De schatkamer van august sander

Hij bracht een doorsnede van het Duitse volk in beeld. Voorname notabelen, mondaine jongeren, boerendeernes. Maar ook gevorderde fascisten en vervolgde joden. Het werk van fotograaf August Sander (1876-1964).

OP HET EERSTE gezicht maakt Keulen een kalme indruk, sloom zelfs. Dames en heren voorbijgangers, straatveger en kleerhangerverkoper op de hoek van het warenhuis lopen een allerminst revolutionaire mode achterna. De paardestaart van de aardbeienventer past iets beter in de tijd, maar de vrouw die bedient in het restaurant dat je naar binnen lokt met de aanprijzing van hun gutburgerlichen Kuche, zou zo met een gevorkte tak achter de ossen kunnen aan sloffen.
Uit cafe Bauturm in de Aachenerstrasse, open van 8 uur ’s morgens tot 3 uur ’s nachts en vol met keuvelende jongeren, stijgt geen geur van afwijkende gedachten op. Het meest geruchtmakend is de prijslijst die naast een geslaagde benadering om alle aardse alcohol binnen de muren te krijgen, een City-Fruhstuck aanbiedt dat uit een kop koffie en een aspirine bestaat en een, antieker kan het niet, Existentialisten-Fruhstuck dat ook met koffie begint maar daarna onmiddellijk eindigt met een sigaret, de bekende Roth-Handle.
In een ruime boekwinkel met de firmanaam Droste, waar hier en daar een makkelijke stoel staat om de Keulse moeilijke uren op makkelijke wijze door te komen, is een paneel met vertalingen uit het Nederlands aangebracht. Weinig Claus en veel Nooteboom. Het meisje dat je zo het omvangrijke boek van August Sander, dat in een grote stapel klaar ligt, zou kunnen verkopen, heeft een bijzonder onafhankelijke neus die als een elegante vork van vlees de wereld inprikt. Ter rechterzijde een door de kapper met de uiterste vingertoppen geboetseerde driehoek van haar, als een dichte donkerbruine voile vallend over een ranke hals die zich haar mogelijkheden goed bewust is.
TER GELEGENHEID VAN de dertigste sterfdag, op 20 april 1994, van de Duitse fotograaf August Sander en het twintigjarig bestaan van Schirmer/Mosel-Verlag brengt deze uitgeverij een goedkopere, ingenaaide editie van Sanders unvollendete levenswerk Menschen des 20. Jahrhunderts in de handel. Een kloeke verzameling portretfoto’s, gemaakt tussen 1892 en 1952, die beogen een definitieve doorsnede van de Duitser te zijn.
Een eerste keuze daaruit werd door de fotograaf zelf in 1929 gepresenteerd onder de titel Antlitz der Zeit. Alfred Doblin vergeleek destijds de foto’s met de woorden van een filosoof. De sociologie omarmde zijn arbeid om er haar theorieen en conclusies aan te verbinden. Vanaf het moment dat de fotografie de kunstgeschiedenis binnenviel, ontbrak de naam van Sander in geen enkel standaardwerk en sindsdien zijn sommige van zijn beelden vrijwel doodgeciteerd.
August Sander gaf zijn werk een als pamflet geschreven beginselverklaring mee, waarin hij zei een absoluut natuurgetrouw tijdsbeeld te willen leveren. Hij stelt dat hij de dingen ziet zoals ze zijn, niet zoals ze zouden kunnen of moeten zijn.
In de voortreffelijke uitgave gaan zestig pagina’s tekst aan deze schier eindeloze fotografische schatkamer vooraf. Vooral het eerste hoofdstuk houdt niet altijd gelijke tred met het streven naar duidelijkheid van Sander zelf. Maar alleen al het smullen van de vele Germaniana, die onder het oog samensmelten tot termen als gravitatisch-manirierte Reinkultur versluiert het uitzicht op de betekenis ervan in aangename mate. De schrijver Ulrich Keller tracht in een kluwen van woorden, die bij het minste geringste in de war raken, het verschil tussen de afbeelding van twee boerenmeisjes en een pianosolist duidelijk te maken. Je kunt ook alleen naar de foto kijken, dan zie je dat misschien vanzelf wel.
Uiteraard ontkomt hij niet aan het beschrijven van de foto’s. De arme pianist, op weg naar zijn dagelijks brood, verwerkt hij tot een te klein uitgevallen ijdele spin. De lieve meisjes legt hij gedachten in het hoofd die ze nooit hebben kunnen dromen. De biografie in het tweede hoofdstuk laat een wat gematigder Keller, die alle tekst in het boek voor zijn rekening neemt, aan het woord. Een bondig verslag van de veelzijdig van indrukken voorziene jeugd van Sander maakt al iets duidelijk over zijn latere onbevooroordeelde blik.
