Het indrukwekkendste gedicht uit de Latijnse literatuur

De schaduw van de eik

Vergilius’ Georgica is te lezen als een ecologisch gedicht, waarin de wereld van de bijen een spiegel van de menselijke samenleving is.

IS HET GROTE sterven begonnen? We kunnen de krant niet opslaan of we lezen over levenloze zeeën, de afname van biodiversiteit en de wildgroei van niet te verdelgen bacteriën, stuk voor stuk verontrustende berichten die de suggestie wekken dat het einde van de menselijke beschaving zoals wij die kennen niet lang meer op zich zal laten wachten. Niet alleen staan we machteloos tegenover de elementen en wonen we op slapende vulkanen, ook put onze eigen activiteit de bodem uit en vergiftigen we de lucht. Misschien zijn de zeven vette millennia voorbij en wordt het tijd voor een nieuw mensengeslacht, zoals - volgens de Romeinen - het gouden tijdperk plaatsmaakte voor het zilveren, waarna een bronzen generatie opstond, die op haar beurt werd opgevolgd door het ijzeren geslacht. De ontwikkeling van wetenschap en techniek gaat gelijk op met het verval van fysieke gezondheid en morele integriteit. We gaan naar de knoppen en verdienen niet beter. Of is dat een fout verhaal? Het is in elk geval te eenvoudig.
Een van de meest aangrijpende rampen is de bijenverdwijnziekte, officieel Colony Collapse Disorder (CCD) geheten, die nu al enkele jaren wereldwijd de imkerij treft. Vele mogelijke oorzaken worden genoemd, van parasieten tot landbouwgif, van hoogspanningskabels tot genetische mutaties, maar de ware boosdoeners zijn nog niet gevonden, laat staan dat er een remedie is. Een recent artikel in het webtijdschrift PLoS ONE laat zien dat het uitsterven van bijen desastreus kan zijn voor de beschikbaarheid van gezonde voeding, doordat hun rol cruciaal is bij de bestuiving van fruit- en notenbomen. Overdreven of niet, het bericht laat zien hoezeer we afhankelijk zijn van de bereidheid van kleine dieren om het ecosysteem draaiende te houden.
Dat is geen nieuws. Het indrukwekkendste gedicht uit de Latijnse literatuur, de Georgica van Vergilius, schetst in vier boeken de kwetsbare positie van de mens in een natuur die hem weliswaar heeft voortgebracht, maar hem vervolgens niet bepaald ter wille is bij zijn overleving. Geschreven omstreeks 30 voor Christus, wanneer er een einde lijkt te zijn gekomen aan een reeks bloedige burgeroorlogen, zoekt het gedicht naar een draaglijk leven in een wereld van storm, droogte, geweld en decadentie. Sinds Jupiter zijn vader Saturnus heeft verdreven is het oorspronkelijke paradijs verdwenen en moet de mens zwoegen in het zweet zijns aanschijns, waarbij hij iedere dag opnieuw de genadeloos woekerende natuur tegenover zich ziet. De godin Ceres instrueerde hem in de landbouw, maar al gauw ‘kreeg graan met plagen te kampen: kwalijke meeldauw/ vrat aan de halmen en bouwland werd ruig door verwaarloosde distels;/ korenaren verkwijnen, omhoog schiet een stekelig groeisel:/ klitten en ridderspoor; verspreid over beste akkers/ zijn wilde haver en onvruchtbaar raaigras aloverheersend’.
In zijn gevecht tegen de natuur bewapent de boer zich met allerhande gereedschap, maar succes is nooit verzekerd. Wie niet permanent alert is, kan in korte tijd alles verliezen wat hij heeft opgebouwd:

Ik heb gezien hoe zaden, met aandacht en zorg gekozen,
niettemin kiemkracht verliezen tenzij menselijke arbeid
elk jaar de grootste met de hand selecteert: zo is alles gedoemd
te degenereren en glijdt omlaag, teruggeduwd als een roeier
die met zijn riemen amper zijn bootje tegen de stroming
voort kan stuwen; wanneer hij zijn armen even laat rusten,
sleurt de rivier in haar neerwaartse
bedding hem mee naar beneden.

