Kunst

De schilder

De Koninklijke Prijs voor Vrije Schilderkunst wordt uitgereikt op voordracht van een jury, die uit vier kunstenaars en drie niet-kunstenaars bestaat. Dat levert een afgewogen doorsnee op.

Voorzitter Benno Tempel zei dit jaar: ‘Naast “echte schilders” die niet bang zijn voor olieverf werd ook het experiment gezocht.’ Dat zegt de voorzitter elk jaar. Er is altijd wat gedoe met graffiti en populaire cultuur. Er is altijd iemand die zijn doek achterstevoren ophangt, of in stukken heeft gezaagd. Er is gips, tape, bijenwas en veel ‘fotografie’. Toch is de ‘Prijs’ een leuke tentoonstelling en ook wel een relevante, omdat zicht krijgen op ‘de doorsnee’ niet eenvoudig is, en omdat die ‘echte schilders’ het in het grotere kunstenveld niet makkelijk hebben. De meest spraakmakende kunstenaars houden het immers al lang niet meer bij zo’n plat ding op de muur: die zijn de wijde wereld in getrokken van de installatie, de film, de megasculptuur, enzovoort.

De beste van het stel, en een van de winnaars, is Joost Krijnen. Die schildert grote conversaties en tafelstukken in enkele rake lijnen. De oppervlakte blijft goeddeels wit, kleur wordt spaarzaam ingezet en maar zelden in een vlak, het is meer tekenen dan schilderen. Sommige stukken zijn later opgeplakte vellen, waardoor het oppervlak iets tijdelijks krijgt, als van een eerste schets met beetjes van dit en dat, losjes opgeplakt als post-its op de deur van de ijskast. Het lijkt zelfs onaf. Dit onaffe is, als u per se een overkoepelend thema wilt, een overkoepelend thema in de hele presentatie. Het is zelfs een internationale trend: schilders lijken terug te deinzen voor een assertieve, sterke boodschap en maken werk dat ‘mislukt’ lijkt, onvoltooid is, misschien zelfs door de schilder zelf gesaboteerd.

Het zoekende, spaarzame bij Krijnen is echter heel elegant en allesbehalve onzeker: het is zelfs veelzeggend en zwierig. Het terughoudend gebruik van kleur is even rijk en levendig als dat van een complete DeKooning. De jury noemt hem schatplichtig aan Hockney en Emo Verkerk, maar als ze brutaler waren geweest hadden ze ook die DeKooning, Twombly, Matisse en, waarom niet, Picasso kunnen noemen.

De drie andere winnaars vond ik minder briljant. Jouni Toni (een Fin) is een mooi voorbeeld van zo’n aandachtig onderzoekende schilder, die laag op laag legt en duidelijk laat zien dat het ‘maar’ een constructie is van vlakken en coulissen, een podium zonder zanger. Lennart Lahuis maakt mooie blurry platen, zachte vellen papier en bijenwas over foto’s. De van oorsprong Syrische kunstenaar Rabi Koria leverde één uitstekend werk af, schilderijtjes van (verwoeste) gebouwen op witte badkamertegels, samengevoegd tot een serieel tableau. Het andere werk, een parafrase van negen calligrafische figuren, stak daar slap bij af. Misschien dat de ‘manipulatie van de westerse kijker’ (dixit de jury) aan mij voorbijging, want ik zag er vooral een teken in van een (begrijpelijkerwijs) beperkte beeldtraditie en een herhaling van een beeldelement dat buiten de context van het schrift weinig zeggingskracht heeft. Dat het ‘schilderkunst’ was maakte dat niet opeens interessant.


Koninklijke Prijs voor Vrije Schilderkunst 2015. Koninklijk Paleis Amsterdam, t/m 15 november; paleisamsterdam.nl