Tien jaar na de redding van Fortis

De schade van de broekriempolitiek

De koopkracht stijgt, de economie groeit – als we het kabinet mogen geloven is Nederland sterker dan voor de crisis. Maar daar valt veel op af te dingen. ‘Waarom hebben onze politici willens en wetens de fouten herhaald uit de Grote Depressie?’

Op zondag 28 september 2008 stappen Wouter Bos en Nout Wellink in een donkerblauwe bolide en zetten koers richting Brussel. Daar zitten op dat moment Belgische regeringsfunctionarissen en een delegatie van de Europese Centrale Bank koortsachtig te overleggen over de nakende ondergang van Fortis. De Nederlandse minister van Financiën en directeur van De Nederlandsche Bank zijn niet uitgenodigd, maar daar trekken de heren zich niets van aan. Dit is een zaak die ook hen aangaat, vinden ze. Een jaar eerder is ABN Amro namelijk overgenomen door de wankelende bank, waardoor ook veel Nederlandse rekeninghouders getroffen dreigen te worden. Dus staan Bos en Wellink, tot verrassing van hun zuiderburen, ’s middags plots op de stoep bij de Belgische premier.

In de documentaire De Achtste Dag blikken de hoofdrolspelers terug op die roerige dagen. Tot hun verschrikking zagen ze hoe het Fortis-aandeel een vrije val maakte. Er moest snel een daadkrachtig antwoord komen, benadrukte Jean-Claude Trichet, want bij een faillissement is het drama niet te overzien, wist de toenmalige directeur van de Europese Centrale Bank. Aanvankelijk probeerden ze de paniek op de financiële markten te bezweren met een gezamenlijk steunpakket, maar toen dat ontoereikend bleek volgden er in het diepste geheim onderhandelingen over het uitkopen van abn. Op 4 oktober 2008, deze week tien jaar geleden, maakten Bos en Balkenende bekend dat de bank genationaliseerd werd.

‘De redding van Fortis heeft Nederland en Europa voor een grote ramp behoed’, zegt Coen Teulings, hoogleraar economie aan de Universiteit Utrecht en destijds directeur van het Centraal Planbureau (cpb). Ook hij was overdonderd door de chaos die ontstond na de val van Lehman. ‘In het begin waren we er echt van overtuigd dat het een Amerikaans probleem was’, zegt hij. Maar niets bleek minder waar. De financiële instellingen in Europa zaten tot over hun oren in de giftige schuldpapieren en in de jaren na de abn-operatie moesten ook ing en sns bij de overheid aankloppen voor hulp. ‘We dachten dat de dijken in Nederland hoog genoeg waren, maar het water kwam er toch overheen’, zegt Teulings.

Vandaar de titel van zijn onlangs verschenen boek, Over de dijken, waarin hij tien jaar na het uitbreken van de financiële crisis de balans opmaakt. Het was een gebeurtenis die zijn wereldbeeld voorgoed heeft veranderd, zegt hij. ‘In 2005 dacht ik dat een Grote Depressie zoals in de jaren dertig nooit meer kon voorkomen. We dachten dat we het toezicht van de banken beter op orde hadden, dat we het eens waren over de manier waarop je macro-economisch beleid moet voeren, zodat we niet dezelfde fouten zouden maken als tachtig jaar geleden. Onzin, weten we nu.’

Welke lessen hebben we geleerd van de crisis? De vraag galmde nog na toen minister van Financiën Wobke Hoekstra op de derde dinsdag van september traditiegetrouw met ‘het koffertje’ de Tweede Kamer binnen liep. De stemming over de Nederlandse economie was opperbest. Het kabinet klopte zichzelf op de borst met ‘prachtige cijfers’ en ondanks alle nuancerende geluiden over de korreltjes zout waarmee je de cpb-ramingen moet nemen en de relativiteit van koopkrachtplaatjes liet een groot deel van de parlementaire pers zich meeslepen in de hosanna-stemming. ‘Dit is de meest vrolijke Prinsjesdag in jaren’, concludeerden de Binnenhof-watchers van de nos.

