De schaduw van de dictator

HET IS EEN grote dag voor de mensheid, een groot geschenk voor deze verschrikkelijke eeuw van genocide die ten einde loopt.

Het lot was mij gunstig gezind en het heeft gewild dat ik vandaag, juist vandaag, in Londen ben geland, precies op tijd om van de Lords zelf het goede nieuws te horen dat Augusto Pinochet Ugarte geen onschendbaarheid geniet vanwege het feit dat hij staatshoofd was toen hij het bevel gaf te doden en te folteren. Juist vandaag mocht ik uit de mond van de Engelse rechters vernemen dat de dictator van Chili zich niet achter het valse kleed van de soevereiniteit zal kunnen verbergen om aan gerechtigheid te ontkomen. Ik weet dat er hindernissen te nemen zijn en dat het ernaar uitziet dat deze rechtszaak zich jarenlang zal voortslepen, gevangen in een web van beroepsprocedures, verzoekschriften en pressiemiddelen, maar onze onmogelijke droom van al deze jaren dat de generaal in dezelfde zaal zal moeten zitten als zijn slachtoffers, lijkt steeds dichterbij te komen - die dag en die droom komen er onverbiddelijk aan. Maar ik erken ook dat deze beslissing een dilemma schept, althans voor de Chilenen. Het feit dat Pinochet ver weg wordt berecht, in dit Europa, waar ik zojuist de uitspraak heb gehoord, ontslaat de Chileense burgers van de plicht dit zelf te doen. Dezelfde afstand die het mogelijk heeft gemaakt hem gevangen te nemen, kan als scherm dienen om ons verleden niet onder ogen te zien. DE TWEE belangrijkste partijen van dat onopgeloste verleden staan bij de uitgang van het Britse parlement, waar ik recht tegenover de naar Londen verplaatste tweedeling van mijn land kom te staan. De hemel is zonder enige twijfel Engels, de bussen zijn rood en zeer Londens, ik zie Big Ben oprijzen en vlakbij stroomt de Theems van Dickens, maar wat ik op straat zie is een vervormde spiegel van het verscheurde Chili van de laatste decennia. Voor mijn ogen staan de twee onverzoenlijke helften van Chili tegenover elkaar en schreeuwen daar in goed Spaans verwensingen naar elkaar, tot vermaak van de fotografen en, op afstand, tot verbazing van de televisiekijkers. Het is alleen aan de bobby’s, die hen in bedwang en goed gescheiden houden, te danken dat zij hier, tegenover Westminster, niet slaags raken. Aan de ene kant viert een luidruchtige groep ballingen de overwinning. Zij vieren deze dag, waarop zij zo lang, zo wanhopig en van zo veraf hebben gewacht. Aan de andere kant geeft een mager groepje hysterische Pinochet-aanhangers luidkeels uiting aan de woede over het feit dat zij moeten terugvliegen zonder de held die hen, zo menen zij, voor het goddeloze communisme heeft behoed. Het valt te voorzien dat deze scène zich de komende jaren zal herhalen. Twee vijandige groepen die in buitenlandse straten tegenover elkaar staan, terwijl buitenlandse rechters over het lot van een Latijns-Amerikaanse dictator beslissen. EN PLOTSELING dringt het tot mij door. Als Pinochet vandaag in Engeland en wellicht op een dag in Spanje gevangen zit, dan houdt Pinochet op zijn beurt ons, Chilenen, gevangen in een nooit-eindigende twist over zijn persoon, waarbij de ene groep zich voedt met de haat tegen hem en de andere met de liefde voor hem, en wat ik mij afvraag, wat ik mij al lange tijd afvraag, al voordat de generaal op een nacht in zijn kliniek werd gewekt met de mededeling dat zijn doden hem zijn laatste levensjaren niet met rust zouden laten, wat ik naast de toekomst van Pinochet vooral wil weten, is de toekomst van Chili. Hoe komen wij voorbij deze figuur, voorbij deze erfenis? Wat gaat er gebeuren, nu vaststaat dat de rechtszaak in Europa wordt voortgezet? Er zijn zo veel factoren en zo veel betrokkenen dat het dom, zelfs vermetel zou zijn de toekomst te voorspellen. Zullen de strijdkrachten reageren, zoals zij hebben aangekondigd, met een actie die uitdrukking geeft aan hun ‘staat van ergernis’ en zullen zij nog meer druk op de regering gaan uitoefenen dan zij nu al doen? Zullen de rechtse Chilenen nu hun kans schoon zien om zich van de last van de gewezen dictator te ontdoen, die hen kenmerkt als aanhangers van een man die de mensenrechten met voeten heeft getreden en door de hele wereld wordt afgewezen? Zullen zij meewerken aan de voltooiing van onze door het leger bewaakte en gebrekkige overgang? Zullen de Chileense rechtbanken het onderzoek naar de misdaden van het bewind van Pinochet voortzetten en een eindelijk onafhankelijke rechterlijke macht scheppen? En de meest cruciale vraag: welke invloed zal de berechting van Pinochet op de naderende presidentsverkiezingen hebben? De uitdaging die ons wacht zou kunnen worden samengevat in een scène die ik enkele maanden geleden, tijdens mijn laatste bezoek aan Chili, heb meegemaakt, een van die typische scènes van het dagelijks leven in Chili die soms meer zeggen dan alle politieke analyses bij elkaar. Angelica en ik maakten een wandeling door het centrum van Santiago. Opeens hoorde ik trommels roffelen en zag ik in de verte rode