Intussen heeft de strijd tussen voor- en tegenstanders zich echter verplaatst naar vormen die vele malen verder gaan dan de bedekking van haar en hals: de chador, niqaab en straks wellicht burqa. Onlangs deed zich een kwestie voor die aantoont dat dit hachelijke vraagstuk zich op een glijdende schaal bevindt. Drie studentes aan het Regionaal Opleidingscentrum (ROC) in Amsterdam werd eind vorig jaar de toegang tot de lessen geweigerd omdat ze gekleed gingen in niqaab. Behalve een omvangrijke zwarte doek om de haren en borsten bevat deze outfit nog een speciaal onderdeel: een doekje dat het gezicht op de ogen na geheel bedekt en korte tijd los mag als de draagster wil eten of drinken. Nog een stapje verder gaat de burqa: het lichaam gaat van kruin tot voeten schuil. De draagster ervan beziet de wereld door een klein streepje gaasdoek. Aangenomen moet worden dat dergelijke verpakkingen worden gedragen over gewone kleding (het is ten strengste verboden de fantasie de vrije loop te laten, zoals bijvoorbeeld de vraag of ze op een hete zomerdag niets dragen onder hun zwarte lappen).

Hoewel de voorlopige uitkomst is dat de meisjes in het ROC-gebouw hun drang zich in hun geloofskostuum te steken moeten bedwingen, heeft de diep religieuze advocate Famile Arslan uit Den Haag zich opgeworpen als verdediger van hun rechten. Ze wacht nog op de Commissie Gelijke Behandeling, die momenteel het verbod toetst aan de Wet Gelijke Behandeling. Op 7 maart doet de commissie uitspraak. De kans is groot dat de niqaab wordt toegestaan. Bij een geval in 2000 kreeg een meisje al gelijk: haar opleiding aan een school voor gezondheidszorg (ook ROC) mocht ze doorlopen met een gezichtssluier. De school mocht niet discrimineren ten koste van de godsdienstvrijheid en kon ook niet hard maken dat er praktische bezwaren waren.

Waar ligt de grens tussen wat wel en niet mag worden gedragen? Hoe ver moet het gedogen van (moslim-)religieuze uitingen gaan? Hoe verhoudt de islam zich tot de rechtsstaat, waarin staat en kerk zijn gescheiden? Het wordt tijd dat de overheid als grensbewaker van onze democratische rechtsstaat duidelijkheid schept over dit onderwerp. Al is het maar om te voorkomen dat telkens weer ergens in Nederland een directie van een instelling wordt gedwongen energie te steken in een probleem dat de muren van het gebouw ver overstijgt.

Tot nu toe worden besluiten ad hoc genomen: niet op principiële maar vooral op praktische gronden. Zo was één van de bezwaren tegen de niqaab op het ROC in Amsterdam dat een meisje als kleuterleidster «op een spookje lijkt» en daarmee de kleintjes angst inboezemt. De afwikkeling van de kwesties verloopt volgens een vast patroon: een school komt er na de nodige gesprekken met de ouders zo’n beetje uit. Na bemoeienis van buitenaf wordt de beslissing voorts getoetst bij de CGB. Een enkele keer wordt de gang naar de rechter gemaakt. Het kost veel tijd en het wordt gespeeld over de hoofden van jonge meisjes.

Soms is het nodig scherpe grenzen te stellen aan tolerantie. Er moet in openbare gelegenheden een verbod komen, gebaseerd op juridische en morele (zoals emancipatoire) logica, op alle vormen van lappen die de vrouw reduceren tot een tweederangs individu. Maar dat is lastig. Nuance is geboden. Voorstanders beroepen zich op de grondwettelijke vrijheid van godsdienst. Tegenstanders moeten dus van goeden huize komen.

In de juridische wereld wordt momenteel druk gestudeerd op de wettelijke mogelijkheid van een verbod: gedifferentieerd naar de zwaarte van de dracht en de omstandigheid waarin die wordt gedragen alsmede naar de openbare ruimte, de privésfeer of specifieke instellingen. Filosofen en politici refereren meer aan de fundamentele waarden uit de Verlichting die onder druk komen te staan. Vrouwen — autochtone én islamitische — baseren zich intussen op de verdiensten van het feminisme.

