Willem Frederik Hermans en zijn polemieken

De schaar van Damokles

Er is dit jaar een hausse aan boeken gepubliceerd rond het literaire oeuvre van Willem Frederik Hermans (1921-1995). Maar of de WFH-lezer daar blij mee moet zijn blijft de vraag in dit tiende sterfjaar, waarin de langverwachte verschijning van deel 1 (van de tot 2016 verschijnende 24 delen) van Volledige Werken verreweg de belangrijkste gebeurtenis is: zijn eerste twee romans Conserve (1947) en De tranen der acacia’s (1949).

Wat te denken van De Noorse liefde van W.F. Hermans, waarin Karin Anema Nooit meer slapen (1966) terugbrengt tot een anekdotische zoektocht naar een bijfiguur uit deze roman? De absurde queeste van de jonge en hopeloos mislukkende wetenschapper Alfred Issendorf naar mogelijke inslagen van een meteoor in het Hoge Noorden – die de kern van Hermans’ vertelling uitmaakt – wordt een decor voor biografische trivialiteiten.

Een ander boekje, met de ogenschijnlijk pakkende titel Iedereen zei, dat is pornografie, probeert een analyse te geven van de ontvangst van De tranen der acacia’s. De conclusie van recensieverwerkster Elly Kamp (die verzuimt een analyse te geven van de roman, bijvoorbeeld van hoe Hermans de illegaliteit in de Tweede Wereldoorlog verbeeldt) staat haaks op de suggestieve titel: het is niet waar dat Hermans vanaf het be gin van zijn schrijverschap werd verguisd. Gezaghebbende schrijvers als Vestdijk en Bordewijk zagen de kwaliteit van Hermans’ bezettingsroman on middellijk in. Alleen de rooms-katholieke keurings- en censuurdienst Idil af fi cheerde de roman louter als «dit pornographische, immorele en goddeloze boek». Elly Kamp heeft de recensies van De tranen der acacia’s blijkbaar beter gelezen dan de roman zelf, want ze schrijft: «Het woord ‹kut› gebruikte hij voor het eerst in Ik heb altijd gelijk (1951) – en ook daar alleen nog uit de mond van een personage.» Toch staat in mijn exemplaar van De tranen der acacia’s (twaalfde, herziene druk 1971) deze uitspraak van Arthur Muttah’s Franstalige vader over diens dienstmeisje: «Rose est ien ’ete kut, comme on dit en flamand…» (p. 251; p. 550 van Volledige Werken 1). Een onbetekenend detail, een spijker op laag water? Ik wil alleen maar zeggen dat het literaire oeuvre van Hermans in veel recente publicaties te veel aan het zicht onttrokken wordt door piepkleine receptieonderzoekjes of biografische fixaties die Hermans’ literaire werk reduceren tot een veredelde, enigszins gefictionaliseerde levensloop.

Dieptepunt van die biografische benadering is Ad Fransens W.F. Hermans, een Hollander in Parijs. Het is een uit interviews en gebabbel van vriend en vijand (en een enkel verknipt verhaal- en romancitaat) bij elkaar geharkt werkje waarin Hermans keer op keer de les wordt gelezen en waarin levensfeit en fictie vrolijk verhaspeld zijn. De blunder die van Fransens publicatie – die hij nota bene «een biografie over de Parijse jaren» van WFH noemt – een prul maakt is de kritiekloos genoteerde opmerking van Hans Dutting over Hermans’ oudere zus Corrie. Die zou «vlak voor de oorlog zelfmoord hebben gepleegd». Als een kernfeit uit het leven van Hermans al verkeerd in een biografie terechtkomt, hoe zou het dan met de rest zijn gesteld? Op de dag dat Rotterdam werd gebombardeerd en Nederland capituleerde voor het Duitse Blitzkriegleger, dinsdag 14 mei 1940, haalde politie-inspecteur Pieter Blind Corrie Hermans op uit haar ouderlijk huis in de Amsterdamse Eerste Helmersstraat en reed met haar naar de Zuidelijke Wandelweg, met een volkstuintjescomplex en sport terreinen. «Met zijn dienstpistool had Pieter zijn nichtje in de linkerslaap geschoten, met een schot in zijn mond had hij zichzelf gedood» (Hans van Straten in Hermans, zijn tijd, zijn werk, zijn leven, 1999). Waren neef Pieter en nicht Corrie geliefden? Van Straten twijfelt daar sterk aan, maar Frans A. Janssen schrijft in het recente Hermans- themanummer van De Gids dat Pieter Blind Corries minnaar was. Doet het er echt toe voor een beter begrip van Hermans’ romans Conserve en De tranen der acacia’s? Laat ik ophouden met het volgen van het bio grafische spoor. Het werk telt, de rest is ruisend gruis.