In deze epische strijd is de Romeinse boer een dapper krijger, maar hij hoeft het niet alleen te doen, ondersteund als hij wordt door paarden, runderen, schapen en bijen, zij het dat hij nooit volledig greep krijgt op deze bondgenoten, die zelf immers deel uitmaken van de natuur die hij wil bedwingen. Wanneer, bijvoorbeeld, merries geil worden, zijn ze niet te houden, want 'terstond als het vuur in hun gretige harten ontlaaid is/ (vooral in de lente, want in de lente verhit zich hun lichaam),/ staan ze op hoge rotsen, hun hoofden gekeerd naar het westen,/ vangen de lichte bries en vaak - het klinkt als een wonder -/ worden zij dan bevrucht door de wind en vluchten uiteen/ over stenen en rotsen, door diepe, verzonken dalen’. Het contrast tussen de hoge toppen en de diepe dalen houdt Eros en Thanatos in evenwicht.
Met zo'n merrie komt het uiteindelijk wel goed, erger is de dreiging van giftig ongedierte. Zo spreekt Vergilius van een Calabrische waterslang, die zijn 'niet te verzadigen/ donkere keelgat’ aanhoudend volpropt met 'vissen en kwakende kikkers’. Maar als het moeras in de zomer verdroogt, 'springt hij aan land en terwijl hij zijn vlammende ogen laat draaien,/ is hij, door dorst en hitte geprikkeld, een schrik van de akkers’. Je kunt beter niet in het gras gaan liggen slapen als hij, 'verjongd van huid en glimmend van nieuwe krachten,/ jongen of eieren achterlaat en kronkelend voortglijdt,/ steil naar het zonlicht, en zijn gevorkte tong laat flitsen’. Het feit dat de slang periodiek zijn huid aflegt, symboliseert het cyclisch verloop van natuurlijke processen, hetgeen blijkbaar niet per definitie hoopgevend is.
Doordat het eerste boek is gewijd aan akkerbouw en meteorologie, het tweede aan de wijnstok en de olijfboom en het derde aan vee, wordt de verwachting gewekt dat het laatste boek bij wijze van climax de mens centraal zal stellen, maar verrassend genoeg wordt daar de microkosmos van de bijen bezongen. Van meet af aan maakt de dichter op licht weemoedige toon duidelijk dat de bijenwereld, met zijn strakke hiërarchie, complexe arbeidsdeling en vernietigende oorlogjes, de menselijke samenleving weerspiegelt. Maar bijen zijn wonderbaarlijke wezens, aangezien zij honing uit de hemel puren en voor het voortbestaan van de soort niet van geslachtelijke voortplanting afhankelijk zijn: zij 'verzamelen zelf met hun mond het broedsel, geboren/ uit bladeren en geurige kruiden, leveren de koning en jonge/ burgers, vernieuwen de wassen hoven en koninkrijken’.
De tweede helft van dit vierde boek vertelt het verhaal van de archetypische landbouwer Aristaeus, die zich ineens ziet geconfronteerd met een mysterieuze sterfte onder zijn bijen. Via zijn moeder komt hij terecht bij Proteus, een profetische zeegod die ongrijpbaar de ene metamorfose na de andere ondergaat maar hem uiteindelijk de oorzaak van de bijenziekte onthult. Aristaeus had, blind van seksuele vervoering, de nimf Eurydice achtervolgd, waarbij het meisje onverhoeds op een reusachtige slang had getrapt en na een beet was overleden. Orpheus had gepoogd zijn geliefde uit de onderwereld terug te halen, maar dat was op het laatste moment mislukt omdat hij had omgekeken. Vervolgens was de ontroostbare zanger door extatische Bacchanten aan stukken gescheurd. Nu moet Aristaeus boeten voor het onheil dat hij zonder het te weten heeft aangericht. Om zijn bijen terug te krijgen dient hij vier stieren en vier maagdelijke koeien te slachten en de kadavers in het bos achter te laten.
Wanneer hij na negen dagen terugkomt, aanschouwt hij een wonder:

op het rottende vlees in de buik van de runderen
zoemen bijen, ze zwermen uit de gebarsten flanken,
enorme wolken trekken voorbij, in een hoge boomtop
stromen zij samen en hangen als tros aan de buigende takken.

Opmerkelijk is de beeldspraak in deze regels, waar de bijen geïdentificeerd worden met regenwolken en druiventrossen - water en wijn. Het voortbrengen van nieuw leven vergt offers, dat is een van de betekenissen van het verhaal. Waar Aristaeus zich aanvankelijk als een jonge stier laat meeslepen door zijn geilheid, wat hem op zichzelf net zo min verweten kan worden als men de gekrenkte slang zijn woede kan aanrekenen, leert hij ten slotte dat alles zijn prijs heeft. Orpheus daarentegen, de oerdichter, delft het onderspit doordat hij aan het verleden vasthoudt. Maar misschien is dat wel de rol die poëzie moet spelen.
Hoe dan ook is het leven slechts mogelijk in een universum dat tevens de dood omvat. In het tweede boek rijst een boom op die, als ik me niet vergis, een fundamenteel symbool is voor de wereld van de Georgica. Het gaat om een eik waarvan de kruin 'even hoog in de lucht steekt/ als zijn wortels verzinken naar het diepe rijk van de doden’. Juist de connectie met de onderwereld maakt hem sterk:

Daarom rukken geen stormen, geen windstoot of regenbuien
hem van zijn plaats; hij blijft onbewogen en onoverwonnen
overleeft hij het komen en gaan der mensengeslachten.
Krachtige takken en armen strekt hij wijd om zich heen en
spreidt rondom uit het midden een indrukwekkende schaduw.

Schaduw is in een land als Italië van levensbelang, maar het Latijnse woord ervoor, umbra, betekent ook 'schim van een gestorvene’. De laatste drie woorden uit deze passage kunnen zo vertaald worden: zij (in het Latijn zijn bomen vrouwelijk) stut een enorme schim. De eik is het vehikel voor haar eigen ondergang.
Het derde boek eindigt met een gruwelijke veepest, die associaties oproept met de veterinaire epidemieën die we de afgelopen vijftien jaar voorbij hebben zien komen. 'Arbeid, verdienste, zware grond met een ploeg bewerken’, aldus de dichter, 'wat baat het?’ Het punt is dat we geen alternatief hebben, omdat we nu eenmaal met velen zijn en moeten eten. Zelfs afschaffing van de bio-industrie zal de dood niet uitbannen.

Vergilius, Georgica: Landleven, vertaald door Piet Schrijvers, Historische Uitgeverij, 140 blz., € 27,50