Wat zijn nu argumenten voor moslimvrouwen om zich te houden aan kledingvoorschriften? De hoofddoek, aldus discussie forums op internet, is een manier om te laten zien dat je aanhanger bent van de islam. Droeg de eerste generatie moslimvrouwen een hoofddoek uit gewoonte, hun dochters, hier geboren en getogen, knopen bewust een hoofddoek om terwijl zij zich verder kleden in een hippe, modieuze outfit. Met hun uiterlijk tonen deze meisjes een innerlijk compromis tussen de twee culturen waar zij deel van uitmaken: de Nederlandse seculiere samen leving en het islamitische thuisfront. Zij zijn doorgaans goed gebekt, zelfbewust en assertief: hoezo moet dat van onze mannen? We kiezen zelf, want wij zijn trotse moslima’s! Ze laten weten dat het geen onderdrukkingsapparaat is.

Een ander argument is dat er geen verschil is tussen een gesluierde vrouw op straat en andere kleding die buiten de mainstream valt. In deze retoriek hoor je telkens de voorbeelden van de punker, de kraker (met of zonder bivakmuts), de Staphorster meisjes in lange rokken en jongens met een petje in de klas. Ook wordt gezegd dat meisjes in minirokjes, blotebuiktruitjes en met een navelpiercing net zo goed aanstootgevend kunnen zijn.

Aanhangers van het multiculturalisme vinden dat «iedere vorm van culturele eigenheid» steun verdient. Het getuigt van arrogant westers denken de eigen waarden voorop te stellen of op te willen leggen. Ook in allerlei overheidsinstellingen moeten volgens hen hoofddoekjes (dus ook de gezichtssluier) worden geaccepteerd. Dat is wat respect voor een vreemde cultuur van ons eist. Niet neutraliteit maar pluriformiteit is het parool. Als je het verbiedt, en mensen uitsluit van functies in het openbaar onderwijs en bij de rechterlijke macht, dan werk je integratie van minderheden tegen. Hoofdredactrice Cisca Dresselhuys van Opzij, fel tegen de hoofddoek op haar werkvloer, kreeg zelfs te horen «dat zij op haar manier vrouwen onderdrukt». Voorstanders menen bovendien dat de emancipatie van moslimvrouwen «van binnenuit» moet komen. Het heeft alleen wat tijd nodig.

Van binnenuit wordt er wel degelijk heel kritisch tegenaan gekeken. Een veel gehoord geluid is dat de hoofddoek norm bepalend kan werken. Hoofddoekdraagsters mopperen dan wel dat ze zich telkens moeten verdedigen tegenover hun autochtone omgeving, omgekeerd klagen onbedekte moslimmeisjes dat zij lijden onder de druk van hun eigen omgeving. Ze krijgen de vraag waarom zij niet een hoofddoek omdoen. Ben je eigenlijk wel een goede moslim?

Op de site moslimjongeren.nl wordt een officiële visie gegeven op de hoofddoek en niqaab: «Een ieder kan waarnemen waartoe de gevolgen van de huidige manier van kleden en het losbandige gedrag kunnen leiden: overspel, ontucht, het uiteengaan van families en een moreel en sociaal verval van de samenleving. (…) Een moslima beschouwt zichzelf niet als een voorwerp van reclame. Ze heeft noch de behoefte om zichzelf te etaleren, noch de behoefte om op straat om zich heen te kijken om op te vallen of om gezien te worden zoals dat momenteel gewoon is. (…) Háár lichaam is immers háár privé en het is haar goed recht om dat te bedekken. (…) Door zichzelf te bedekken, betekent het niet dat ze van haar vrijheid beroofd wordt, maar het verschaft haar juist een zekere mate van bewegingsvrijheid. Allah (de Glorie rijke en de Verhevene) heeft de mens perfect geschapen. Hij heeft hem de Heilige Qoran gegeven zodat hij precies weet hoe te leven. Moeten we ons daar dan niet aan houden, en gaan we zelf bepalen hoe we ons gaan kleden?»

Wie zich over het dilemma een mening wil vormen, kan te rade gaan bij De schaamte ontsluierd van de Marokkaanse sociologe Soumaye Naamane. Zij deed uitgebreid onderzoek naar seksualiteit bij Marokkaanse vrouwen en naar de man-vrouw verhouding in de moslimwereld, een onderwerp dat volgens haar stuit op een kolossaal taboe. Haar boek geldt als «een bijbel» voor kritische moslimvrouwen in de Arabische wereld en is nu ook in het Nederlands vertaald.

