Roy Jacobsen

De schijn van inzichtelijkheid

Als alles wat is, toevallig en enkelvoudig is, wat is dan een grens?
Behoort een grens tot het gebied dat ze afbakent of tot het gebied aan de overzijde? Of tot geen van beide?
De mens heeft afbakeningen nodig in het leven. Daarom maken we
de geschiedenis begrijpelijk door haar de vorm van een verhaal te geven.
In zijn roman «Grenzen» doet Roy Jacobsen dat ook, en zegt erover:
«Alle verhalen zijn leugens.»

Op 16 december 1944 lanceerde het al bijna verslagen Duitse leger een tegenaanval die de geschiedenis zou ingaan als het Ardennenoffensief. Het mislukken ervan bezegelde het lot van het Derde Rijk en sommigen beschouwen het Ardennenoffensief dan ook als de definitieve omslag in de Tweede Wereldoorlog. Anderen wijzen daarvoor liever op de nederlaag van Hitlers troepen bij Stalingrad in de winter van 1942-1943, toen de Duitsers de belegerde stad niet wisten te ontzetten. Honderdvijftigduizend Duitse soldaten vonden er de dood en bijna honderdduizend werden er krijgsgevangen gemaakt. Slechts een paar duizend keerden ooit terug.
Rond die twee gebeurtenissen heeft de Noorse schrijver Roy Jacobsen zijn zojuist vertaalde roman Grenzen opgebouwd. Niet omdat hij ze zelf als de keerpunten in de oorlog beschouwt. Daarover denkt elk volk het zijne, schrijft hij flegmatisch. Maar Jacobsen, in Noorwegen een literaire grootheid met vóór Grenzen al zes andere romans op zijn naam, is in zijn persoonlijke leven met die twee gebeurtenissen en met de Ardennen — «dat curieuze hoekje in Europa» — verbonden. Zijn vrouw komt uit Saint-Vith, in de Belgische provincie Luik, en zijn schoon vader werd in de oorlog naar het Oostfront gestuurd. «Tijdens het Ardennenoffensief deserteerde hij», vertelde Jacobsen in een interview in De Morgen, «en daarna verbleef hij tweeëneenhalf jaar in een Schots gevangenkamp. Zijn broer overleefde zelfs Stalingrad.»
Uit die familieverhalen schreef hij zijn roman bijeen. Zijn schoonvader werd «de engel Léon», die zich tijdens het Ardennenoffensief beurtelings uitgeeft voor Duits soldaat (wat hij is) en Luxemburgse boer (wat hij ook is), en daarom door zowel de Duitsers als de geallieerden wordt veroordeeld. Diens broer werd in het boek de Belgische uitvinder Markus Hebel, die als technicus en verbindingsofficier door de Duitsers wordt ingezet bij de ontzettings troepen van Stalingrad, waar hij hoort dat zijn zoon zich onder de ingesloten soldaten bevindt.


