Progressieven in de verdediging

De schaamte van links

De neoliberale keuzes van links hullen haar nu in schaamte. Een gevoel dat opzij moet worden gezet: het staat een nieuw en overtuigend rechtvaardigheidsverhaal in de weg.

Ik kon mijn oren bijna niet geloven toen ik eurocommissaris Frans Timmermans eind februari tegen Eva Jinek hoorde zeggen: ‘We moeten de moed hebben om dingen te benoemen die wel goed gegaan zijn.’ De moed hebben om dingen te benoemen die wel goed gaan? Dat het moed vergt om uit te komen voor dingen die niet goed gaan – ja natuurlijk. Maar in welk wonderland zijn we beland als er moed voor nodig is om dingen te benoemen die wel goed gaan?

Timmermans’ uitspraak is kenmerkend voor de situatie waarin ‘links’ terecht is gekomen, een situatie waarvoor de uitdrukking ‘in de verdediging zijn’ nog veel te zwak is. Je zou het ‘linkse zelfhaat’ kunnen noemen – ware het niet dat die frase twee nadelen heeft. Ze suggereert in de eerste plaats dat we hier met een soort existentieel gegeven van doen hebben. Ze is op de tweede plaats – net als ‘joodse zelfhaat’ – een symptoom van datgene wat ze probeert te benoemen. Ik denk dat de uitspraak van Timmermans eerst en vooral van schaamte getuigt – en het voordeel van het begrip schaamte is niet alleen dat schaamte ergens vandaan komt maar ook dat schaamte een object heeft: als je je schaamt, schaam je je ergens voor. Waar komt de schaamte van links vandaan? En waar schaamt links zich zo voor?

Medium hh 63452781
Amsterdam, 26 februari, Lodewijk Asscher vlak voor aanvang van het lijsttrekkersdebat in De Rode Hoed © Maarten Hartman / HH

Voor ik die vragen beantwoord: wat is schaamte? Schaamte is duidelijk niet hetzelfde als schuld. Het verschil tussen schuld en schaamte is dat schuld te maken heeft met wat je gedaan hebt, terwijl schaamte veeleer gaat over wie of wat je bent. Als je schuldig aan iets bent, kun je boete doen, en overgaan tot de orde van de dag. Als je je schaamt, ontbreekt het je aan een fundamenteel vertrouwen in wat je geneigd bent te doen of te zeggen. Schaamte doodt spontaniteit en leidt tot een gegeneraliseerde inhibitie: als je je schaamt kom je fundamenteel niet uit de verf. Schaamte belet je om vrij te handelen, schaamte belet je voor honderd procent te staan voor wat je vindt, schaamte belet je met alle macht terug te vechten als je aangevallen wordt.

In de politiek is schaamte buitengewoon onhandig. Zoals schaamteloosheid buitengewoon goed van pas komt. Wat in de jaren zeventig de zwijgende meerderheid genoemd werd – waarvan het trouwens nog maar de vraag is of het inderdaad een meerderheid was – zijn tegenwoordig degenen met een grote bek. Maar ik wil het hier niet over de voordelen van schaamteloosheid hebben, maar over het jammerlijke gebrek aan effectiviteit dat het gevolg is van schaamte. Zeker tegenwoordig.

Wil een politicus heden ten dage succesvol zijn, dan moet hij over drie kwaliteiten beschikken: hij moet perspectief bieden, hij moet moedig zijn en hij moet authentiek zijn. En je kunt van Donald Trump zeggen wat je wilt, maar hij belichaamt alle drie de kwaliteiten – in zo’n mate zelfs dat hij voor iedereen die maar een beetje schaamte in zijn lijf heeft een sublieme natuurkracht is, een fenomeen waarvan je ook na er een jaar dagelijks mee geconfronteerd te zijn maar niet vermag te geloven dat het werkelijk bestaat. Iets soortgelijks geldt voor Geert Wilders – al is het perspectief dat hij schetst vooral negatief, blijkt zijn moed vooral uit het feit dat hij permanent beveiligd moet worden en zit zijn authenticiteit vooral in zijn haardracht.