Geboren in 1876 als kind van een timmerman/boer brengt hij tussen landarbeiders en mijnwerkers zijn jeugd door in een klein maar mooi dal in het Siegerland, waar de eerste vormen van industrie zich op dat moment nog harmonisch naar het landschap voegen. Hij ondergaat een gedegen fotografische opleiding, deels in Wanderjahre vervat, en een kortstondige leertijd aan een kunstacademie. In Linz verwerft hij zich een eigen studio; het huwelijk met de dochter van een griffier stimuleert hem zijn culturele kennis te verruimen. Hij voelt zich kunstenaar, kleedt zich als zodanig en heeft een reproduktie van het zelfportret van Rembrandt met Saskia op een ereplaats in zijn huis hangen.
In 1909 verruilt hij zijn veilige Linzer bestaan als gerespecteerd fotokunstenaar en notabel om onduidelijke reden voor een leven in de stad Keulen. Aanvankelijk is dat geen succes. In Keulen wordt de voorkeur gegeven aan gladde massafotografie waarvan Sander juist het tegendeel aanhangt, zoals hij in 1907, in een aan potentiele klanten gestuurde Werbebrief, bericht: ’…das Charakteristische, das Anlage, Leben und Zeit dem Gesicht eingepragt haben, auch darin zu lassen…’
Het burgerdom heeft geen oog voor zijn eerlijke benadering die merkwaardig genoeg juist bij de boerenstand in de nabijheid van Keulen wel in goede aarde valt. Van gerespecteerd atelierkunstenaar wordt hij een onbekend reizend fotograaf die met des te meer plezier de hem vertrouwde landman en - vrouw, wier dialect hij ook sprak, in beeld brengt.
KELLER STELT DAT zijn verscherpte opmerkingsgave en inmiddels bredere horizon hem een nieuwe kijk op de plattelandsbevolking geven. Daar ligt het begin van zijn ‘sociaal-culturele’ fotografische kijk op het Duitse volk. Hij verlaat de door anderen gegeven opdracht, maar kiest zijn eigen motieven, zoals zou moeten blijken uit de foto Jonge boeren op weg naar een dansfeest. In plaats van portretteren is hier voor het eerst sprake van signaleren: met name de nieuwe mondaine neigingen van de jongere generatie, die in opvallende tegenstelling zijn met de rigoureuze zeden van de ouderen.
In 1955 geeft Edward Steichen deze foto een plaats in zijn befaamde tentoonstelling The Family of Man. De inmiddels al 42 jaar oude scene wordt wereldberoemd en zal vervolgens, zodra er ergens een discussie over fotografie oplaait, als bewijs voor de onomstotelijke waarde daarvan worden geciteerd.
Pas na de eerste wereldoorlog bracht Sander bewust een nieuwe wending aan in zijn werk, door zich aan te sluiten bij de Rheinische Progressiven. In 1922 verlaat hij, gestimuleerd door de schilder Franz Wilhelm Seiwert, definitief de weg van de schilderkunstige benadering om zich geheel aan de exakte Photographie te wijden. Ideaal was vanaf dat moment de scherpe en heldere portretfoto die als een technisch produkt herkend mag worden.
Hij drukt zijn foto’s inmiddels af op glanzend papier dat normaal niet voor portretopnamen wordt gebruikt en brengt een schifting in zijn archief tot stand waarbij alleen die 'kunstfoto’s’ worden geselecteerd die een documentaire waarde vertegenwoordigen. Daardoor onstaat ook voor het eerst de gedachte om door middel van fotografie een doorsnede van de Duitse bevolking in beeld te brengen. Hij stelt hiervoor een plan op dat begint met de 'aan de aarde gebonden mens’: de boeren waar hij vertrouwd mee is. Als tweede categorie kiest hij de filosoof, waarna voorts de hervormer en de geleerde aan bod zullen komen. Hij werkt even nauwgezet aan dit schema als aan zijn foto’s. In 1924 komt hij tot een voorlopig definitieve indeling in zeven groepen die samen veertig categorieen omvatten.
HET HEEFT WEINIG ZIN om op zoek te gaan naar zijn sporen in Keulen, waar Sander zijn meeste modellen vond en een groot deel van zijn leven doorbracht. Maar als je er toch eenmaal bent, kan het geen kwaad om wat om je heen te kijken.
In een taxi naar de Zeppelinstrasse. Een vreemd verlangen. Ontstaan door het kijken naar de uit 1932 stammende positieve derrieres van een paar bloemenvrouwen in het ochtendlicht van die straat. Het is allang geen straat meer maar een geplaveide voetgangersweide. Een gapende kloof tussen hoge winkels, grote glazen puien waarachter amorfe luxe blinkt.