Helaas is de tijd van de merlinistische close reading al lang voorbij. Die tekst gerichte benadering resulteerde in uitstekende themanummers van onder meer Raster (zo mer 1971) waarin onder anderen Hella Haasse, Jan Fontijn, Rein Bloem en J.J. Oversteegen fijnzinnige analyses publiceerden over Hermans’ romans en verhalen. Wat een verademing dan ook dat de officiële WFH-biograaf Willem Otterspeer in De Gids van november 2005 over zijn lectuur in het omvangrijke WFH-archief schrijft «dat men Hermans zelfs in zijn meest afgeschermde, meest autobiogra fische momenten niet op zijn woord moet geloven». Dit is een opmerking van belang, die raakt aan het hoofdthema in Hermans’ literaire wereld: de onmogelijkheid zichzelf helemaal te doorgronden, laat staan de ander. Bedrog, misverstand, moedwillige manipulatie, on trouw, verraad, vergeetachtigheid, verstrooidheid, verdringing, angst, wraak, schaamte, onhandigheid en andere menselijke trekjes die de werkelijkheid vertroebelen en vertekenen belemmeren het zicht op de eigen psyche en het eigen functioneren. De wereld is sadistisch omdat de mens niet in staat wordt gesteld zijn eigen bestaan te begrijpen. Het universum belazert hem, ontneemt de mens de mogelijkheid zichzelf en anderen te doorzien. Bovendien is de taal drijfzand en vallen voorstellingen en illusies van de werkelijkheid in Hermans’ romanwereld nooit samen. Verwarring, paniek, zelfverlies en chaos zijn het resultaat. De mens als «wandelende illusie» (Arthur Muttah in De tranen der acacia’s over de Tsjechische vriendin van zijn mistige vriend Oskar Ossegal).

«Ik schrijf omdat dat de enige weg is mij helder en doordacht uit te drukken.» Dat bekent de eenzame en onbegrepen Onitah in Conserve. In De tranen der acacia’s drukt Arthur Muttah het enige verlangen uit dat hij nog de moeite waard vindt: «Leven met zijn ogen, zijn oren en zijn neus, niets meer doen, niets meer willen bereiken, maar dan ook werkelijk in ernst en niet als excuus voor een mislukte onderneming.» Scherp waarnemen en schrijven, alert zijn, nooit meer slapen, dat wil zeggen altijd en eeuwig ogen en oren openhouden om de wraak en toorn van anderen te kunnen pareren. Nadenken of sterven, en schrijven om te verbluffen, namelijk dat te formuleren wat anderen verzwijgen of niet durven zeggen.

De literaire ambitie van Hermans be stond eruit personages te verzinnen die, dankzij hem, hun schepper, dingen konden denken of doen die de maker zelf niet kon doen. Ogenschijnlijk geloofwaardig en meedogenloos zijn die ongepubliceerde dagboekfragmenten, concludeert de biograaf in spe. «Maar het is niet zo. Het is veeleer een mechaniek om te kunnen schrijven. Nogmaals, het is raar als een biograaf de waarheid van het dagboek niet accepteert. Tenzij hij dat doet om temeer geloof te kunnen hechten aan de waarheid van de fictie.»

Wat is die waarheid van de fictie dan in Conserve en De tranen der acacia’s? In Conserve, Hermans’ debuutroman die zich afspeelt onder Mormonen in Amerika, gaat het om een totalitaire religieuze waarheid. Als er nog maar één mens in een god gelooft, is dat geloof dan minder waar dan wanneer er nog een miljoen mensen in geloven? In een gesprek tussen zenuwarts Ferdinand en zijn patiënte Onitah, die de oude Egyptische godsdienst inclusief het balsemen heeft omhelsd, merkt de psychiater op: «De waarheid dat alles inderdaad voor niemendal is, komt nu eenmaal altijd te veel in strijd met de hoop die leven doet.» Het is die hoop, tegen beter weten in, in Hermans’ universum die ervoor zorgt dat de personages in beweging blijven, wankelen en vervolgens grandioos mislukken. Want er bestaat geen onomstotelijke waarheid, los van de feiten in de natuurwetten, de wiskunde, de biologie of de geografie. Waarheid, dat wil zeggen altijd gelijk krijgen of hebben, hangt af van macht. Godsdiensten komen en gaan. «Er zal een tijd komen dat niemand meer in Christus gelooft, er zijn tijden geweest dat de mensen nergens in geloofden, er zullen tijden komen dat niemand er meer behoefte aan heeft iets te geloven» (Ferdinand in Conserve). De machtigsten waren de Egyptenaren ten tijde van de farao’s, formuleert Onitah: «Zij hadden altijd gelijk. De machtigsten hebben altijd gelijk, nietwaar?»