‘Een groot deel van de crisis is van binnenlandse makelij’

En inderdaad, de boodschap van het kabinet was een vrolijke: de economische groei trekt aan, de koopkracht stijgt, de onzekerheid rond de euro lijkt voorbij – Nederland heeft de wind weer in de zeilen, en vanaf nu is het volle kracht vooruit. De oppositie probeerde tijdens de Algemene Beschouwingen nog te wijzen op de diepe sporen die het jarenlange bezuinigingsbeleid heeft achtergelaten, maar die kritiek wuifde premier Mark Rutte behendig weg: ‘Als je kijkt naar de groeicijfers kun je stellen dat we dit land met z’n allen weer gezond hebben gemaakt.’

Bas Jacobs, hoogleraar economie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, is een stuk minder onder de indruk. ‘Een groei van 2,5 procent is historisch gemiddeld’, zegt hij. ‘Maar gezien alle macro-economische meewind is het eigenlijk heel matig.’ Tijdens de crisis waarschuwde Jacobs voor de negatieve effecten van een doorgeslagen bezuinigingsdrift. Een haperende economie heeft een zetje nodig, geen trap op de rem. Maar zijn waarschuwingen waren gericht aan dovemansoren. Er werd beleid doorgezet dat blijvende schade heeft aangericht, berekende hij op basis van cijfers van het cpb. ‘Een derde van de misgelopen groei tijdens de Grote Recessie kun je op het conto schrijven van het begrotingsbeleid. We zijn daardoor zo’n zes procent van het bbp kwijtgeraakt dat grotendeels permanent verloren is gegaan. Dus je kúnt niet zeggen dat we beter uit de crisis zijn gekomen. We waren beter uit de crisis gekomen als we niet zo gek hadden gedaan. Als we niets hadden gedaan, hadden we die vijftig miljard aan bezuinigingen en lastenverzwaringen binnen drie jaar terugverdiend en waren we niet in een double dip-recessie terechtgekomen.’

Dat is ook de analyse van Teulings in Over de dijken: waar de Amerikanen begrepen dat een financiële crisis om stimuleringsbeleid vraagt, moest de Nederlandse overheid zo nodig het ‘huishoudboekje’ op orde brengen, met alle schadelijke gevolgen van dien. ‘Een groot deel van de crisis is van binnenlandse makelij’, luidt zijn conclusie. Vanaf 2010, toen sommige politici al durfden te verkondigen dat de crisis voorbij was, verviel men in dezelfde fouten als tachtig jaar eerder door als een dolle te bezuinigen. ‘Nederland is veel zwaarder getroffen door de crisis dan nodig was’, zegt Teulings. ‘Niet door fouten van bankiers, maar door fouten van beleidsmakers in Den Haag.’

En hoewel de oppositiepartijen zich nu druk maken over de uitholling van de publieke sector was er destijds nagenoeg parlementaire consensus over de noodzaak van bezuinigen. Ook GroenLinks-leider Jolande Sap zette in het voorjaar van 2012 haar handtekening onder het Kunduz-akkoord, en stemde zo in met een ingrijpend bezuinigingspakket. De grote vraag is: waarom? Een veel gehoord antwoord was: omdat het moest van Brussel. We hebben op Europees niveau afgesproken dat het begrotingstekort maximaal drie procent mag zijn en om aan die eis te voldoen moesten er nu eenmaal pijnlijke keuzes worden gemaakt. Maar dat is op z’n best een naïeve misvatting en op z’n slechtst een slap excuus, zegt Teulings. ‘Er is geen land in Europa dat zo streng is geweest als Nederland. Als wij de Brusselse normen hadden overschreden, waren we daar heus wel mee weggekomen. Frankrijk heeft dat ook jarenlang gedaan.’

Alleen wilde Nederland een stok hebben om de ‘luie’ Zuid-Europeanen mee te kunnen slaan. ‘Nederland wantrouwde de mediterrane eurolanden’, zegt Teulings. ‘We waren een propagandist van strikte normen zodat we de Grieken en Spanjaarden de maat konden nemen.’ En als wij van anderen verwachtten dat ze zich aan de regels hielden, dan moesten we dat zelf natuurlijk ook doen. Ook al was dat fnuikend voor de binnenlandse economie.

