Bret Easton Ellis, Lunar Park

De schijnbewegingen van Bret Easton Ellis

Bret Easton Ellis

Lunar Park

Vertaald door Inge de Heer en Johannes Jonkers

Ambo Anthos, 380 blz., e 19,95

Lees maar, er staat niet wat er staat, dat is Bret Easton Ellis in een notendop. Deze woordengoochelaar probeert je voortdurend op het verkeerde been te zetten. Wantrouw hem dus als hij in zijn nieuwe roman Lunar Park verklaart: «Er is een ding dat je voor ogen moet houden terwijl je dit boek in je handen hebt: het is allemaal echt gebeurd, elk woord is waar.»

In Lunar Park maken we kennis met het romanpersonage Bret Easton Ellis, een gelauwerde, pop-idoolachtige schrij ver die geestelijk ten onder is gegaan aan roem en drugs. Zijn oude geliefde, de actrice Jayne Dennis, biedt hem de kans een nieuw leven te beginnen. In een chique voorstad van New York probeert hij met haar, haar dochter en hun zoon de draad weer op te pakken. Maar dan begint de ellende pas echt. Niet alleen heeft Ellis de grootste aanpassingsmoeilijkheden met het ge sloten milieu waarin hij te rechtkomt, slaagt hij er totaal niet in een liefdevolle band met zijn elfjarige zoon op te bouwen en lukt het hem maar niet van de drugs en de drank af te blijven, ook is het huis van het toch al ontwrichte ge zin, jawel, behekst. Ganglampen flikkeren als Ellis erlangs loopt, de speelgoedvogel van zijn dochter blijkt te leven en is nog agressief ook, as in de vorm van voetstappen verschijnt op het tapijt dat zelf verkleurt en lijkt «te groeien». Te vens wordt de rustige voorstad ge teis terd door de mysterieuze verdwijning van kinderen en loopt er een moordenaar rond die zich voordoet als Patrick Bateman, de moordlustige yuppie uit Bret Easton Ellis’ omstreden roman American Psycho.

Lunar Park ontaardt vervolgens in regelrechte horror. Dit zijn scènes die menige lezer, mede door de platte stijl waarin ze zijn geschreven, niet erg zal kunnen waarderen. Het toppunt van deze horrorkitsch vormt de scène waarin Ellis achterna wordt gezeten door een wollig schepsel dat voor het grootste ge deelte bestaat uit een reus achtige mond met scherpe tanden.

De belofte die Ellis aan het begin van zijn roman deed («het is allemaal echt gebeurd») blijkt kortom een regelrechte leugen, voor wie niet in spoken en monsters gelooft althans. Maar iets anders hoeft men ook niet te verwachten van Ellis. Dit enfant terrible van de Amerikaanse literatuur is er namelijk voortdurend op uit de lezer op het verkeerde been te zetten. Hij is een goochelaar die met de ene hand een balletje omhoog gooit zodat hij de aandacht afleidt van de andere waarin hij eenzelfde balletje verborgen houdt. Dit resulteert in een soms wel erg vermoeiend postmodern spelletje, vol stijlbreuken, dubbele personages, bestaande romanpersonages die op duiken in de «echte» wereld, waarin het schrijven van een roman de werkelijkheid lijkt te beïnvloeden en een ogenschijnlijk serieus boek ontaardt in Stephen King-achtige pulp.

Toch zijn al deze gecompliceerde zaken slechts afleidingsmanoeuvres voor waar het in de roman echt om draait: de vriendschap die Ellis met zijn zoon probeert op te bouwen en zijn onvermogen om in het reine te komen met de nagedachtenis aan zijn gestorven vader. In dat opzicht zijn deze schijn bewegingen wel functioneel, aangezien Ellis net zo hard probeert weg te lopen van de zaken die zijn leven op orde kunnen brengen, als zijn (roman)wereld in allerlei schijnbare nodeloze richtingen zwenkt.

Lunar Park is kort gezegd een ro man die het vader-zoon-thema behandelt en daar tegelijk niet over wil gaan. Ook is Lunar Park een aanklacht tegen de suburb, tegen «de schrijver», tegen lange zinnen en vooral tegen Bret Easton Ellis zelf. Tegen zo veel eigenlijk dat er uiteindelijk een aanklacht tegen niets overblijft. Als Ellis één, hooguit twee van deze onderwerpen had uitgekozen, zou de roman een stuk leesbaarder zijn geworden.

Ellis had het boek moeten schrijven dat na het rijkeluis-studentenleven (Less Than Zero en The Rules of At traction), de jaren tachtig en de yuppiecultuur (American Psycho), en de mo dellenwereld (Glamorama) een aanklacht was tegen suburbia inclusief het all-American gezins leven. Want in de beschrijvingen van suburbia, waar angst en hypocrisie schuilen achter de brede boulevards, de aangeharkte ga zonnetjes en de smetteloze voortuinen, waar de vaders witteboordencriminelen zijn, de moeders hysterische krengen en de kinderen, net als hun ouders, verslaafd aan antidepressiva en kalmeringsmiddelen, daarin is Ellis op zijn best: satirisch, ongenuanceerd en vilein.

Nu is Lunar Park slechts een boek dat de lezer voortdurend op het verkeerde been zet, waarin Ellis slechts als een dolle hond om zich heen bijt. Want het vader-zoon-thema en de aanklacht tegen suburbia komen nu wel erg matig uit de verf. De recensent van The New York Times die Ellis zelf in Lunar Park citeert heeft gelijk: «Op een bizarre manier gecompliceerd… opgeblazen en banaal… te veel van het goede.»