Al in Hermans’ debuut klinkt de ironische, relativerende titel van zijn derde roman, Ik heb altijd gelijk, door. In de oorlogsroman De tranen der acacia’s is de grenslijn tussen goed en kwaad, dat wil zeggen het verschil tussen verzet en collaboratie, niet meer te onderscheiden. Is Oskar Ossegal een verrader of een verzetsheld? Zelfs zijn vriend Arthur weet het niet meer. Hij krijgt allerlei tegenstrijdige verhalen te horen en kan daar geen overzicht en inzicht uit halen. Iedereen lijkt iets te verbergen, niemand laat het achterste van zijn tong zien, ook Arthur niet. Het is de SS’er Ernst (vriend van Arthurs halfzus Carola, spion of deserteur?) die al schreeuwend tegen Ar thur het sadistische universum defi nieert: «Het is alsof we voortrazen door een leeg heelal. Wij zijn als een ziel die woont in het lichaam van een man wien alle ledematen zijn afgesneden en wiens tong is verlamd. Of wij razen of zwijgen, het is alles nutteloos. Maar ook dat is onze lotsbestemming. Het is de lotsbestemming van alle geest. Want al is de tong nog zo bekwaam en het lichaam nog zo geoefend, de tong kan de gedachten die de geest vormt nimmer uitspreken en het lichaam kan zich niet buigen naar de dansen die door de geest worden gedanst!»

Dit is de (Griekse) tragedie van de mens, die telkens weer tast naar de hoop op de bodem van Pandora’s doos en zijn lot tart. Hermans herschrijft zowel Sophocles’ Antigone als Elektra en verknoopt die mythen met zijn eigen dramatische levensfeit: de dood van de zus. Antigone wijkt niet voor de banvloek die de goden over haar familie hebben uitgeroepen (de incestueuze familieleden in Conserve moorden, worden gek of plegen zelfmoord; de antisemitische grootmoeder in De tranen der acacia’s be zwaddert de stamboom van Carola en haar halfbroer Arthur Muttah, die door zijn vaders toedoen een «wandelende jood» wordt). Antigone verzorgt haar blinde va der en begraaft ondanks het verbod haar broer, waarna ze in een rotsgraf wordt op gesloten en zelfmoord pleegt (Onitah in Con serve is verliefd op haar halfbroer Jerobeam, een antropoloog die in een inrichting wordt «begraven»; ze pleegt zelfmoord in bad en wordt gebalsemd door haar psychiater, opdat haar ziel bewaard wordt en ze altijd rustig kan slapen). Elektra helpt haar broer Orestes wraak te nemen op de moordenaars van hun vader (in De tranen der acacia’s doodt Arthur bij toeval de SS’er Ernst, die hij in de chaos van begin mei 1945 – «de bevrijding ging voornamelijk met gestommel gepaard» – samen met zijn halfzus gewikkeld in een vlag in het water «be graaft»; Ernst, de enige die later had kunnen getuigen of Oskar Ossegal held of lafaard was geweest).

Helden of lafaards in het grote religieuze gekkenhuis in Amerika (Conserve) of in het kleine, machteloze gesticht dat Holland heet, het zogenaamde vaderland waarin alleen voor geld altijd wel een plekje is (p. 575 in Volledige Werken 1, zie ook het slot van Ik heb altijd gelijk)? Angst is praktischer dan dapperheid, en het vrezen is «een magische bezwering van het gevaar» (De tranen der acacia’s). Een held is iemand die slechts straffeloos onvoorzichtig is ge weest, luidt een beroemde Hermans-uitspraak. Arthur Muttah, die zich een keer «Van Helt» noemt om zich niet te laten kennen, gelooft niet in een bewuste levensloop. De schuldige mens kan onmogelijk kiezen tussen lef of lafheid; de wereld probeert een evenwicht te vinden tussen wraak en schuld. «Iedereen gaat door water en vuur, niemand uitgezonderd, alleen de meesten weten het niet eens.»

