De scheikunde van het geluk

MINISTER WIJERS, hoewel aangekondigd, was er helaas niet, maar dat mocht de pret niet drukken. De deal was on. Vorige week woensdag sloten de Universiteit van Utrecht en geneesmiddelenfabrikant Solvay Duphar onder het genot van een glaasje champagne en het toeziend oog van enkele honderden genodigden hun ‘strategische alliantie’. Beide partijen spraken af de komende vijf jaar samen op zoek te gaan naar ‘psychiatrische pillen’, dat wil zeggen nieuwe geneesmiddelen ter bestrijding van psychische ziekten. Daarbij gaat het zowel om ernstige en chronische aandoeningen als schizofrenie, maar ook om eenvoudiger te behandelen kwalen als depressies en angststoornissen.

Voorlopig investeert Solvay Duphar een tamelijk bescheiden bedrag in de alliantie: zo'n zeveneneenhalf miljoen. Op de farmaceutische markt waar jaarlijks een slordige vijf miljard rondgaat, is dat natuurlijk pindaatjes. Maar goed, het is een begin en wie weet stopt de overheid ook nog een paar centen in de joint venture. Want dit is natuurlijk wat men in Den Haag graag ziet. De topambtenaar die Wijers in zijn plaats had gestuurd, sprak in eigentijds jargon over het ‘lage rendement van de Nederlandse kennisinfrastructuur’ en noemde de alliantie een schoolvoorbeeld van hoe het eigenlijk moet aan de moderne universiteit.
In de wereld van de beta’s is deze verstrengeling van bedrijfsleven en wetenschappelijk onderzoek natuurlijk al sinds mensenheugenis strijk en zet. De meeste research zou uberhaupt niet mogelijk zijn zonder de ruimhartige sponsoring van Philips, Unilever, Shell enzovoort. En ook het oogverblindende vuurwerk van de Ariane komt voort uit de verbinding van kapitaal en kennis. De personele unie van de archetypen professor Zonnebloem en Freddy Heineken herkent men tegenwoordig in de moderne hoogleraar-entrepreneur, die met een been in de consultancy of de bedrijfsresearch staat en met het andere been in de eerbiedwaardige academie.
Is daar soms iets op tegen? Alleen jaloerse, ouderwetse en snobistische alpha-types - persoonlijk marktwaarde: zero - zeuren tegenwoordig nog over 'foute deals’ met het bedrijfsleven. En wie leest er hedentendage nog zo'n B-tijdschrift als Maatstaf waarin de Amsterdamse historica Solange Leibovici onlangs voorstelde om in het kader van de vermarkting van de universiteit haar eigen letterenfaculteit tot hoerenkast te verbouwen (met - mmm! - haarzelf in de rol van Franse madame)?
Nog even terugkomend op de farmaceutische industrie: is niet dank zij haar inspanning een enorme vooruitgang geboekt in de behandeling en genezing van allerhande psychische kwalen? De opmars van het antidepressivum Prozac is wellicht het bekendste voorbeeld. Dank zij de ontwikkeling van psychofarmaca hebben we de scheikunde van het geluk ontdekt. De sociale psychiatrie uit de jaren zestig en zeventig (inderdaad, volledig ontspoord in de antipsychiatrie van onder andere Dennendal) heeft allang het veld geruimd voor de biologische psychiatrie die de oorzaak van alle geeste lijke narigheid lokaliseert in louter grofstoffelijke processen.
Natuurlijk is op dit biologisch reductionisme veel kritiek gekomen en zeker niet van onbevoegde zijde. De psychiater Van den Hoofdakker, beter bekend onder zijn dichterspseudoniem Rutger Kopland, stelde in zijn afscheidscollege als hoogleraar dat het geluk tegenwoordig meer en meer tot handel verwordt en dat de biologisch psychiater een drogist dreigt te worden. Vermakelijk in dit verband was zijn verbale executie van geluks- en zelfmoordgoeroe Rene Diekstra, maar belangrijker was Van den Hoofdakkers vaststelling dat de biologische psychiatrie in hoge mate politiek correcte wetenschap is, of, in mijn eigen woorden: de wetenschappelijke waan van de dag. De chemicalisering van geluk - en ongeluk - past in onze no- nonsense-cultuur, in de verwaarlozing van sociale factoren, in de fixatie op financiele besparingen: een handjevol pillen kost nu eenmaal minder dan een paar uur therapie. En wie durft te beweren dat onze samenleving een steeds vijandiger habitat wordt voor onze affectieve emoties, voor ons verlangen naar liefde en vriendschap, wordt tegenwoordig helemaal voor een naieve jaren-zestigdwaas versleten. Omdat de samenleving niet langer maakbaar is, moet de mens van nu zijn eigen gelukje maken. Met pillen dus.
Natuurlijk is er niets tegen geld verdienen. Want laat daar geen misverstand over bestaan: het gaat bij strategische kennisallianties tussen universiteit en bedrijfsleven in de eerste plaats om geld. Een enkel voorbeeld: er zijn in Nederland drie maal zoveel schizofreniepatienten als diabetici en de helft van alle psychiatrische bedden wordt door schizofreniegevallen bezet. De kosten die met deze ziekte gemoeid zijn, bedragen zo'n twee miljard per jaar. Ergo: er staat een flinke bonus op de ontdekking van het (nog altijd niet gevonden) geneesmiddel tegen schizofrenie. En dan zwijg ik nog maar even over de groeimarkt voor antidepressiva.
Niks tegen geld, niks tegen winst maken, niks tegen strategische allianties tussen universiteit en bedrijfsleven. Waar het me om gaat is dat tegenwoordig niemand meer vraagt waar kennis voor dient; dat geen mens meer vraagt naar het waarom van de gestelde vragen; dat niemand zich meer afvraagt waar die moderne kennisinfrastructuur ons eigenlijk naartoe brengt.
Professor Van den Hoofdakker, die de bijeenkomst in Utrecht opluisterde in een forumdiscussie, was, gevraagd naar zijn visie op kennisallianties en psychiatrische pillen, heel wat minder kritisch dan in zijn afscheidsrede in Groningen. Misschien vond hij dit niet een juiste gelegenheid om onwellevende vragen te stellen. Zoals de vraag of zo'n verbond tussen psychiaters en pillendraaiers het wetenschappelijk onderzoek naar psychische ziekten niet bedenkelijk versmalt. Of, nog onbeleefder, wie er eigenlijk beter wordt van psychiatrische pillen. En, vooruit dan maar, op het onbeschofte af: wat weten psychiaters en farmaceuten eigenlijk van geluk?