Schaamte ondermijnt alle drie de fundamentele kwaliteiten van de politicus. In plaats van perspectief te bieden durft hij niet verder te gaan dan te proberen standpunten te verkopen. In plaats van moedig te zijn, kijkt hij schichtig om zich heen of hij de dingen die hij zegt wel kan maken. En in plaats van authentiek te zijn probeert hij in de smaak te vallen. Zeggen dat ‘we’ de ‘moed moeten hebben’ om iets te doen, zoals Frans Timmermans bij Jinek deed, is erkennen dat die moed er kennelijk niet is.

Het is misschien goed om vast te stellen dat schaamte eerst en vooral een probleem van de sociaal-democratie is, of, meer in het algemeen, van wat ik maar even aanduid als ‘traditioneel progressief’. Daarmee zeg ik niet dat andere partijen – de vvd voorop – niet als konijntjes in het licht van de koplampen der schaamteloosheid staren. Integendeel. Maar hun geïntimideerdheid is naar mijn idee eerder een gevolg van een gebrekkige koersvastheid dan van schaamte. De schaamte waar ik op doel, de schaamte van traditioneel links, doet zich niet alleen in Nederland voor maar ook in Amerika, bij de Democraten, bij wat daar liberals heten, en trouwens ook in de meeste andere West-Europese landen. De enige die er misschien aan weet te ontsnappen is, in Duitsland, Martin Schulz. Bij ons doet Lodewijk Asscher met zijn ‘progressieve patriottisme’ een manhaftige poging perspectief te bieden, moed te belichamen en authentiek te zijn, maar de schaamteballast is zo groot – en zo ingekankerd – dat hij op geen van die terreinen uit de verf komt en in bevangenheid en beschetenheid blijft steken.

Die schaamte laat zich ook in de tijd situeren. Richard Rorty brengt hem in verband met de Vietnamoorlog. Zijn stelling is dat mensen als Christopher Lasch links inpeperden dat het Westen fundamenteel niet deugde en dat Amerika een imperialistische mogendheid was. Als gevolg daarvan begon links, zegt Rorty, zijn heil te zoeken op de verkeerde plaatsen, in, bijvoorbeeld, het China van Mao, en verkwanselde het het rondborstige, grassroots socialisme van dicht bij huis.

Wat Nederland betreft: ten tijde van Joop den Uyl was van schaamte duidelijk nog geen sprake. De wortels van de schaamte liggen – zoals we zullen zien – in het koninkrijk van Wim Kok. En in de parallelle koninkrijken van Tony Blair en Bill Clinton. De schaamte is niet altijd even goed zichtbaar geweest. Hij begon als een onderstroom die een aantal verkiezingen lang verhuld bleef doordat het ‘traditioneel links’ soms electoraal best goed ging. Maar de zeges van Wouter Bos en Diederik Samsom zijn opflakkeringen in een neerwaartse trend. Het zou zelfs kunnen dat ze die trend gevoed en versterkt hebben: dat korte-termijnsucces betaald werd met lange-termijngeloofwaardigheid.

In plaats van moedig te zijn, kijkt hij schichtig om zich heen of hij de dingen die hij zegt wel kan maken

Daarmee ben ik bij een van de oorzaken van de schaamte: de tocht naar het midden. Want door het midden het hof te maken hebben Bos en Samsom hun electorale successen geboekt. Zij slaagden met vlag en wimpel voor wat veruit de belangrijkste lakmoesproef in de vaderlandse politiek is: de bereidheid ‘impopulaire maatregelen te nemen’. Het was de leuze waar Samsom de verkiezingen mee won: ‘Het eerlijke verhaal’.