De mens vergeet en raakt verstrooid, wisselt van identiteit en nationaliteit. Ar thur, eerst Hollander en daarna joodse Belg, zal nooit te weten komen welke rol zijn oudere vriend en chemicus Oskar in de oorlog heeft gespeeld. En als hij dat niet wist, «wist hij ook niet wat hij van zichzelf moest denken». Hij kan dan ook alleen maar over zichzelf nadenken in hermansiaanse metaforen die de nietigheid, het niets en niemendal weerspiegelen: een mier dwa lend door een spons of labyrintische stad, een halfverrot matras drijvend in een onder gelopen kelder met op het water drijvende veertjes. «Kun je het je voorstellen? Dat ben ik. Dat ben ik helemaal.» Als je eigen leven al een raadsel voor jezelf is, hoe zou je dan achter het geheime leven van een ander kunnen komen? «Iedereen is vanbinnen een bioscoop» (De tranen der acacia’s), maar niemand ziet zijn eigen film van begin tot eind of heeft weet van wat hij droomt.

In een van zijn dromen ziet Arthur Muttah zich als een eenzame vorst zonder troon onder de mensen, doodalleen in een oerwoud onder de apen. Die droom over de vorst zonder troon en over de solitaire mens die nooit echt solidair met een ander kan zijn, deed me denken aan een uitspraak van een bijfiguur (de hitsige Lydie, kapster en verleidster) in De tranen der acacia’s. Zij gooit een Griekse mythe en een bijbels verhaal door elkaar wanneer ze tegen Arthur begint over «de schaar van Damo kles». Ze bedoelt natuurlijk Delila’s schaar, waarmee deze verleidster Simsons haar en kracht kortwiekt. Maar Lydies freudiaanse verspreking is veelzeggend. Damokles was immers de jaloerse hoveling van tiran Dionysius de Oude. Hij mocht op de troon zitten door weelde omringd, maar boven zijn hoofd hing een zwaard aan een paardenhaar. In De tranen der acacia’s houdt de kameleontische gevangene Sorensen tegen over Oskar Ossegal een vlammend betoog dat verwijst naar de Damokles-mythe: «Geld is dood. Geld stapel je op. Macht kun je niet opstapelen. Macht houdt je dag en nacht bezig. Alleen wie macht heeft weet werkelijk dat hij leeft. Wie alleen geld heeft is dood als een cipier.»

Alle hermansiaanse thema’s, inclusief de titels van zijn belangrijkste boeken, zitten al verborgen in zijn eerste twee romans. Conserve is nog stijf en stram geschreven, met een auctoriale, min of meer alwetende verteller. Op hinderlijke wijze, alsof hij een soort almachtige waarheid in pacht heeft, speelt die onder één hoedje met de lezer en ironiseert onder meer de doktersroman. Bij de zoveelste herlezing van De tranen der acacia’s blijft deze Hermans-roman staan als een huis, en niet alleen dankzij de levendige stijl, de vileine toon en de beklemmende atmosfeer.

Zestig jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog hoort dit boek, met De donkere kamer van Damokles, nog immer tot de weinige Europese romans die iets wezenlijks hebben te zeggen over verzet en verraad, collaboratie en wegkijken, macht en machteloosheid. Waarom komt de ene mens in opstand, waarom blijft de andere lijdzaam toekijken, waarom omhelst een derde het kwaad alsof dat het goede is? Kan iemand wel goed van kwaad onderscheiden, en doet dat er eigenlijk wel toe?

WFH-biograaf Willem Otterspeer citeert uit Hermans’ ongepubliceerde dagboeken als de schrijver zich afvraagt wat er in het doen en laten van de mens nu precies raadselachtig is. «Eigenlijk alles wat hij niet doet (=hoeft te doen) uit angst voor honger, dorst, behoefte aan slaap, angst voor pijn, angst voor andere mensen of wilde dieren. Verder is alles raadselachtig, wat angst eigenlijk ook al is.»

Waarom wilde Hermans kapotte schrijf machines repareren? «Raadsel», schrijft Hermans in zijn dagboek. Waarom schrijven? Uit angst? Waarvoor dan? Arthur Muttah in De tranen der acacia’s vergeet zijn wraak- en schuldgevoelens niet uit angst «om ongelijk te hebben…». Schrijven deed Hermans om scherp te blijven, in alle betekenissen van dat woord.


Willem Frederik Hermans
Volledige Werken I
De Bezige Bij/Van Oorschot, 788 blz., e 35,-

Max Pam (samenst.)
Niet uit kwaadaardigheid: De scherpste polemieken
De Bezige Bij, 392 blz., e 19,50

W.F. Hermans-nummer van De Gids,
november-december 2005, e 12,50