De schedellichting van de criticus

Carel Peeters, Conflictstof, Uitgeverij De Harmonie, 151 blz, \f32,50
De gedachte ligt voor de hand: als iemand zich genoodzaakt ziet zijn professie in een gloedvol pleidooi te verdedigen, voelt hij zich in het nauw gedreven. Percy Shelley was in ieder geval getergd toen hij in 1821 zijn vermaarde Defence of Poetry schreef. Zijn vriend Thomas Love Peacock had in een wat frivole geschiedenis van de Engelse literatuur gesteld dat de poezie in een tijd van wetenschappelijke en technologische vooruitgang nutteloos was geworden. Shelley reageerde fel: in een materialistische wereld past juist de verdediging van de poezie. Want terwijl ratio en wetenschap niet meer dan de oppervlakte van verschijnselen verklaren, is in de goddelijke dichtkunst ‘echte’ kennis te vinden. De dichter heeft dan ook een verheven taak: hij is een ziener en moreel leider van de samenleving - ‘Dichters zijn de niet erkende wetgevers van de wereld.’ Enfin, de romantische hoogdravendheid van Shelleys betoog is genoegzaam bekend.

Je zou kunnen zeggen dat Carel Peeters al meermalen een ‘Defence of Criticism’ heeft uitgevaardigd. Nu is het natuurlijk mooi en nuttig als een criticus zijn kritisch credo expliciteert, als hij iets onthult van zijn poetica, zijn gedachten over de plaats van literatuur in de maatschappij, zijn literaire voorkeur. In zijn eerste essaybundel uit 1976 biedt literatuur Peeters, zoals de titel aangeeft, 'avontuurlijk uitzicht’. De criticus gaat uit nieuwsgierigheid op avontuur en komt terug met gedreven reisverhalen over hoe mooi, slecht, spannend, ontroerend, grappig of hartverscheurend het is geweest.
Aan de reiziger stelt Peeters nogal wat eisen: hij wordt gedreven door passie, weliswaar in evenwicht gehouden door zijn denken; hij heeft een analytisch vermogen en bezit niet zomaar ideeen, maar persoonlijke ideeen; hij legt verbanden tussen verschillende soorten ideeen en kennis; verbindt literatuur met 'wat er verder op de wereld wordt gedacht en gedaan’; gebruikt informatie uit de filosofie, psychologie en sociologie; en hij heeft talent. Want, laat daar geen misverstand over bestaan, kritiek is een kunst. Enfin, Peeters denkbeelden over het edele ambacht zijn inmiddels genoegzaam bekend.
ZIJN NIEUWSTE essaybundel Conflictstof besluit Peeters met een 'schedellichting’ van de criticus. Die pijnlijke operatie geeft vooral zicht op de al bekende anatomie. Voor het bedrijven van kritiek is een ongewone manier van denken nodig: eigenzinnig en nieuwsgierig. Het is 'riskant werk’ omdat je louter af moet gaan op je eigen smaak. Niet alleen het besproken boek moet in een kritiek uit de verf komen, ook de persoonlijkheid van de criticus zelf. Elke kritiek moet worden gekleurd door de 'ideografie’ van de criticus, dat wil zeggen 'door het patroon dat gevormd wordt door zijn voorkeuren, zijn opvattingen en ideeen over literatuur, gevoegd bij wat hij over cultuur, filosofie, psychologie en geschiedenis denkt’.
Omstandig zet Peeters uiteen dat het oordeel van de criticus samenhangt met zijn temperament, zijn kennis van en verhouding tot de literatuur en de wereld, zijn verwachting, zijn mensbeeld, zijn moraal. Tja, je zou toch zeggen dat ieder enigszins ontwikkeld mens een 'ideografie’ heeft en dat daar geen schedellichting voor nodig is. We hoeven onze geestelijke bagage toch niet in doorzichtige plastic koffers met ons mee te dragen?
De vraag is eigenlijk waarom Peeters het nodig vindt om wederom een 'Defense of Criticism’ te formuleren. Hij heeft al zo vaak aangegeven dat hij een brede, persoonlijke, subjectieve, levensbeschouwelijk geinspireerde benadering van literatuur voorstaat, dat de nobele, tijdloze en nogal obligate algemeenheden in Conflictstof mij, hoezeer ik er ook mee instem, vooral irriteren. Het is opmerkelijk dat iemand die pleit voor het leggen van (maatschappelijke) verbanden geen woord vuil maakt aan de context waarin de hedendaagse criticus moet opereren. Je hoeft maar te denken aan een paar trefwoorden daaruit: cultuurindustrie, Ako'isering, de invloed van de boeken-toptien, het toenemend belang van de nieuwswaarde van literatuur, de explosieve toename van het boekenaanbod, et cetera. Nu lijkt het vooral of Peeters parmantig zijn pauweveren wil laten zien. En lijkt het bovenal ijdel als over de literaire kritiek wordt gezegd: 'Er is geen literair genre dat lezers zo wakker weet te houden en zozeer het beste in hem naar boven haalt.’