Eigenlijk is ‘tocht naar het midden’ veel te omzwachteld uitgedrukt. De tocht naar het midden is gebaseerd op de premisse dat er een ‘derde weg’ is, ja dat die derde weg op de keper beschouwd de enige weg is. Die derde weg is op zijn beurt een eufemisme voor een neoliberale politiek. En het was, laten we dat niet vergeten, traditioneel links – de Democraten in de VS, Labour in het Verenigd Koninkrijk, de pvda bij ons – dat in de jaren tachtig en negentig het neoliberalisme omarmde en doordrukte.

Wie wil lezen hoe dat in zijn werk ging leze het onthullende nieuwe boek van Thomas Frank, Listen Liberal. Frank laat zien dat Bill Clinton weliswaar verkozen werd op een traditioneel links ticket – ‘it’s the economy, stupid’ – maar zijn electoraat verried zodra hij in het Witte Huis zat. In het hoofdstuk met de cynische titel It takes a liberal beschrijft Frank dat Clinton invoerde wat de Republikeinen niet voor elkaar gekregen hadden: verregaande deregulatie van (onder meer) het bankwezen, het privatiseren van de sociale zekerheid en het openen van de economie voor een globaliserende industrie. nafta – waar nu zoveel verzet tegen is – dateert uit de Clinton-jaren. In Europa waren het Labour-chef Tony Blair en de voormalige vakbondsleider Wim Kok die de economie op neoliberale leest schoeiden. En net als in Amerika hielp hun arbeideristische aura hen om voor elkaar te krijgen wat hard boiled conservatieven misschien niet gelukt zou zijn.

Het zou niet terecht zijn het doordrukken van de neoliberale agenda toe te schrijven aan kwaadwillendheid, domheid of de slinkse manoeuvres van het grootkapitaal. Het is niet eens terecht van een ‘agenda’ te spreken, en van een masterplan was al helemaal geen sprake. Voor de neoliberale wereldorde gold wat anderhalve eeuw eerder voor het Britse koloniale imperium gegolden had: hij kwam tot stand in ‘a fit of absentmindedness’.

Wat niet wil zeggen dat er geen enthousiasme voor was. Clinton, Blair en Kok geloofden dat zij de toekomst belichaamden – een postindustriële, postmaterialistische en postmoderne toekomst waarin betere banen en hogere lonen binnen het bereik zouden komen van iedereen die bereid was de overstap te wagen en zijn talenten tot ontplooiing te brengen.

Ik kan het niet bewijzen, maar het zou me niets verbazen als de jaren tachtig de periode was waarin de uitdrukking ‘win-win-situatie’ ontstond. In ieder geval geeft de uitdrukking heel precies de gedachte achter een verdrag als nafta weer. De vervuilende maakindustrie kon maar beter overgeheveld worden naar landen die daar veel mee te winnen hadden, wij in het Westen konden ons dan fijn concentreren op creatieve, innovatieve en, gelukkige bijkomstigheid, weinig vervuilende postindustriële bezigheden als high tech en financiële dienstverlening.

In die nieuwe wereld was voor de traditionele arbeider geen plaats meer. Thomas Frank beschrijft hoe de Democraten in de jaren tachtig willens en wetens afstand namen van waar zij zich tot dat moment voor hadden ingezet. Een van Franks bewijsstukken is het boek Changing Sources of Power van Frederick Dutton, een toonaangevend lid van de commissie die tijdens de Nixon-jaren moest onderzoeken hoe de Democraten weer serieus genomen zouden kunnen worden. In dat boek wordt voor vaststaand aangenomen dat ‘the balance of political power’ aan het verschuiven is ‘van het economische naar het psychologische, van de maag en de portemonnee naar de psyche, en misschien uiteindelijk wel naar de ziel’. In de jaren tachtig veranderde het beeld van de arbeider van een stoere, of in ieder geval serieus te nemen Stachanov, naar een bekrompen, achtergebleven, door het moderne leven stuntelende Archie Bunker. Zoals de socioloog Richard Florida het in 2008 uitdrukte: ‘De creatieve klasse belichaamt de toekomst, de werkende klasse wil zich daar juist tegen beschermen.’

