Kunst: Pieter Pourbus

De schemer van Brugge

De zestiende-eeuwse schilder Pieter Pourbus verliet Gouda om de belangrijkste schilder te worden van Brugge, in die dagen een stad in verval – of juist niet?

Medium vanbelle
Pieter Pourbus, Van Belle-Triptiek, Sint-Jacobskerk in Brugge © Dominique Provost / Art in Flanders vzw

Pieter Pourbus (1523/4-1584) is na Erasmus de tweede enigszins beroemde zoon van het stadje Gouda. Net als Erasmus bleef hij er niet lang. Met Gouda was op zich niks mis, daar viel voor een ijverige schilder best wat te verdienen, maar de welvaart en de artistieke mogelijkheden waren een stuk groter in het zuiden van het land. Pourbus vertrok. Hij liet zich in 1543 inschrijven in het gilde van beeldenmakers en zadelaars in Brugge. Hij trouwde met Anna, de dochter van de lokale kunstenaar Lanceloot Blondeel. Hij werd lid van de schutterij en de rederijkerskamer van de Heilige Geest, een paar keer functionaris van het gilde en al gauw de belangrijkste schilder van de stad. Hij maakte portretten, historiestukken en altaarstukken. Hij maakte decoraties voor feestelijke gebeurtenissen als de Blijde Incomste van Karel V en prins Filips in 1549 en hij was, volgens de biograaf Carel van Mander, ook nog eens ‘een goet Cosmographus, oft Landt-meter’.

Van Mander wist dat, want Pourbus en Van Mander hebben elkaar persoonlijk gekend. In 1580 was Van Mander, op de vlucht voor de oorlog in Vlaanderen, tijdelijk uitgeweken naar Brugge. Pourbus leidde hem daar rond en werd Van Manders voornaamste bron voor het kunstleven in de stad. Deze noemt hem in zijn grote Schilder-Boeck dan ook een van de ‘besonderste’ schilders van het land, en toen Van Mander dat schreef bedoelde hij met ‘land’ nog de hele Zeventien Provinciën van Delfzijl tot Duinkerken, een staat met een ongelooflijk rijke cultuur, die op het punt stond uit elkaar te vallen.

Was Pieter Pourbus in dat hele scala van Noord- en Zuid-Nederlandse kunstenaars ook echt een van de ‘besonderste’? Wie de tentoonstelling in Museum Gouda bezoekt zal zich daarover op het achterhoofd krabben. Er hangen ambitieuze, fraaie en soms grote werken, maar de indruk is toch van iemand die eerder vastigheid zocht dan vernieuwing, iemand die harmonie boven ambitie stelde, iemand die een goede ordening prefereerde boven een spectaculair effect. Nu moet gezegd dat deze expositie een selectie is uit de veel grotere tentoonstelling Pieter Pourbus en de vergeten meesters, die eerder dit jaar in het Groeningemuseum in Brugge te zien was. In Gouda is geprobeerd iets op te roepen van Pourbus’ werkkring in Brugge, maar ook van zijn bijdrage aan de cultuur van Gouda. In 1552 brandde daar de kerk af en Pourbus was een van een klein regiment kunstenaars die nieuwe altaarstukken leverden. Van Mander noemde zijn St.-Hubertus-altaar in Gouda zelfs zijn beste werk: er is hier één paneel van te zien.

Het oordeel over Pourbus’ kwaliteiten wordt beïnvloed door de vraag of de stad Brugge in Pourbus’ jaren nog voorop liep in cultureel en artistiek opzicht, dan wel tot stilstand was gekomen, of zelfs achterop geraakt en verarmd, door de concurrentie met Antwerpen. Het was in de vijftiende eeuw onbetwist de belangrijkste en rijkste handelsstad van Noordwest-Europa, met sterke verbindingen met Italië, Spanje, Engeland en de Duitse landen, het was het favoriete verblijf van de landsheren, de hertogen van Bourgondië, die in de stadscultuur op allerlei manieren macht, pracht en prestige uitdrukten. Tegen het einde van de eeuw verzandde echter het Zwin, de uitgang naar zee, en de bloei van het Bourgondische hof taande; toen de jonge Habsburgse vorst Karel V in 1515 zijn officiële entree maakte werd hij begroet met een vers, dat de hoop uitsprak dat met zijn komst een einde zou komen aan het ‘declin’ van de stad.