‘De banenmotor zit niet bij Shell of Unilever, die zit bij het MKB’

‘Waarom hebben onze politici willens en wetens de fouten herhaald uit de Grote Depressie?’ Voor Jacobs blijft het een raadsel. ‘Waarom bleven ze volhouden dat de broekriem aanhalen de juiste remedie was, tegen het advies van een meerderheid van de economen in? Daarover heb ik me de haren uit het hoofd getrokken.’ Vanuit economisch oogpunt is er eigenlijk geen zinnige verklaring te vinden, zegt hij, dus kom je al gauw uit bij andere, culturele en politieke, redenen. ‘Mark Rutte, Jan-Kees de Jager en Jeroen Dijsselbloem hebben hun politieke kapitaal volledig geïnvesteerd in de harde handhaving van begrotingsdiscipline.’ Die laatste noemde hij in een interview met het Financieele Dagblad ‘de erfgenaam van Colijn’. ‘In de jaren dertig vond Colijn dat een begrotingstekort “onzedig” was’, legt hij uit. ‘En in zijn eerste Miljoenennota zei Dijsselbloem dat rente “zondegeld” is. In Nederland is schuld synoniem met zonde.’

Teulings komt in zijn boek tot een soortgelijke conclusie. Spaarzaamheid zit bij Nederlanders kennelijk zo diep in de volksaard dat schuld als een moreel kwaad wordt beschouwd. ‘Colijn en Calvijn’, noemt hij dat. ‘Voor economen is dat natuurlijk de minst aantrekkelijke verklaring, want dat betekent dat je beter cultuurfilosofie kunt studeren dan economie, maar ik denk echt dat het een belangrijke rol heeft gespeeld.’

De kwalijke gevolgen van die calvinistische houding laten zich niet volledig vangen in droge groeipercentages. Een week voordat het kabinet goede sier maakte met de economische rapportcijfers presenteerde het Sociaal en Cultureel Planbureau het rapport De sociale staat van Nederland. Op het eerste gezicht leek de boodschap positief: Nederlanders waarderen hun leven gemiddeld met een 7,8. Een gelukkig landje, zou je zeggen. Maar achter dat gemiddelde gaan grote verschillen schuil, waarschuwde scp-directeur Kim Putters. Er zijn nog altijd veel Nederlanders die helemaal niet het gevoel hebben dat ze erop vooruit gaan. Eenzame ouderen van wie zelfredzaamheid wordt verwacht. Zzp’ers die amper het hoofd boven water kunnen houden. Studenten die afstuderen met een enorme studieschuld. Jongeren met een migratie-achtergrond die niet aan de bak komen. Maar in de Miljoenennota gaat het vooral over koopkracht, inflatie en werkloosheid.

‘Terwijl welvaart ook te maken heeft met schone lucht, gelijke kansen en je thuis voelen in je leefomgeving’, zegt Irene van Staveren, hoogleraar pluralistische economie bij het Institute of Social Studies van de Erasmus Universiteit. Alleen passen zulke ‘zachte’ indicatoren niet in het plaatje van de neoklassieke economie. En ondanks de crisis is dat nog altijd het dominante perspectief, zegt Van Staveren, die als bestuurslid van Rethink Economics pleit voor een pluralistischer economieonderwijs. Haar wereldbeeld is helemaal niet op z’n kop gezet door de crisis, zegt ze. Dat komt doordat zij zich voor 2008 had verdiept in economen die niet aan bod komen in het gangbare curriculum. Als student kocht ze bij De Slegte een tweedehands exemplaar van Das Kapital en lang voordat haar vakgenoten hem herontdekten had zij zich al vertrouwd gemaakt met het werk van Hyman Minsky, de econoom die had uitgelegd dat juist in tijden van economisch optimisme de kiem wordt gelegd voor de volgende crisis. Het zijn dit soort denkers die een prominentere plaats verdienen in de lesboeken economie, vindt Van Staveren.