Jacobsen vertelt de verhalen van Léon en Markus met een onsentimentele distantie, zonder zich te verliezen in psychologische diepten of metafysische hoogten, maar ook zonder de verschrikkingen van de oorlog te verhullen. Het krijgstoneel is voor hem in de eerste plaats gewoon. Zelfs onder de meest bizarre omstandigheden behoudt het leven een banale routine. Hoogstens last Jacobsen af en toe een terzijde of een levenswijsheid in, als een verteller die zijn verhaal kwijt wil aan een goede bekende.
Zijn relaas van de mislukte ontzetting van Stalingrad is dan ook het verhaal dat Markus vertelt aan zijn jonge vriend Robert, een oorlogskind dat tijdens het Ardennenoffensief werd verwekt en wiens geschiedenis Jacobsen in het begin van het boek uit de doeken doet. Roberts moeder Maria raakte zwanger van een Amerikaanse soldaat die gevangen was genomen terwijl hij in de balzaal van het kasteel van Clairvaux Scott Joplin zat te spelen en met Maria’s hulp had kunnen ontsnappen. Maan denlang hadden zij zich schuilgehouden op een verlaten boerderij in de grensstreek, tot de soldaat wegens «dringende aangelegenheden» moest vertrekken en Maria haar levenslange naspeuringen naar hem begon.
De Belgische Luxemburger Markus, de Duitse Luxemburger Léon en de Ameri kaanse Luxemburger Robert zijn alledrie grensgevallen. Ze zijn met elkaar verbonden door vriend- en verwantschap, maar ook door de verhalen die Jacobsen over hen vertelt en die hij hen laat vertellen. Vooral Markus is langdurig aan het woord. Hij is niet alleen de verteller van zijn eigen geschiedenis bij Stalingrad, maar ook van de fantasieverhalen en historische gebeurtenissen die als kleine zelfstandige hoofdstukjes door het boek zijn gestrooid.
Op die manier ontstaat een netwerk van verhalen en verhaaltjes dat postmodern zou aandoen, als de schwung en het plezier waarmee Jacobsen ze heeft opgetekend niet elke gedachte aan theoretische overload verdreef. Wel is het soms puzzelen in deze roman met hoofdstukken die variëren van twee tot 143 bladzijden, kriskras verspringen door de tijd en de geografie, en waarin harde oorlogsverslaggeving wordt afgewisseld met pastorale vertellingen en sprookjesachtige parabels.
Gaandeweg vallen de stukjes moeiteloos op hun plaats, zelfs het kafkaëske openingsverhaal waarin Jacobsen vertelt over de molenaar Johann Holper die in 1893 een bruggetje wil bouwen over de Our, de grensrivier tussen Duitsland en Luxemburg. Zijn molen staat op de Duitse oever, zelf woont hij in Luxemburg en de dichtstbijzijnde brug is ver weg. Maar dan heeft hij buiten de waarde van grenzen en bevoegdheden gerekend. Jarenlang gaan de stukken tussen beide landen over en weer, terwijl de molenaar zijn bruggetje al lang illegaal heeft gebouwd. Maar wanneer de Duitse autoriteiten tenslotte argwanend een boswachter ter inspectie sturen, rapporteert die dat er van een brug geen sprake is…
Dan horen we meer dan tweehonderd bladzijden vrijwel niets meer over Holpers brug, tot er in 1945 een Amerikaanse bommenwerper over de Our vliegt en de piloot een onduidelijke constructie ziet die niet op de kaart is aangegeven. «Is daar een brug of is er geen brug?» vraagt hij. «Onmogelijk te zeggen», antwoordt de navigator en de piloot beslist: «Het is geen brug», net als de Duitse boswachter vijftig jaar eerder. Maar als kort daarop de Amerikaanse grondtroepen de rivier over moeten, wijst een jongen hen op het onooglijke bouwsel, stevig genoeg voor de paar soldaten die op de andere oever een Bailey-brug moeten verankeren. En jaren later komt er, na veel gesteggel en gepraat over verzoening met Duitsland, zelfs een stenen brug, want «grenzen zijn er niet alleen om vriend van vijand te scheiden, maar ook om op het juiste ogenblik overschreden te worden», zoals Jacobsen de dorpspastoor laat zeggen.


