PORTRET VAN AHMED MARCOUCH

De Schaefer van Slotervaart

Stadsdeelvoorzitter Ahmed Marcouch is het voorbeeld van de geslaagde allochtoon en tegelijk de belichaming van het socialistische verheffingsideaal. Maar met de scheiding van kerk en staat neemt hij het niet zo nauw.

‘IK GELOOF DAT WILDERS oprecht bang is voor de islam. Laten we die angst aanpakken door niet langer te zwijgen. Moslims, kom uit de kast en durf gevoelige onderwerpen binnen het geloof, zoals de vrijheid van het individu en homoseksualiteit, te bespreken’, aldus Ahmed Marcouch tijdens een lezing die hij april vorig jaar hield voor een zaal vol jonge moslims. Deze lezing, uitgezonden door de Nederlandse Moslim Omroep, wekte de toorn van salafistische imams die hem een munafiq, een hypocriet, noemden. Een moslim die zich voor moslim uitgeeft, maar niet gelooft. Bij Pauw & Witteman sprak imam Fawaz van de radicale Haagse As Soennah-moskee daarop de fatwa uit over de Amsterdamse stadsdeelvoorzitter van de PVDA. De rel werd gesust, maar de strijd wie namens ‘de islam’ mag spreken gaat op het internet, in moskeeën en in de politiek volop door. Marcouch vindt dat positief, want ‘door confrontatie binden we de strijd aan met onverdraagzame en haatdragende imams en hun groeiende aanhang’.
Ahmed Marcouch (1969) heeft een missie, zoveel is na twee jaar voorzitterschap in Slotervaart wel duidelijk. Volgens hem is het vijf voor twaalf en is het tijd voor een offensief. Zijn doel is de negatieve spiraalwerking van de maatschappelijke achterstandspositie van moslims te doorbreken. Dat doet hij met stevige middelen, zowel in woord als in daad. Hij grossiert in ongezouten kritiek op bepaalde facetten van de islam en het gebrek aan zelfkritiek binnen het geloof. De groepsdwang weerhoudt moslims er volgens hem van zich te ontwikkelen tot actieve burgers. Hij zegt: ‘Het is kiezen tussen baan of baard.’ Of: ‘Moslims maken zich druk over futiliteiten als handen schudden of kledingvoorschriften. Tegelijk zie je de werkloosheid groeien.’ Tegenover ‘slachtofferallochtonen’ (een term die hij graag hanteert) stelt hij: ‘Er is maar één werkelijkheid, en dat is blokken, goede cijfers halen, solliciteren en werken. Dat is hard. Het liefst horen ze dat iedereen werkloos is omdat alle bedrijven discrimineren.’
Met probleemjongeren heeft hij in zijn wijk geen geduld. Door sociale controle en door te dreigen met het korten op de uitkering, door de inzet van straatcoaches en hard politieoptreden probeert hij de overlast zo veel mogelijk te beperken. De ouders worden direct op het gedrag van hun kinderen aangesproken, net als een deel van de welzijnswerkers die volgens hem te lang slap zijn meegegaan in het steunen van het slachtofferschap. ‘Bewoners beseffen dat ze zelf verantwoordelijk zijn voor de sfeer in hun wijk’, zegt hij in een interview met HP/De Tijd.
Marcouch is een verademing. Hij is succesvol waar zijn autochtone voorgangers faalden door angstvallig om de hete brij heen te draaien. Voor zijn stijl oogst hij bij vriend en vijand lof. Eindelijk heeft de PVDA iemand die de verlammende theoretische discussie over integratie en de islam binnen de partij doorbreekt. Hij is het voorbeeld van de geslaagde geïntegreerde allochtoon en tegelijk de belichaming van het oude socialistische verheffingsideaal. Een volksheld van het type Jan Schaefer, die opgroeide in een eenvoudig milieu en zich door zelfstudie en hard werken omhoog werkte tot bestuurder. Marcouch komt van héél ver, wordt met heilig ontzag gezegd in de partijgelederen.