Dat moet een elegant gebaar aan de jonge vorst zijn geweest, want de Bruggelingen zelf dachten helemaal niet zo negatief over hun situatie. De stad had nog altijd zo’n 35.000 inwoners, het was een belangrijke ontmoetingsplaats voor humanisten en religieuze vernieuwers, de kwaliteit van leven was er nog altijd zeer hoog – Brugge werd zelfs als een ‘ideale’, ‘arcadische’ stad gezien. Antwerpen trok handel en kapitaal naar zich toe, maar Brugge behield zijn internationale reputatie nog lang, getuige het hoge aantal buitenlandse bezoekers en inwoners van de stad, meest Duitsers en Italianen en zelfs die enkele Goudse kunstenaar. De inkomens van de handwerkslieden in de stad bleven in de zestiende eeuw op peil, en golden als de hoogste in de regio. Het was dus niet vreemd dat Pourbus zich in Brugge vestigde.

Waar andere zestiende-eeuwers hun figuren ondersteboven door de ruimte laten tuimelen, doet Pourbus ’t graag kalm aan

Het Groeningemuseum nam de jaren 1494 en 1584 als begin- en eindpunt, zijnde de sterfjaren van Hans Memling en Pieter Pourbus, en men noemde die periode toch een ‘schemerzone’ met een ‘slabakkende conjunctuur’. De vijftiende eeuw had alleen maar topkunstenaars gekend – Jan van Eyck, Petrus Christus, Hans Memling; de zestiende was daarmee vergeleken ‘een kunsthistorische vergaarbak’, met Pourbus als de beste van een heel stel ‘vergeten schilders’, Ambrosius Benson, Adriaen Isenbrant, Albert Cornelis, Lanceloot Blondeel, ‘de Meester van het Heilig Bloed’ en nog ettelijke, waarvan de toeschrijvingen nog altijd behoorlijk onzeker zijn. Sommige schilders vertoonden de nieuwe ‘Italiaanse’ invloed, andere bleven in compositie en iconografie juist heel traditioneel. Hoe Pourbus daartussen gewaardeerd moet worden, daarover lopen de meningen uiteen. De Pourbus-kenner Paul Huvenne meent dat hij een man was van ‘radicale innovaties’, iemand die de doorbraak van de Italiaanse Renaissance realiseerde. Mij lijkt het woord ‘radicaal’ bepaald niet op zijn plaats, een ‘doorbraak’ ook niet.

Het topstuk in Gouda is de Van Belle-Triptiek (1566), afkomstig uit de Jacobskerk in Brugge, waar het vijf eeuwen vrijwel onafgebroken hing. Het is een manshoog drieluik met links en rechts de stichters Joost van Belle en zijn vrouw Kathelijne Hylaert, en in het midden de ‘Madonna van de Zeven Smarten’. Dat is een kalme, waardige, indrukwekkende figuur: Maria zit getroond in een klassiek soort triomfboog, waarop zeven medaillons zijn te zien met smartelijke episoden uit het lijdensverhaal. De catalogus zegt dat dit in zestiende-eeuws Vlaanderen een populair thema was, maar niettemin lastig om een beetje logisch in elkaar te zetten. In meer volkse weergaven van het thema wordt Maria meestal doorboord door zeven zwaarden, en stromen de tranen over haar wangen, maar hier niet: Pourbus geeft haar een berustende houding met gekruiste armen voor de borst, en de handen uitgespreid als de vleugels van een vogel, als een curieus gebaar van ingetogen verdriet.

Het kan zijn dat de opdrachtgever, het echtpaar Van Belle, daar een zegje in had. Pourbus had Maria eerst getekend met de handen in elkaar verwrongen van verdriet, maar waarschijnlijk keurden de Van Belles dat af. Liever dan de acute pijn van Maria hadden zij wat meer kalme rouw. Zelf hadden zij enige tijd daarvoor hun enige zoon verloren: dit was evengoed een afbeelding van hún verlies en hun berusting.