Wat is een brug? Wat is een grens? Die vragen vormen het eigenlijke onderwerp van Jacobsens boek. Afbakening en overschrijding zijn allebei nodig en kunnen zelfs niet zonder elkaar bestaan, maar hoe maak je duidelijk wát zo’n scheidslijn ís? Anders gezegd: hoe omgrens je het begrip «grens»? Behoort ze tot dat gebied dat ze afbakent of tot het gebied aan de overzijde? Of tot geen van beide? Dat is meer dan een academische kwestie. Wanneer molenaar Johann Holper zijn voetbrug wil bouwen, wordt hij met zijn verzoek steevast naar de autoriteiten aan de andere kant van de grens verwezen, omdat de kwestie hún aangelegenheid zou zijn. En wanneer na de Tweede Wereldoorlog de verzoeningsbrug moet worden gebouwd, wil opnieuw niemand verantwoordelijkheid — laat staan de kosten — dragen voor iets waar die verantwoordelijkheid juist ophoudt.
En toch: wie vanuit België een treinkaartje koopt naar de Nederlandse grens, moet bij het loket «binnenland» zijn. En wie de essentie van een begrip moet weergeven, definieert het door de grens te trekken tussen wat er wel en wat er niet onder valt. Daarom is de grens niet alleen de buitenkant van een domein, maar slaat ze ook naar binnen en vormt in zekere zin het hart ervan. Omgrenzing is tegelijkertijd essentie, en hoe onontkoom baarder de laatste is, des te scherper is de eerste. Dat geldt ook in de politieke geografie. Hoe zelfbewuster het nationale gevoel is, des te ondoordringbaarder is de grens, alsof identiteit iets was dat zich scherp liet afbakenen en dat, tot aan de laatste meters toe, niet langzaamaan verzwakte.
Maar omdat grenzen niet alleen scheiden maar ook verbinden, spreiden ze aan weerszijden een schemerzone van ongewisheid uit, waarin de identiteit begint te rafelen. Het «grensgeval», dat onlosmakelijk met elke grens is verbonden, belichaamt een onbeslistheid die — zoals de Franse filosoof Jacques Derrida schreef — elke identiteit heimelijk ondermijnt. Daarom weten alleen grens bewoners hoe het werkelijk met grenzen is gesteld, des te meer wanneer ze in een land wonen dat zelf nauwelijks meer dan een grensstreek is. Daarom kon Luxemburg, het curieuze driehoekje van onbestemdheid dat sinds eeuwen tussen Frankrijk en Duitsland is uitgespaard, voor Jacobsen de ideale plek worden om het drama van zijn schoonfamilie, een drama van ongewisse grenzen en al even ongewisse identiteiten, te situeren.
Niet voor niets beklemtoont Jacobsen dat de boswachter die Holpers brug moet inspecteren zelf een grensbewoner is. Wie aan de grens woont, weet hoe onbeslistheid onder elke ferm getrokken afbakening doorsijpelt. Wat zijn in ’s hemelsnaam een paar over een rivier geslagen planken? Misschien vormen ze in de ogen van de wet een brug, maar de wet moet altijd eerst worden toegepast, want tussen algemene regels en afzonderlijke gevallen wringt het altijd een beetje. En hoe dwingend die algemeenheid ook wordt geformuleerd, in laatste instantie buigt ze altijd voor de ongrijp baarheid van het geval, al kan het soms lang duren voordat een snuggere boswachter na alle juridische haarkloverij besluit dat er over de Our helemaal geen brug ligt.
Dat was een verstandige constatering, waarmee het dossier werd gesloten, maar — zo vraagt Jacobsen zich meer dan tweehonderd bladzijden later in het boek af — was ze wel waar? Loog de boswachter misschien? Dan zou dat een «mooie, aardse en wijze leugen» zijn geweest, die een halve eeuw later opnieuw werd gedekt door de twijfel van de Amerikaanse piloot: «Is dat een brug of is het geen brug?» En twijfel, schrijft Jacobsen, «tornt aan de hoofdscheiding tussen leugen en waarheid».
Of loog de boswachter niet en had Holper de planken al weggehaald om te voorkomen dat ze door het wassende water zouden worden meegesleurd? Ook dan was zijn rapport een leugen, niet naar de letter misschien, maar wel naar de geest. «Hij negeert dat er zich een brug heeft bevonden en weer zal bevinden», schrijft Jacobsen. «Zijn rapport is zowel waar als onwaar, dat wat de ene dag waar is, is de volgende dag een leugen, en omgekeerd, net als Schrödingers kat.»