De afschaffing van de dividendbelasting is wat haar betreft illustratief voor de nauwe blik van de politieke top. ‘Degenen met een economische achtergrond hebben vaak een neoklassieke training gehad. Zij kennen alleen het mainstream-verhaal’, zegt Van Staveren. En hoewel een simpel rekensommetje leert dat de kosten van de afschaffing van de dividendbelasting hoger zullen zijn dan de opbrengsten voelt Rutte ‘tot in zijn diepste vezels’ dat het een noodzakelijke maatregel is. ‘Het is gewoon een onderbuikgevoel gebaseerd op simplistische aannames, bijvoorbeeld het idee dat multinationals belangrijker zijn voor de economie dan het midden- en kleinbedrijf. Maar de banenmotor zit niet bij Shell of Unilever, die zit bij het mkb.’

‘Mario Draghi heeft ervoor gezorgd dat de euro nog bestaat’

Als ze Rutte één leestip zou mogen geven, dan is het Joan Robinson. ‘Zij haalt het idee onderuit dat de vrije markt een nastrevenswaardig ideaal is. Ze laat zien dat zelfs de vrije markt een inherente tendens heeft tot oligopolie- en monopolievorming.’ In de Nederlandse bankensector zie je waartoe dat kan leiden: die wordt gedomineerd door een handjevol grote banken. Banken die stuk voor stuk too big to fail zijn. Vergelijk dat met de Verenigde Staten, waar er duizenden banken zijn, waardoor de burgers veel meer keuze hebben en er af en toe eentje failliet kan gaan zonder dat het hele systeem instort. ‘In Amerika is na de crisis zelfs wettelijk vastgelegd dat geen enkele bank meer dan tien procent van een markt, zoals de hypotheekmarkt, in handen mag hebben. Hier heeft de Rabobank een aandeel van twintig procent. En de Nederlandse bankensector is nog altijd meer dan drie keer zo groot als het totale bbp. De financiële sector is een enorm waterhoofd op onze economie.’

Toch zei koning Willem-Alexander tijdens de troonrede dat Nederland ‘beter voorbereid is op toekomstige schokken’. Maar ook Bas Jacobs is daar allerminst gerust op. Na de crisis lag één maatregel voor de hand, iets waar vrijwel alle economen het over eens zijn: banken moeten meer eigen vermogen aanhouden. Maar de kapitaaleisen zijn slechts mondjesmaat opgeschroefd. ‘Het is van ongeveer 2,5 procent naar ruim vier gegaan, maar we hebben het nog steeds over lachwekkend lage kapitaalratio’s.’ Daar komt bij dat de private schulden alleen maar verder gegroeid zijn. Terwijl de overheid druk bezig was om de staatsschuld terug te brengen, stegen de bedrijfsschulden met een kwart van het bbp. En dat brengt weer nieuwe risico’s met zich mee, waarschuwt Jacobs: ‘Alles wat met schuld is gefinancierd kan leiden tot systemische instabiliteit.’

Natuurlijk is een verhaal over de Nederlandse economie niet compleet zonder een hoofdstuk over de eurozone. Dat de Europese Unie zo lang worstelde om er weer bovenop te komen, heeft alles te maken met het gebrek aan een gemeenschappelijk fiscaal beleid. Landen wezen naar elkaar met beschuldigende vingers en onderlinge solidariteit was in geen velden of wegen te bekennen. Met als gevolg dat de rentes op de staatsleningen van kwetsbare economieën alleen maar verder opliepen. Pas toen Mario Draghi in juli 2012 verklaarde dat de Europese Centrale Bank ‘whatever it takes’ zou doen om de euro overeind te houden, keerde de rust een beetje terug. Toch kon de directeur van de ecb in Nederland op weinig dankbaarheid rekenen. Tot verontwaardiging van Jacobs: ‘Hier wordt Draghi in het parlement op het matje geroepen, omdat onze gepensioneerden er iets op achteruit zouden gaan – terwijl die man ervoor heeft gezorgd dat de euro nog bestaat.’