Naamane legt een patroon bloot dat de vrouw reduceert tot een aan de man dienstbaar wezen. Het begint al als kind, en zodra ze menstrueert, wordt ze klaargestoomd tot een geschikte, maagdelijke huwelijkskandidate. «Achter de sluier van schaamte verbergen zich frustraties, gebrek aan openheid en groot lijden. Dit alles draagt ertoe bij dat jonge meisjes systematisch worden geremd in hun seksuele en individuele ontplooiing», aldus Naamane. Het draait om hachouma, een moeilijk te vertalen begrip, dat neerkomt op schaamte, kuisheid. «Hachouma is een code waaraan mensen zich zonder nadenken aanpassen, alle situaties zijn ervan doordrongen. Vrouwen weten precies waar deze fatsoenscode in de praktijk op neerkomt: het werkt als een dichte sluier, beheerst door gebruiken en gewoonten en sluit elke mogelijkheid uit om zich buiten de sociale patronen om als individu te laten gelden, en het is tegelijk opgebouwd uit stilzwijgen en geheimen.»

Dit onderdrukkende systeem berust volgens haar op twee pijlers: het beeld van de vrouw als een sluw duivels wezen en de waarde die wordt toegekend aan de kuisheid. Het idee dat de vrouw door begeerte te wekken zelfs invloed kan uitoefenen op de machtigste man, is diep verankerd in de geest van de mensen. Hierbij komt volgens haar nog de algemeen aanvaarde notie van de eer, die belichaamd wordt door het onbezoedelde vrouwelijk lichaam. Ze wordt daarom nauwlettend in de gaten gehouden, met als doel de natuurlijke impulsen in te tomen zodat het lichaam ongeschonden blijft tot de dag dat het zal toebehoren aan de wettige eigenaar: de echtgenoot. Gevraagd naar hoe mannen erover denken, tekent Naamane op: «Alle vrouwen die naakt de straat op gaan behoren elke man toe, terwijl de gesluierde vrouwen alleen hun eigen man toebehoren.» Het weerspiegelt de mannelijke kijk op de kleding van de echtgenote. Door middel van een hoofddoek of sluier probeert de man zijn bezit, en dus zijn eer, te beschermen tegen onbescheiden blikken. Hetzelfde geldt voor de vader van ongetrouwde dochters. Het is een teken van onvoorwaardelijke loyaliteit. Zodra de vrouw ouder wordt en zwanger is geweest, wordt de sluier in de ogen van de man nuttelozer. Boven de dertig wordt zij als versleten beschouwd. «Nu ik verwelkt ben weet hij dat geen man meer in mij is geïnteresseerd», zegt een van de geïnterviewde vrouwen in het boek. Een andere vrouw: «Sinds ik werk, moet ik van mijn man een sjaaltje om mijn haren doen.»

Naamane beschrijft niet alleen vrouwen in Marokko. Het is een bekend fenomeen dat migranten «verstenen in de tradities en gewoonten van het moederland», aldus Naamane. «Zij richten zich sterk op de tradities vanuit een behoefte aan eigenheid, of bescherming tegen een onvriendelijke omgeving. Waarbij zij geen weet hebben van de veranderingen in de Marokkaanse samenleving.» Voor Turkse vrouwen geldt dat ook. In Turkije is sinds Atatürk de overheid helder in de scheiding van kerk en staat: geen hoofddoeken en sluiers in officiële functies, in de klas of op het werk.

In juridische en filosofische kring worstelt men ook met deze vraag. In Moderne Papoea’s: Dilemma’s van een multiculturele samenleving schrijft rechtsfilosoof Paul Cliteur dat in Nederland de verschillende culturele invloeden botsen met de brede consensus over klassieke waarden als «individualisme» en «secularisatie». Zelf is hij duidelijk over een verbod op de hoofddoek, en wel in een paar situaties. 1. Als de overheid als monopolist diensten verleent waarbij neutraliteit (onpartijdigheid) en objectiviteit onontbeerlijk zijn: dus geen hoofddoek bij rechterlijke macht en politie. 2. Als de overheid een vorm van dienstverlening verricht die op een bepaald niveau gewaarborgd moet zijn, maar die alternatieven toelaat, zoals in het openbaar onderwijs, waar docenten en directie, anders dan de leerlingen, «de overheid» vertegenwoordigen en dus niet gesluierd mogen gaan.