Wie de populistische golf waar we nu in zitten wil begrijpen, ontkomt er niet aan naar het neoliberalisme te kijken. Populisme is namelijk niet in essentie antidemocratisch, xenofoob of racistisch – hoewel het begrijpelijk is dat wij dat hier in pvv-land geneigd zijn te denken – maar antineoliberalistisch. Populisme doet zich voor als degenen die de maatschappelijke spelregels in acht nemen het gevoel krijgen het nakijken te hebben. Thomas Frank laat zien dat er in een neoliberale wereld in ieder geval één groep is die niet het nakijken heeft, dat er één, tamelijk nauwkeurig af te bakenen maatschappelijke klasse is die goed garen spint met het neoliberalisme, dat er derhalve één groep is waarop populisten het in het bijzonder voorzien hebben: de professionals.

En het zijn juist de professionals waartoe traditioneel links zich in de jaren tachtig bekeerde. Onder Clinton, Blair en Kok hielden de traditioneel linkse partijen op partijen van en voor Archie Bunkers te zijn en worden het partijen van en voor professionals. Dat was niet alleen een kwestie van poppetjes – hoewel zowel het ledenbestand als de gekozen vertegenwoordigers verregaand uit professionals begonnen te bestaan. Belangrijker misschien nog was dat het meritocratische gedachtegoed waarmee het neoliberalisme gelegitimeerd werd perfect aansloot bij het ethos van de professional.

Over één ding moeten we echt beslissen: modderen we door op de ingeslagen weg of kiezen we voor radicale verandering?

Om te begrijpen waarom die transformatie tot een diepe schaamte leidde, is het van belang ons te realiseren dat in het politieke bedrijf van oudsher twee kernwaarden gerepresenteerd worden: ‘verdienste’ en ‘rechtvaardigheid’. Met verdienste bedoel ik: het bevorderen, tot zijn recht laten komen en honoreren van de mogelijkheden, inspanningen en prestaties van individuele mensen. Rechtvaardigheid verwijst naar het feit dat mensen principieel gelijkwaardig zijn en het verdienen tegen elkaar in bescherming genomen te worden. Rechts staat vanouds primair op de bres voor verdienste, links voor rechtvaardigheid. Op filosofisch niveau is de ene kernwaarde niet meer waard dan de andere: mensen zijn zowel principieel aan elkaar gelijk als principieel van elkaar verschillend.

Kenmerkend voor de Europese politiek is dat ‘rechtvaardigheid’ altijd achter ‘verdienste’ aan hinkelde, dat – om het een beetje tragisch uit te drukken – links altijd achter de feiten aan liep. Het was het liberalisme, een politieke ideologie die verdienste centraal stelde, dat zichzelf aan het begin van de negentiende eeuw als eerste politieke ideologie op de kaart zette. De Franse Revolutie werd weliswaar ideologisch gevoed door zowel een verlangen naar ‘rechtvaardigheid’ als een verlangen om meer recht te doen aan ‘verdienste’, maar de uitkomst van die revolutie was dat ‘rechtvaardigheid’ het nakijken had. De sociale bewegingen die later in de eeuw ontstonden wilden eerst en vooral een correctief zijn op het liberalisme.

Ik zal hier niet uit de doeken doen hoe verdienste en rechtvaardigheid zich in de negentiende en de twintigste eeuw tot elkaar verhouden hebben, hoe rechtvaardigheid gemonopoliseerd werd door dialectisch materialisten die precies het tegendeel bereikten van wat hun ideologie in het vooruitzicht had gesteld. En hoe de ideologie van het liberalisme in de loop van de tijd muteerde tot een simpel geloof in de werking van de markt – met als gevolg dat ‘verdienste’ de vulgair darwinistische betekenis kreeg van ‘greed is good’.