Een thuisloze, of hoe dat in dit land heet, stijgt op van het trottoir. Hij heeft een ervaren voorkomen, niet in het minst door een glinsterend messingkleurig patina op zijn bolle wangen dat hem beschermt tegen de Keulse rukwinden. Vanonder strikt horizontale snor klinkt zorgvuldig gemompel. In een zijstraat tref ik een zeer stadse dame. Ze doet boodschappen en koopt juist een theekleurige hortensia. Het merkwaardige is alleen dat zij zich bij het gaan van winkel naar winkel van een splinternieuwe autoped gebruik maakt. Ontsnapt uit Emil und die Detektiven.
Niets is verleidelijker dan in te spelen op de luiheid van de kijker en hem bij de foto nog een kleine gedachte toe te leveren. Je vraagt je af hoe je mooi en lelijk moet scheiden wanneer je naar de foto van de magistrale grootmoeder met duivels kleinkind kijkt; de ongewilde spotprenten als van de notaris met Hut, Hund und Stock; de gekrompen leraar, dwarsgezeten door zijn potsierlijk lichaam en de bedekking daarvan.
Sander was allesbehalve een nazi - in 1929 was zijn werk al in ongenade gevallen, en hij heeft het gezelschap van entartete kunstenaars nooit vermeden. Tussen 1934 en 1945 werkte hij aan een map over vervolgde joden. Voorts waren er plannen voor series met de titel Die Frau als National-Sozialistin en Heim ins Reich. Tot de taak die hij zichzelf oplegde hoorde ook het bewaren van beelden van nationaal-socialisten in de dop en al uit het ei: gevorderde fascisten die in 1938 allang aan het werk waren.
Zijn reeks Verfolgte Juden werd in het boek opgenomen. Hoewel de foto’s van Sander in zekere zin dienstbaar waren, gaf juist zijn heldere benadering een aanwezige schoonheid al haar kansen. Veel van de vrouwen zijn erg mooi, zoals het jonge meisje met de twee verschillende ogen of de vrouw van de schilder Peter Abelen. De foto van de Rundfunksekretarin is van een bijzondere, geserreerde elegantie. Ze heeft de blik van een waakzame vogel en haar sigaret in veilige nabijheid van de mond. De pose komt treffend overeen met het bekende portret dat de schilder Otto Dix maakte van de journaliste Sylvia von Harden.
Alleen blijkt bij het vergelijken van de jaartallen dat het schilderij vijf jaar eerder ontstond dan de foto. Zou Sander de secretaresse de houding hebben gegeven die zijn vriend Dix eerder aan Harden toebedeelde? Zijn er misschien nog andere expressionistische werken in zijn typeringen terug te vinden?
Sommige foto’s vliegen weg op hun eigen charme, zoals het portret van de schrijver Claus Clausen, terwijl enkele foto’s van oude echtparen aan een gebutst peper- en zoutstel doen denken.
Beroemde namen: Hausmann, Hindemith, Strauss (Richard) en de niet-beroemde dirigent die Abendroth heet. Daar is de pianist weer, hij heet Max van der Sandt. Hij is zelf een warm aangeklede vleugel geworden die nooit uitging zonder een partituur van Beethoven onder de arm.
Soms zie je een foto van Irving Penn voorbij komen, van Cartier-Bresson of Diane Arbus. Sanders oeuvre is groter dan alleen de foto’s die hij zelf maakte. Er zijn schokkende portretten bij. Misschien niet eens wanneer je ze als mens ooit zag op een vrolijke Duitse boerenbruiloft. Maar zodra Sander het gezicht van de bruid heeft geisoleerd, huiveringwekkend van echtheid, barst de hel los.
Als laatsten in het boek de blinden en de dwergen, en ook een slachtoffer van een explosie. Een vrouw die een kikker is geworden. Haar donkere bril doet veronderstellen dat ze ook blind is. Ze heeft haar eigen dubbel en dwars gestreepte kikkervel waarschijnlijk nooit gezien.
Dan nog de foto van de twee boerenkinderen, gemaakt in 1927. Wat de foto moest weergeven, werd vooruit gestuurd in de tijd. De kleine meisjes was misschien ook iets beloofd. Ze blijven ontgoocheld achter. Behalve een flauw geritsel in het eerst zo betekenisvolle apparaat is er niets gebeurd. Ze kijken naar niets. Het moment waarop iets glorieus had moeten plaatsvinden, is ze ontnomen. Toch een wonder dat het zoveel later terugkomt.
IN ZIJN LAATSTE levensjaren werd August Sander bezocht door de beroemde Amerikaanse fotografe Imogen Cunningham. Zijn vrouw was dood, hij leed sindsdien aan depressies en woonde ergens alleen op de eerste verdieping van een boerderij. Cunningham vertelt in een interview dat hij er slecht aan toe was. Ze had best foto’s van hem willen kopen, maar van wat hij liet zien, vond ze de kwaliteit niet hoog genoeg. 'Hij wist zelf niet meer wat goed of slecht was in zijn werk’, klaagde ze.