Wie op een grens gaat staan, ziet hoe betwistbaar elke afbakening is en dus ook hoe ongewis iedere waarheid die zich daarop baseert. Net als in het verhaal Het kwijlen van de duivel van Julio Cortázar en de daarop gebaseerde film Blow up van Michelangelo Antonioni, vervaagt het ware beeld steeds verder naarmate het meer van nabij wordt bekeken. Het lost op in zijn details, die gaandeweg hun betekenis verliezen, en in die ongewisheid wordt iedere waarheid een fictie: een gordiaanse knoop die niet ontward maar doorgehouwen is. Waarheid is geen feit maar een beslissing.
Zoals de waarheid van de boswachter een beslissing was, maar ook de waarheid van het beleg van Stalingrad en misschien wel van de hele Tweede Wereldoorlog. Want wat zijn die geschiedenissen anders dan verzamelingen onoverzichtelijke feiten die door de geschiedschrijving in een verhaal zijn samengebracht en daarmee «het verleden» heten te zijn? «Wat is het verband tussen puur toeval en de orde die mensen opleggen aan de werkelijkheid?» vraagt Jacobsen zich in het interview in De Morgen af. Hoe wordt, met andere woorden, geschiedenis gemaakt? Hoe wordt de knoop doorgehakt die van een verzameling voorvallen transformeert in een historische gebeurtenis?
Jacobsen beantwoordt die vraag niet. Hij laat alleen zien hoe een gebeurtenis als het beleg van Stalingrad, die zo belangrijk kon worden dat sommigen er zelfs het keerpunt van de oorlog in zagen, in de persoonlijke geschiedenis van Markus vervluchtigt tot een reeks banale en absurde details. Bijna honderdvijftig bladzijden lang zit Jacobsen met zijn neus op de pantserslag die rond Stalin grad werd uitgevochten, maar daarbij gaat het voornamelijk om een zak appels die Markus weet te verschalken, een Russisch vrouwtje dat hardnekkig voor diens deur blijft zitten en de vraag of hij in contact kan komen met zijn ingesloten zoon. Strategische kwesties zijn wel aan de orde, maar ze zijn altijd abstract en ver weg. Ze horen thuis op de stafkaarten van de legerleiding en in de statistieken van de oorlogsbulletins. Ze bestaan alleen maar omdat al het concrete en specifieke uit hen is weggesneden.
Daarom zijn over dezelfde werkelijkheid zoveel verschillende verhalen te vertellen en zijn die allemaal slechts voor een deel waar. Die constatering geeft het antwoord op Jacobsens vraag. Geschiedenis wordt gemaakt door de verhalen die erover worden verteld en dus door het besluit welke voorvallen daarin wel en niet een plaats krijgen. In het hart van zijn boek vertelt Jacobsen daarover een parabel: de geschiedenis van een bakker die half op het leven van Markus en half op dat van Léon is gebaseerd. Wanneer de bakker na de oorlog uit Stalingrad terugkomt, zwijgt hij. Maar als een geschiedkundige hem bezoekt, is hij van zijn eigen verhaal zo onder de indruk dat hij besluit zijn naoorlogse leven over te doen. Hij keert opnieuw terug uit de oorlog en vertelt daarover honderduit. Maar dan is er geen historicus meer die hem wil horen en besluit hij het toch maar bij zijn eerste leven te houden. En hij vertelt, na jaren…
En dan volgt het verhaal van Markus bij Stalingrad, bijna de helft van het boek. Dat juist daarin van grenzen nauwelijks sprake is, lijkt vreemd voor een roman die dat thema zo openlijk omarmt. Toch zijn ze er in negatieve zin wel degelijk in aanwezig, omdat Jacobsen de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog daarin als het ware ontgrenst. Hij laat de ongevormde massa van toevallige, losse feiten op ons los, waaruit de historie en de waarheid van Stalingrad zijn gevormd. Maar die vormgeving gebeurde grotendeels pas achteraf, door de beslissingen van de verhalenvertellers en de loop van het toeval. De geschiedenis gaat haar eigen gang. Onvoorspelbaar is wat individuele handelingen zullen uitwerken en nog onvoorspelbaarder wat de geschiedschrijving daar later van zal maken.