Mr. A.C. ’t Hart, hoogleraar strafrecht en strafprocesrecht aan de Universiteit van Leiden, laat in zijn boek De meerwaarde van het strafrecht daarentegen zien hoe complex de discussie over de verhouding tussen multiculturalisme en democratische rechtsstaat is. Zuiver geredeneerd hoort de hoofddoek niet thuis in een publieke ruimte waar de draagster deel van uitmaakt, zoals op een openbare school. Dat zou een teken zijn van de suprematie van het eigen geloof: de wetten van God boven die van de staat.

De rechtsstaat kan volgens hem op twee manieren worden ondergraven. «Enerzijds door wat men het München-syndroom zou kunnen noemen: het uit angst, gemakzucht en onnadenkendheid of politiek opportunisme zwichten voor de druk van fanatici die de rechtsstatelijke grondrechten niet delen en daarbij de eigen grondwaarden (de waarden van de individuele mens, van gelijkwaardigheid van en respect voor de ander, van verdraagzaamheid en van openheid en meerduidigheid) prijsgeven.» Daartegenover staat volgens ’t Hart «het star vasthouden aan de wijze waarop de grondwaarden vorm worden gegeven in het bestaande stelsel zonder voortdurend te luisteren en te zoeken naar openingen voor religieuze en culturele verandering». Ook dan «ontstaat een vorm van absolutisme, die de rechtsstatelijkheid van een pluriforme maatschappij van binnenuit uitholt».

In de ogen van ’t Hart is er geen eenduidig antwoord op de vraag waar de grens van religieuze eigenheid ligt. De democratische rechtsstaat dient voorwaarden te scheppen om de individuele mens te beschermen en te kunnen laten ontplooien tot een zelfstandige identiteit. Maar openheid stelt wel grenzen. Anders kan ze worden aangetast en tenietgedaan.

Uitgaande van dit München-syndroom zou ik willen stellen: het is uit den boze op het niveau van de grondbeginselen van de democratische rechtsstaat compromissen aan te gaan. De hoofddoek en de niqaab zijn een voorbeeld van de staatsrechtelijke dynamiek. Dat betekent dat de gezichtssluier, die de ontplooiingsvrijheid van een individu belemmert en getuigt van fundamentele sekseongelijkheid, moet worden verboden bij publieke aangelegenheden. Voor de gewone hoofddoek moet nuance worden betracht. Als het dragen van de hoofddoek een begin van emancipatie van binnen uit de gemeenschap zou betekenen (grotere zelfstandigheid ten opzichte van vader of broer) moet je coulant zijn. Ook al blijft het de vraag in hoeverre er altijd sprake is van vrijwilligheid.

In de debatten verweren moslima’s zich vaak met het argument dat het met de emancipatie van de westerse vrouw ook niet zo best is gesteld. Dat is waar. Maar autochtone vrouwen hebben in ieder geval geen last van tegenwerking als ze buitenshuis willen werken en evenmin van een sekseverhouding die de vrouw als groep ondergeschikt maakt aan de man. Nederlandse vrouwen lijden niet onder georganiseerde partnerkeuze, maagdelijkheidsrituelen of vaders, broers, ooms en neven die hen in de gaten houden als ze uitgaan. Terwijl de moslimman vrij is te gaan en staan waar hij wil, te experimenteren met seks voor het huwelijk (met meisjes die ook wel hoeren worden genoemd), polygaam te zijn, te drinken en te roken en moeder of zusjes en eventuele echtgenote te koeioneren. Alle individuele uitzonderingen ten spijt is dit globaal de situatie in de moslimgemeenschap in ons land. Tolerantie jegens de gezichtssluier bevestigt mannen hoe dan ook in hun dominante positie en laat vrouwen in de steek die er onderuit willen komen. Het is marchanderen met het gelijkheidsprincipe, zoals vastgelegd in onze grondwet.

Tolerantie dient bovendien wederkerig te zijn. Respect voor «eigenheid van een minderheidscultuur» vereist omgekeerd ook respect voor de meerderheid. De verworvenheden van het feminisme zijn te kostbaar om die andere vrouwen niet te gunnen. Op 8 maart is het internationale vrouwendag. Voor mij draait die dag om de vraag: wanneer wordt de schaamte voor moslima’s werkelijk ontsluierd?