Niet dat de gemeenschappelijke munt nu veilig is, want de eurozone is nog lang niet af. Volgens Teulings is er uiteindelijk een transferunie nodig, zodat lidstaten met tegenslag ondersteund worden door landen waar het meezit. ‘Dat is vaak tijdelijk. Kijk maar naar Spanje en Ierland: die werden hard geraakt, maar nu groeien ze weer volop. Tijdens de eurocrisis werd duidelijk dat een verzekering tegen economische tegenvallers nodig is voor een goed functionerende muntunie.’ Toch is het een idee waarvoor nauwelijks politieke steun bestaat. Terwijl Nederland er juist baat bij heeft om over de dijken te kijken, betoogt Teulings (de tweede betekenis van zijn boektitel). ‘Zo erg is een transferunie ook helemaal niet. Vergelijk het met gemeenten in Nederland. Een succesvolle stad als Amsterdam draagt geld af en helpt zo een gemeente als Heerlen die het sinds de sluiting van de mijnen zwaar heeft. Daar hoor je nooit iemand over klagen. Bovendien heeft Amsterdam zelf ook geprofiteerd van dit transferstelsel, toen het rond 1980 nagenoeg failliet was.’

Zo ver wil Bas Jacobs niet gaan. Natuurlijk helpt een transferunie om schokken op te vangen als de wisselkoers dat niet kan, maar volgens hem zet het de maatschappelijke discussie onnodig op scherp. Een transferunie betekent namelijk verregaande overheveling van politieke bevoegdheden. ‘Dan ontstaat het beeld dat een Verenigde Staten van Europa onvermijdelijk is om de euro overeind te houden. En volgens mij is dat niet zo.’ Wel pleit hij voor een beperkte overdracht van soevereiniteit om een herhaling van de eurocrisis te voorkomen. Zo zou er een Europees mechanisme moeten komen om onhoudbare staatsschulden te herstructureren. En de bankenunie moet versterkt worden, want daar is half werk geleverd, vindt hij. ‘De dodelijke omhelzing tussen banken en overheid is niet doorbroken. Het reddingsfonds voor banken heeft te weinig financiële achtervang. En een Europees depositogarantiestelsel ontbreekt nog altijd.’

Irene van Staveren had twintig jaar geleden al haar twijfels bij de euro. Een monetaristisch project zonder politieke visie is gedoemd te mislukken, gelooft ze nog altijd. ‘Het lijkt erop dat de euro nu weer in wat rustiger vaarwater zit, maar de onderliggende problemen zijn niet opgelost. Politiek en economie zijn nog altijd niet goed op elkaar afgestemd.’ In 1997 ondertekende ze, samen met 69 collega’s, een pamflet in de Volkskrant, waarin ze waarschuwen dat de strenge budgettaire eisen in het geval van een recessie kunnen leiden tot ‘een neerwaartse spiraal van bezuinigingen en oplopende werkloosheid’. ‘Zoals je ziet staan Jacobs en Teulings daar niet bij’, merkt ze fijntjes op in een nagezonden e-mail.

Het steekt haar dat hun kritiek nooit echt serieus werd genomen door collega’s van de dominante neoklassieke school. ‘Zij vonden ons geen echte economen.’ Na de crash leek er even ruimte voor een fundamentele discussie, maar tien jaar later moet ze constateren dat die nooit echt van de grond is gekomen. ‘Een gemiste kans’, zegt Van Staveren. ‘Het overgrote merendeel van de bevolking en de politici gelooft toch dat er geen alternatief bestaat voor het kapitalisme. Het is misschien geen perfect systeem, maar het is het beste wat voorhanden is, dat is de houding. Nu snap ik wel dat mensen huiverig zijn voor het communisme, maar het verhindert een inhoudelijk debat over andere alternatieven. Dat is zonde, want als je serieus kijkt naar verschillende denkscholen zie je dat er allerlei manieren zijn om een florerende markteconomie te hebben, zonder dat je in kapitalisme of communisme hoeft te vervallen. Kijk bijvoorbeeld naar het coöperatieve model. Waarom steken we daar niet meer tijd en energie in? Laten we op z’n minst de discussie aangaan.’