Dat kon Pourbus goed: complexe verhalen rustig en logisch in een imaginaire ruimte zetten. Het decor is klassiek, en dat zou je ‘Italiaans’ of ‘renaissancistisch’ kunnen noemen, maar de zwijgzame, ingetogen devotie is even sterk gebonden aan die oudere Vlaamse traditie van Van Eyck en Memling. Pourbus gaat maar met mate mee in die nieuwe kunst. Waar andere zestiende-eeuwers hun figuren graag ondersteboven door de ruimte laten tuimelen en zich verliezen in fantasieën over de klassieke architectuur, daar doet Pourbus ’t graag kalm aan; waar anderen het nieuwe beeldmateriaal dat uit Rome was komen aanwaaien met onbekommerd enthousiasme in hun werk opnemen, daar houdt Pourbus het liever bij wat hij al weet en ‘wat werkt’. Voor ‘radicale innovatie’ zou ik eerder ‘weloverwogen integratie’ zeggen.

Het is niet dat hij doof is voor emotie. Het beste schilderij in de Goudse tentoonstelling is het portret van een onbekende jonge vrouw, uit een privé-collectie uit Brussel. Ook dat heeft alles van die Vlaams-Brugse traditie van Petrus Christus of Hans Memling, scherpe, realistische portretten van vooraanstaande en/of welgestelde burgers, met de nadruk op introspectie en vroomheid, niet op vertoon. Dit is op het eerste gezicht een stijf portret van een jonge vrouw in een strak zwart lijfje, afgezet met kant en juwelen, en prachtig gekleurde mouwen. Ze draagt een zeer net kanten kraagje en een diadeem-achtig mutsje. Haar identiteit is onbekend en dus haar leeftijd ook. Ze lijkt gehuwd, eerder een dame dan een juffer. Ze lijkt afstandelijk. Dat is ze niet. Zie haar pinnige mondje, de blik die ongeduldig opzij dwaalt naar iets wat elders in de kamer gebeurt, en zie vooral die ongeduldig en gespannen spelende vingers. Hier zie je iemand die wel iets beters te doen heeft dan uren stil te zitten, iemand die allesbehalve een gezeglijk of devoot meisje is. Pourbus legt soepel de vinger op een geforceerde zedigheid, die maar ternauwernood een innerlijke onrust kan verbergen. In die kleinere stukken zie je de belangstelling voor het innerlijk, die drang naar binnen, die je in verband zou kunnen brengen met dat hoog ontwikkelde intellectuele milieu van Brugge, en misschien wel met de Reformatie.

In 1578 moet Brugge zich overgeven aan de calvinistische opstandelingen. Pourbus moet dan in de weer bij het ontwerpen en bouwen van de stadsverdediging. Hij blijft in de gunst van de nieuwe protestantse magistraat, maar aan schilderen komt hij nauwelijks toe. Hij sterft in 1584. En dan is het ook echt gedaan met die fameuze glorie van Brugge. De magistraat Zeger van Male (1504-1601), die voor de omwenteling nog met zijn beide echtgenoten en zijn zeer omvangrijk kroost door Pourbus was geportretteerd, schreef omstreeks 1590 een ‘deerlicke lamentatie ende beclach’ over de ‘destructie ende groote declinatie sonderlinghe van de stede van Brugghe’ door de ‘Geuserie ende de Beeldenstormerie’. De Geuzen verjaagden de bisschop en de priesters, en hadden de kerk ‘van binnen al gheruineert, de beelden afgheworpen, altaren ende cloytueren van cappellen ghebroken, voort de gheheele kercke gheprofaneert’. Een tijdperk kwam ten einde. Alhoewel: de naam Pourbus leefde voort. Pieters zoon Frans was al in 1569 naar Antwerpen vertrokken en was daar, volgens Van Mander, die ’t weten kon, ‘den Vader seer verre te boven ghegaen in de Const’.


Pieter Pourbus: Meester-schilder uit Gouda,Museum _Gouda, _t/m_ 17_juni; museumgouda.nl