Van belang is hier dat zich precies in de periode dat de rechtvaardigheidsideologie par excellence, die van het marxisme-leninisme, bezweek, en de verdienste-ideologie van het liberalisme als enige leek over te blijven, een derde weg leek te openen. Voor de generatie van Clinton, Blair en Kok was het neoliberalisme het ei van Columbus, de kwadratuur van de cirkel, een magische, maar zo te zien echt werkende manier om ‘verdienste’ en ‘rechtvaardigheid’ te combineren.

En toen kwam de crisis van 2008. En bleken de neoliberalen, althans de linkse voorvechters van het neoliberalisme, opeens een kat in de zak gekocht te hebben. Ze hadden gedacht de hoofdprijs in handen te hebben. Opeens hadden ze zelf het nakijken. Weg rechtvaardigheid. Verdienste bleek rechtvaardigheid met huid en haar verzwolgen te hebben. Als dat geen schaamte oplevert!

Voor iemand als Tony Blair is dit zo’n onverdraaglijke gedachte dat hij er nog steeds niet aan wil. Onlangs schreef hij in The New York Times dat de werkelijke oorzaak van het populisme niet zijn eigen neoliberalisme is maar de ‘scale, scope and speed of change’. Er zijn, aldus Blair, twee soorten mensen: zij die globalisatie als een uitdaging zien en, aan de andere kant, de ‘close-minded’ die de buitenwereld als een bedreiging zien. ‘The correct strategy is’ (het staat er echt) ‘to make the case for building a new coalition out from the center.’ Je zou er populistisch van worden.

Ik vind: er is niets tegen het opzoeken van het midden en er is ook niets tegen compromissen. Er is al helemaal niets tegen het maken van vuile handen, maar het midden opzoeken en compromissen sluiten zonder dat op basis van een perspectief te doen, is electoraal onheil over jezelf afroepen. Maar schaamte staat een nieuw en overtuigend rechtvaardigheidsverhaal in de weg. Ik weet: perspectief is wat vroeger ideologie genoemd werd. Maar dat maakt niet uit – als het maar werkt.

De allesoverheersende schaamte verklaart misschien de onwezenlijke sfeer van deze verkiezingscampagne. De directeur van het Centraal Planbureau, Laura van Geest, heeft gezegd dat er ‘deze keer veel te kiezen is’. Dat is niet alleen een politieke uitspraak waar een directeur van het Centraal Planbureau zich verre van zou moeten houden, maar ook een uitspraak waaruit een buitengewoon consumentistische opvatting over kiezen spreekt.

Het is waar dat we kunnen kiezen uit een scala van standpunten op een heel aantal issues. Maar ik noem dat niet kiezen maar cherry picking. We hebben een leuk meevallertje gehad, en dus wat geld te besteden, waaraan zullen we dat eens uitgeven?

Terwijl we ondertussen, zonder dat het in de campagne genoemd wordt, laat staan dat erover gedebatteerd wordt, en zonder dat we het ons realiseren, over één ding echt een beslissing moeten nemen: modderen we door op de ingeslagen weg of kiezen we voor radicale verandering? Het is een keuze die de vorm heeft van een keuze voor of tegen de euro en voor of tegen Europa.

Tijdens het rtl-debat, zondagavond in Carré, mochten de lijsttrekkers voor of tegen allerlei kekke stellingen stemmen, maar het enige issue dat er werkelijk toe doet, kwam in het hele debat niet aan de orde. De partijen die voor Europa zijn houden daarover bescheten hun mond, de partijen die tegen zijn komen niet opdagen of worden er niet over aan de tand gevoeld. En waarom worden ze er niet over aan de tand gevoeld, waarom vechten de Europeanen niet voor wat ze waard zijn? Uit schaamte. Het wordt tijd dat links zijn schaamte opzij zet, de vlag van de rechtvaardigheid hijst, en keihard gaat vechten voor wat het belangrijk vindt.


Eelco Runia is verbonden aan de Rijksuniversiteit Groningen