In een kort hoofdstuk aan het begin van het boek vertelt Jacobsen het verhaal van het Leidens ontzet. Of liever: hij laat het Markus aan Robert vertellen, misschien omdat het hem aan het mislukte ontzet van Stalingrad herinnert. Willem heeft een briljant idee. Hij wil de velden onder water zetten om de Spanjaarden rond de Leidse stadsmuren te verdrijven. Maar het water komt niet hoog genoeg, en het beleg sleept zich voort. Pas wanneer zich een springvloed voordoet, heeft Willem geschiedenis gemaakt. Plotseling is hij een groot veldheer, maar in zijn hart weet hij dat zijn besluit daarin maar een kleine rol heeft gespeeld. De geschiedenis maakt zichzelf in volstrekte wispelturigheid. Er is geen groot plan. Er is alleen maar toeval en elk toeval is eenmalig.
Voor de geschiedenis geldt hetzelfde als voor de geografie en voor de verhouding tussen feit en begrip. Alles wat is, is toevallig en enkelvoudig. Maar willen we daarover kunnen praten en denken, dan kunnen we niet anders dan het enkelvoudige opnemen in iets algemeens en het toeval temmen in een samenhang. We moeten grenzen trekken tussen grote brokken van de werkelijkheid waarin enkelvoudige dingen onder één noemer en grote groepen mensen onder één naam worden samengebracht, en voorbijzien aan alle rafelranden en grensgevallen die ons aan de waarheid van die indeling zouden kunnen doen twijfelen.
We maken de geschiedenis begrijpelijk en herinnerbaar door haar de vorm van een verhaal te geven, waarin het toeval plaatsmaakt voor een rode lijn en de schijn van inzichtelijkheid. «Alle verhalen zijn leugens», schrijft Jacobsen, en dat lijkt als twee druppels water op de «menselijke plicht om volgens vaste conventies te liegen», waarover Friedrich Nietzsche het had. Want ook Nietzsche was er diep van overtuigd dat de werkelijkheid te fijnmazig is om door begrippen te worden begrensd en te beweeglijk om zich te laten vangen in statische categorieën.
Elke grens is een leugen, maar zonder afbakeningen is het menselijk leven niet mogelijk. Wie alleen maar losse dingen en onsamenhangende gebeurtenissen zou zien, kan nergens meer over spreken en al snel ook niet meer denken. Maar ook wie wél verbanden legt en grenzen trekt, betaalt daarvoor de prijs van elke veralgemenisering. Het een malige en concrete verdwijnt en maakt plaats voor het geval; het unieke verliest zijn onherhaalbaarheid en wordt een exemplaar van een soort. Wie dat doet, schept een illusie van helderheid waarin hij, ironisch genoeg, uiteindelijk ook zichzelf — zijn unieke «ik» — kwijtraakt. Maar hij kan niet anders. «We moeten zelfs de illusie willen», schreef Nietzsche, «daarin ligt het tragische.»


Als Jacobsen het «curieuze hoekje in Europa» dat de Ardennen vormen wil begrijpen, dan kan hij niet anders dan het massieve gelijk van de daardoorheen getrokken grenzen in twijfel trekken. Curieus is de bevolking die daar woont alleen maar vanwege de scheidslijn die hen tot grensgevallen maakt en — wanneer de spanning tussen de afgegrensde gebieden oploopt — voorbestemt tot een tragisch levenslot. Hun eigen verhaal laat zich slechts vertellen wanneer de grenzen poreus worden en de officiële geschiedschrijving oplost in de ongewisheid van losse gebeurtenissen. Dan verslapt de greep van het algemene en verschijnt opnieuw het eenmalige en individuele in zijn onbeslistheid.
Als dat postmodern is, dan heeft het niets van de frivoliteit waarmee dat woord zo vaak wordt geassocieerd. Want de twijfelachtige status van alle grenzen neemt niet weg dat ze toch getrokken moeten worden en dat verhalen altijd zullen moeten worden verteld. Evenmin is het om het even welke grenzen er worden getrokken en welke verhalen verteld. Al die twijfel maakt geen einde aan de morele bekommernis en zet de sluizen van de willekeur niet open. Ze komt juist uit die bekommernis voort, omdat ze wil begrijpen wat er zich werkelijk in de wereld afspeelt en heeft afgespeeld, onder de verduisterende helderheid van grenzen en verhaallijnen door.
Alsof hij dat wil onderstrepen, brengt Jacobsen — «al vijfentwintig jaar getrouwd met deze contreien» — in dit wondermooie, diepzinnige en tegelijk meeslepend vertelde boek éénmaal zichzelf op het toneel. «Dit is», schrijft hij, na het verhaal van de Scott Joplin spelende soldaat in Clervaux, «allemaal lang geleden, maar zowel de jazz als de oorlog als Clervaux achtervolgen mij al vijfentwintig jaar.»
Achter het hele spiegelspel van verhalen van Markus en over Markus kan die «ik» niemand anders zijn dan de schrijver van het boek zelf die iets probeert te begrijpen van de tragedie van zijn schoonfamilie en met dat «ik» zijn handtekening zet. Niet het spiegelspel is de inzet van het boek, maar dit grensbewonersdrama, dat in het klein het drama van de menselijke soort herhaalt.

Roy Jacobsen, Grenzen. Vertaald door Paula Stevens, Uitg. De Prom, 319 blz., ƒ49,95