Zijn levensloop vertoonde aanvankelijk het bekende patroon binnen de gastarbeidersgezinnen. Ahmed Marcouch kwam als tienjarige analfabeet uit een Marokkaans kustdorpje naar Nederland, samen met acht broers en zussen, om te worden herenigd met zijn werkende vader in Amsterdam. Zijn moeder was inmiddels overleden en zijn vader kreeg met zijn tweede vrouw in Nederland nog eens vijf kinderen. Alle ingrediënten waren aanwezig voor het excuus dat zijn landgenoten aanvoeren voor hun maatschappelijk zwakke positie.
Maar Marcouch deed het anders: op de Montessorischool leerde hij in twee jaar Nederlands en lezen en schrijven. Hardop dreunde hij tijdens zijn krantenwijk de woorden uit de krant op om zichzelf te disciplineren. Daarna ging hij naar de mts, werkte tien jaar bij de Amsterdamse politie, waar hij opviel vanwege zijn volharding om Marokkaanse criminelen te arresteren. Als leraar maatschappijleer aan het ROC en manager jeugdbeleid bij de Amsterdamse gemeente zag hij de vervroegde schooluitval van jongeren met lede ogen aan. Landelijke bekendheid verwierf hij tijdens de turbulente dagen na de moord op Theo van Gogh als woordvoerder en bestuurslid van de Unie van Marokkaanse Moskeeën in Amsterdam. Hij keurde het gedrag van jongens die steun betuigden aan de moordenaar ondubbelzinnig af. Dat viel op bij de Amsterdamse PVDA en hij werd meteen boven aan de kandidatenlijst geplaatst voor de verkiezingen voor het voorzitterschap van Slotervaart.
Marcouch trad in 2006 aan als eerste Marokkaanse en islamitische stadsdeelvoorzitter van Nederland. Dat geldt in een wijk met 45.000 mensen als een soort burgemeesterschap. ‘Supercop im Rathaus’, kopte het Duitse Die Zeit een jaar later in een jubelend artikel over de aanpak van de Hollandse modelallochtoon. ‘Hij komt uit het milieu van Marokkaanse jongeren, woont tussen hen, spreekt hun taal, maar zegt dat de enige taal de wet is.’
Marcouch komt inderdaad van ‘heel ver’, maar dat maakt hem niet onaantastbaar als ‘knuffelallochtoon’. Zeker, hij is een charmante man die bevlogen redeneert, en is zeer mediageniek. De inhoud van zijn betogen maakt hem razend populair bij autochtonen én bij allochtonen met maatschappelijke ambities die lijden onder de negatieve beeldvorming. Toch oogst de bewierookte politicus langzamerhand ook kritiek. Want waar staat hij zélf precies? Hem wordt verweten – door partijgenoten en Amsterdamse bestuurders van andere partijen – dat hij een dubbele agenda heeft: als sociaal-democraat pleit hij eigenlijk voor een religieus reveil; met de scheiding van kerk en staat neemt hij het niet zo nauw.
Die ‘andere agenda’ manifesteert zich bij kleine incidenten. De weigering van straatcoaches om vrouwen om religieuze redenen een hand te geven praat hij goed. In Buitenhof pleitte hij voor hoofddoeken bij de politie. Dat zette bij drie ‘dissidenten’ van de Amsterdams PVDA kwaad bloed. Zij vonden zijn opstelling in strijd met de neutrale, seculiere overheid. ‘De islam is geen probaat middel tegen maatschappelijke kwalen en de drift om zijn religie te promoten is in strijd is met het seculiere karakter van de PVDA’, schreven zij vorig jaar in een open brief.