Het is Peeters, zo blijkt uit de bundel, natuurlijk wel degelijk om meer te doen dan het bezingen van het eigen kunstenaarschap. Hij keert zich vooral tegen de vrijblijvendheid die hij in literatuur en literatuurbeschouwing ontwaart. Die vrijblijvendheid constateert hij bij critici die geen persoonlijk stempel op hun kritiek drukken, maar meer nog bij de door het virus van het postmodernisme aangestoken denkers die alles even prachtig vinden. Zo kappittelt hij Yves van Kempen en Anthony Mertens voor het 'vrijelijk rondkijken’ in hun artikel over het Nederlands proza in Het literair klimaat 1986-1991. Zij hebben geen keurig verkaveld landschap van de nieuwste literatuur gepresenteerd, omdat ze inzien dat elke ordening maar 'een verhaal’ is, een toevallig 'arrangement’. Dat riekt naar een 'postmoderne gedachtenwereld’. Zo neemt hij ook in het stuk over Umberto Eco’s Over interpretatie afstand van de vrijblijvende pragmatist Richard Rorty: 'Het pragmatisme zegt immers dat het object er zelf niet toe doet, wat er toe doet is het gebruik dat je ervan maakt voor je doeleinden, bijvoorbeeld het schrijven van een leuk stuk.’ En zo verwerpt hij ook de Ironicus - met hoofdletter -, dat specimen van de menselijke soort dat in de twintigste eeuw zo alom aanwezig is, en kenschetst hij deze als angsthaas, lafaard, allemansvriend en alleseter. Iemand die van alles eerst de relativiteit inziet, de postmoderne standaardpraatjes over het einde van de ideologieen en het failliet van de grands recits omhelst en geen opinies heeft omdat hij inziet dat alle opinies per definitie subjectief zijn. Tegenover het ironische gebrek aan stellingname plaatst Peeters 'de kunst een mening te hebben’ - 'Daar is zelfs moed voor nodig’, voegt hij eraan toe.
BOOD LITERATUUR eerst nog een avontuurlijk uitzicht, nu is zij conflictstof. De gedaante van de onbevangen reiziger die Peeters eerst aannam, heeft plaatsgemaakt voor die van de wat norse, teleurgestelde leraar die maar met moeite te overtuigen is van het talent van zijn leerlingen. Literatuur moet, zo legt hij in het 'Vooraf’ van Conflictstof uit, door zijn weerstand heen breken. Er is niet veel voor nodig om de 'onlustfabriek’ bij de criticus in werking te zetten, want 'de natuurlijke stemming van de criticus is een vaag onbehagen dat door het lezen weggewerkt wil worden’. Het moge duidelijk zijn: in Conflictstof komen de schrijvers aan bod die Peeters niet van zijn onbehagen af hebben kunnen helpen.
Moed om een mening te hebben kan Peeters niet worden ontzegd, het is alleen jammer dat hij zoveel interessante vragen onbeantwoord laat. De eerste confrontaties in Conflictstof, met Maarten ’t Hart en Leon de Winter, zijn weinig verrassend. Over ’t Hart is wel eens eerder gezegd dat zijn boeken en denkbeelden kleinburgerlijk zijn, dat hij in zijn romans steeds weer hetzelfde voorspelbare liedje speelt en dat hij een 'afschuwelijke’ stijl heeft. De Winter verwijt hij 'literair verstoppertje spelen’: de afstand tot zijn personages is gering en dat verhult hij met een rookgordijn van virtuositeit. Natuurlijk heeft Peeters gelijk als hij wijst op de gelikte, platrealistische stijl van De Winter en de kitscherige contrasten tussen de jetset-wereld waarin zijn personages verkeren en de eenvoudige, authentieke joodse wijsheid die aan hen trekt. Maar wat mij had geinteresseerd, is de omslag in het werk van De Winter en de waardering daarvan van Peeters. Schreef Peeters in zijn bundel Houdbare illusies niet een juichend essay over De Winter? Bovendien is het bij het stuk over De Winter hinderlijk dat Peeters klakkeloos vier recensies achter elkaar heeft geplakt. Het gevolg: vier keer een wijdlopige parafrase van de inhoud van de verschillende romans, vier keer polemische uithalen naar de 'Cosmo-stijl’ van De Winter, vier keer bijkans dezelfde argumenten.
Het boeiendst zijn de botsingen met Arnold Heumakers, Connie Palmen (Het weerzinwekkende lot van de oude filosoof Socrates) en Frans Kellendonk. Daarin demonstreert Peeters het duidelijkst dat hij literatuur als onderdeel van de samenleving ziet, als een fenomeen dat even gevaarlijk kan zijn als de werkelijkheid zelf. Hij is wars van de gedetacheerde instelling van Heumakers, van diens opvatting dat in literatuur 'onleefbare waarheden’ worden getoond. 'Gedanken sind Wirklichkeiten’, citeert Peeters Nietzsche instemmend, literatuur is niet in een apart, veilig domein opgesloten.
Tegelijk laten die stukken zien hoe moeilijk het is om de ideeen in literatuur met maatschappelijke ideeen te confronteren. In de recensies over Mystiek lichaam van Kellendonk wordt Peeters al te snel de laborant die met een retort de gedachten uit de roman destilleert. In het geval van Kellendonk gaat het niet voor niets om literaire denkbeelden. Of zoals Kellendonk zelf ooit zei: 'Ik kies er niet voor niets voor om mijn ideeen in verhalen te vertellen. Dan staan ze in een context, je hebt de mogelijkheid om inclusief te denken. Het is niet goed om literatuur te versimpelen tot filosofie of sociologie.’