vlaggen in de warme zomerlucht van de Ahumada-boulevard wapperen. Ik dacht dat het weer een mars was om de uitlevering van de generaal aan Spanje te eisen. Maar het bleek een honderdtal als middeleeuwse potsenmakers uitgedoste studenten te zijn met in allerlei kleuren beschilderde gezichten, sommigen op stelten, anderen rondspringend, een vrolijke optocht die het publiek uitnodigde naar een theaterfestival te komen. Het was een carnavalesk feest van jongleurs, kunstenmakers en grappenmakerij. EN TOEN, de jongens waren nog maar nauwelijks voorbij, twintig meter verder, verscheen er een andere groep, die langzaam en plechtig over hetzelfde asfalt voortschreed: de moeders en de zusters en de vrouwen van de verdwenen mannen, de vereniging van familieleden van geëxecuteerde politici, de leden van een beweging tegen marteling. Hier liepen vrouwen die meer dan vijfentwintig jaar het vuur van de herinnering hebben gevoed, die hebben geweigerd de geliefden te vergeten die in een of andere smerige, donkere kelder in deze zelfde stad zijn omgekomen. Op deze dag hadden zij gewacht, de dag waarop de man die de spot met hen had gedreven, hun niet langer zou kunnen negeren, de dag waarop die man zich in het openbaar zou moeten verantwoorden voor zijn schendingen van de mensenrechten. Terwijl ik met andere zwijgende toeschouwers naar die moeders van de doden van Chili stond te kijken, hoorde ik achter mij de stem van een vrouw: 'Vuile communisten! Leugenaars! We hadden jullie allemaal moeten doden!’ Ik draaide me om en zag een slanke, goedgeklede vrouw, die haar vijftig jaar op elegante wijze meedroeg, het toonbeeld van de 'mummie’ zoals wij haar in onze Allende-tijd zouden hebben genoemd. Als de zure, beledigde, reactionaire vrouw die zij was, had zij die woorden er als voor zichzelf uitgegooid, waarbij zij er wel voor zorgde dat de omstanders ze goed zouden kunnen verstaan. Toen ik die vrouw zag, die woedend naar dezelfde mars keek die mij zo ontroerde, toen ik haar stijve lichaam, haar starre onvermogen om de smart van anderen te begrijpen zag, voelde ik mij teruggezet naar de ergste momenten, niet van de dictatuur maar van de fascistische protesten tegen de regering van Allende en voelde ik hoe een irrationele angst zich in mijn maag vastzette. Ik wist waartoe die haat kon leiden, ik wist wat er gebeurt wanneer zo'n vrouw, met haar macht, opstaat en doet waar zij zin in heeft en denkt dat niemand haar iets kan maken, ik wist het en zij maakte het mij duidelijk, zij zei die woorden zodat mensen als ik nooit zouden vergeten wie deze oorlog had gewonnen. En er was nog iets dat ik op die straathoek zag: generaal Pinochet was het anker van de identiteit van deze vrouw en zij zou nooit toestaan, voor niets ter wereld, dat hij zou worden berecht. EN DEZE VROUW vertegenwoordigt een derde deel van het land, het derde deel dat de economische macht en de belangrijkste media controleert en, niet te vergeten, de strijdkrachten. Een derde deel dat gedurende decennia en misschien eeuwen in Chili aan de macht is geweest, maar dat heeft ontdekt dat die macht zich niet tot het buitenland uitstrekt. Met die vrouw kan de toekomst van het land niet worden opgebouwd. Maar die toekomst kan evenmin worden gedacht en gemaakt zonder die vrouw. Chili is een verscheurd land, waar de afstand tussen de ontroostbare droefheid van de slachtoffers en de blinde arrogantie van hun vervolgers onoverbrugbaar lijkt, waar wij allen aan weerszijden van een afgrond staan die tot na de dood van al die medespelers zal voortduren. En de jongeren? Dansen zij uitbundig in de straten van Santiago, van geluk dat zij in leven zijn? Zingen zij uitgelaten, zoekend naar een bestaan buiten de schaduw van de dictator? Wat gaat er met hen gebeuren? Wanneer zullen zij een land kunnen bewonen waar het verleden ons niet meer opsplitst, waar een dame niet meer dreigt degenen te doden die het wagen er een andere mening dan de hare op na te houden, waar de kinderen van de verdwenen mensen rustig kunnen slapen in de wetenschap dat hun ouders tenminste een begrafenis hebben gekregen? Zullen wij in staat zijn generaal Pinochet achter ons te laten? Mogen de goden ons barmhartig zijn als wij er niet in slagen het hoofd te bieden aan de uitdaging die zijn kwaadaardige afwezigheid voor ons betekent, als wij niet de kracht en de waardigheid vinden om hem in onze harten te berechten op het moment dat er ver weg over hem wordt geoordeeld, als wij gedurende het lange proces dat voor ons ligt niet in staat zijn één natie te smeden. Dit is het land na Pinochet waarvan ik droom: waar iets even wonderbaarlijks als normaals als een optocht van dansende jongeren niet onontkoombaar wordt gevolgd door de traumatische smart van slachtoffers die gerechtigheid eisen, waar wij het verleden hebben weten te begraven zodat het leven eindelijk zingend naar het licht kan wandelen. Vertaling: Dick Bloemraad. Van Ariel Dorfman verschijnt binnenkort bij uitgeverij De Bezige Bij Koers Zuid blik Noord.