Dezelfde weerstand wekte hij onlangs met zijn pleidooi voor islamonderwijs op openbare scholen. Wethouder Lodewijk Asscher zag niets in zijn onderwijsplannen. Helemaal slecht viel twee weken geleden zijn plan voor een fusie van een aantal westelijke tuinsteden tot het superstadsdeel Nieuw-West, ‘waar een bloeiende moslimgemeenschap’ kan ontstaan. En daarmee houdt de kritiek niet op. In het boek De moslim bestaat niet (2005), geschreven door PVDA-Kamerlid Saimia Abbos, laat Marcouch zich positief uit over de omstreden Egyptische ideoloog van de Moslim Broederschap Youssough Al Qardawi, die hij beschrijft als ‘een boegbeeld in de islamitische samenleving, een Korangeleerde en groot wetenschapper die ik raadpleeg als ik dingen niet begrijp’. Recentelijk bleek dat hij in 2005 had geprobeerd om 150.000 euro subsidie te krijgen voor een congres met Al Qardawi als gastspreker. De Amsterdamse CDA-fractie vroeg in 2007 om opheldering over zijn voorkeur voor deze ideoloog, die onder meer pleit voor een separate samenleving voor moslims, homoseksualiteit afkeurt en zelfmoordaanslagen goedkeurt. Partijgenoot Eddy Terstall schreef op een partijweblog: ‘Ahmed zal geen sta-in-de-weg zijn bij de invoering van elementen van de sharia.’ Een islamoloog wees naar aanleiding van een foto van Marcouch bij een interview in de Volkskrant op een boek van twijfelachtige signatuur in diens boekenkast. In de schaduw van de Koran, een commentaar op de Koran, is een virulente aanval op joden, de rechtsstaat en vrouwenemancipatie. Is dat een geraffineerd signaal voor zijn achterban?
Naar aanleiding van de ruzie tussen Marcouch en imam Fawaz over wie namens ‘de islam’ mag spreken, schreef de Marokkaanse student Sabra Dahhan vorig jaar: ‘Een bestuurder dient zich te richten op de essentiële vraag waaróm er jonge Marokkanen zijn in Nederland die ondanks hun vaak geslaagde positie in de samenleving vatbaar zijn voor haatdragende fundamentalistische ideeën binnen de islam. Marcouch gaat een stap verder, hij impregneert zijn overtuiging dat wie de islam volgt, zal slagen in de maatschappij, in de hedendaagse politiek. Als hij de imam in hem niet kan bedwingen, moet hij zijn functie als stadsdeelvoorzitter opzeggen, een djellaba aantrekken en naar de microfoon in een moskee grijpen.’
Dahhan stelt de islamitische benadering van de migrantenproblematiek aan de kaak. ‘Marokkaanse jongeren worden aangespoord middels de islam de kracht te ontwikkelen om in deze samenleving hun draai te vinden. Daarmee krijgen de moskeeën een machtspositie die vatbaar is voor radicalisering. De kern van de ontstane problemen ligt dus niet alleen bij de geïsoleerde positie van veel Marokkaanse jongeren door het veranderde Nederlands politieke en maatschappelijke klimaat, maar ook bij het middel dat wordt aangereikt om zich te weren tegen dat klimaat.’
De terugkerende kritiek op zijn dubbele agenda maakt Marcouch moeilijk te duiden. Net als zijn partijgenoot Aboutaleb doorbreekt hij het klassieke politieke schema van rechts en links en ook bij hem moeten stereotyperingen over moslims en allochtonen worden losgelaten. Beiden bedienen zich van wat jarenlang gold als rechtse retoriek en opereren ouderwets autoritair. Ze hebben kritiek op de islam, zijn voorstander van zero tolerance op straat en spreken ouders aan op de opvoeding. Tegelijkertijd liggen hun diepreligieuze overtuiging en opvattingen over de islam als veilige haven voor persoonlijke en daarmee maatschappelijke verheffing lastig binnen het socialisme.
Marcouch en Aboutaleb zijn een nieuw type politicus: een conservatief, religieus geluid in een linkse, seculiere partij. Ze zijn realistisch en niet utopisch over de multiculturele samenleving en eerder pragmatisch dan ideologisch. Als Marcouch pleit voor religieus onderwijs binnen openbare scholen met alleen moslimkinderen in de banken doet hij dat niet omdat hij artikel 23 van de Grondwet principieel aan de orde wil stellen. Hij wil daarmee een dam opwerpen tegen de islamitische zaterdagscholen, de madrassa’s, waar buitenlandse imams kinderen injecteren met radicale denkbeelden waarop de overheid geen vat heeft. Marcouch zit op dezelfde lijn als Wouter Bos en Tariq Ramadan. Dat maakt hem tot een belangrijke bruggenbouwer, zeker nu de economische malaise de samenleving diep gaat beroeren. Als antwoord op radicalisering en Geert Wilders verdient hij voorlopig het voordeel van de twijfel.