Nederland laat Chinees talent makkelijk vertrekken

De schildpadden gaan naar huis

Nederland stroomt vol met Chinese studenten en promovendi. Na afronding van hun studie keren ze terug naar huis, met onze kennis en netwerken op zak. Leiden we onze concurrenten op?

‘Appeltaart graag.’ Wanneer de 27-jarige promovenda Jiayi Wang de appeltaart in ontvangst neemt van de caissière kijkt ze me verontschuldigend aan. ‘Dit is mijn ontbijt’, zegt ze. Het is één uur in de middag; ze zat te studeren en was de tijd vergeten.

Bijna anderhalf jaar geleden stapte Wang in Beijing op het vliegtuig naar Nederland. Op dat moment had ze al een bachelor public administration van Nanjing University of Science and Technology en een master political philosophy van Xiamen University op zak. Vanwege haar liefde voor onderzoek en lesgeven besloot ze te gaan promoveren. ‘Het was voor mij al snel duidelijk dat als ik zou promoveren ik dat in het buitenland zou doen. De academische wereld van sociale wetenschappen in China zit heel anders elkaar dan hier in Nederland. Het is daar een ander systeem, ouderwetser.’ We zitten in het Literair Café in het Lipsiusgebouw van de Universiteit Leiden; Wang kiest haar woorden zorgvuldig. ‘Het is niet zo dat we niets leren over politiek in het Westen, hoor, maar vaak vanuit een marxistisch perspectief. Bovendien is mijn onderzoeksgebied, etnische minderheden, ook nog eens een gevoelig onderwerp. De studies die daarnaar gedaan worden in China zijn bekrompen en beperkt. Bovendien heb je in China als je iets wilt publiceren altijd te maken met censuur. Ik wilde een breder perspectief krijgen en niet ingeperkt worden.’

Na haar promotie zal Wang teruggaan naar China. Ze moet wel: dat staat in de voorwaarden van het beurscontract dat ze heeft ondertekend. Wang is hier gekomen met een beurs van de China Scholarship Council (csc), deel van het Chinese ministerie van Onderwijs, de grootste beursverstrekker voor Chinese studenten die in het buitenland willen studeren of promoveren. ‘De Chinese overheid ziet ons graag in het buitenland promoveren’, zegt Wang. ‘De csc maakt het ons daarom best makkelijk om een beurs te krijgen. Eerlijk gezegd was de beurs van de csc mijn tweede keus. Ik had liever een beurs ontvangen van de Universiteit Leiden zelf. Het salaris is dan hoger en er zijn minder voorwaarden aan verbonden, zoals bijvoorbeeld het feit dat ik na mijn promotie terug moet naar China. Daarnaast heb je als externe PhD-student bepaalde voordelen niet, zoals je eigen kantoor bij de universiteit.’

Het uitsturen van talent en weer (terug)halen naar China is deel van een groter doel van de Aziatische grootmacht: een wereldspeler worden op het gebied van innovatie en kennis. Op dit moment is China nog voornamelijk de ‘fabriek van de wereld’, maar dat moet gaan veranderen, vinden de Chinese leiders. In de afgelopen drie vijfjarenplannen van China, een concept dat naar voorbeeld van de Sovjet-Unie in de jaren vijftig werd geïntroduceerd, staan innovatie en kennisontwikkeling hoog op de agenda. China wil af van het imago van copycat. Op de producten van de toekomst moet niet meer ‘Made in China’ staan maar ‘Invented in China’.

Zoals voormalig premier Wen Jiabao veelvuldig benadrukte, zijn onderwijs en talent de basisingrediënten voor een innovatief China. En dus investeerde de overheid daar de afgelopen jaren flink in. Inmiddels is er een budget van tachtig miljard euro per jaar voor onderzoek en ontwikkeling (research development, r) en wordt er rijkelijk gestrooid met beurzen en subsidies voor studenten.

Wang behoort straks tot de steeds groter wordende groep Chinezen die na een studie in het buitenland terugkeren naar China, de zogenoemde ‘schildpadden’ of haigui (de Chinese karakters voor ‘terugkeren van overzee’ worden op dezelfde manier uitgesproken als de karakters voor ‘zeeschildpad’). China ontvangt hen met open armen.

Tot voor kort trok Chinees talent na afronding van studie of onderzoek nog massaal naar het buitenland omdat daar nu eenmaal meer kansen lagen. Als ze eenmaal hadden geproefd van de vrije onderzoeksmentaliteit in de westerse academische wereld keerden ze zelden terug naar China. Tegenwoordig ligt dat anders, want China doet hard zijn best om zichzelf op alle mogelijke manieren aantrekkelijker te maken.

Zo initieerde China in 2008 het ‘Thousand Talents Plan’ (qian ren jihua). Met dit programma wil het land talenten uit het buitenland (zowel Chinees als niet-Chinees) aantrekken door hoge salarissen, subsidies en aantrekkelijke arbeidsvoorwaarden aan te bieden. De afgelopen jaren zijn al meer dan tweeduizend talenten via dit programma naar China (terug)gekomen. De duizenden studenten die jaarlijks naar het buitenland vertrekken met een beurs van de csc komen na afronding van hun studie ook weer terug naar het moederland. Volgens het Chinese Service Centre for Scholarly Exchange (cscse), deel van het Chinese ministerie van Onderwijs (moe), is in de periode 1978-2009 dertig procent van de Chinese studenten die in het buitenland studeerden teruggekeerd naar China. Daarna liep dat op tot zeventig procent.

Ondertussen verschijnt in de westerse media steeds vaker het schrikbeeld van China als wereldveroveraar, ‘het gele gevaar’. Het Financieele Dagblad kopte vorig jaar dat onze kennis weglekt naar China en stelde onheilspellend dat ‘kennis uit Nederland dreigt te verdwijnen naar China’. De Britse uitvinder James Dyson waarschuwde in 2011 voor een ‘invasie’ van Chinese studenten, die volgens hem de universiteiten zouden ‘infiltreren’ om technologische en wetenschappelijke kennis te ‘stelen’. Het was niet de eerste beschuldiging richting China over spionage en ook niet de laatste. Onlangs nog beschuldigde Amerika China van cyberspionage en bracht het Amerikaanse ministerie van Defensie naar buiten dat Chinese hackers belangrijke informatie over Amerikaanse wapensystemen hebben gestolen. Moeten we ons echt zorgen maken om een brain drain? Leiden we onze eigen concurrenten op? Zijn we te naïef in het delen van onze kennis? Het steekt iets ingewikkelder in elkaar dan de meeste Nederlandse media doen vermoeden.

Allereerst is het wantrouwen niet onterecht. In De Chinese handschoen, een rapport dat de Adviesraad voor het Wetenschaps- en Technologiebeleid (awt) in maart 2012 presenteerde, wordt gewaarschuwd dat de opkomst van China als kennis- en innovatieland een risico vormt voor Nederland. China zal ons, naarmate de kwaliteit van de Chinese wetenschap toeneemt, steeds minder nodig hebben.

Tegelijkertijd kunnen we niet anders dan samenwerken met China, onze kenniskraan dichtdraaien is geen optie. Als Nederland niet samenwerkt met China, ‘dan doen anderen het wel’, zo stelt de awt, en dreigt Nederland de innovatierace te verliezen. Samenwerking met China op het gebied van kennis en innovatie is risicovol, maar brengt ons ook veel voordelen. China heeft wellicht niet alle kennis, maar wel talent, onderzoeksinfrastructuur en kapitaal dat wij goed kunnen gebruiken. Terwijl het Nederland soms aan fondsen ontbreekt om getalenteerde onderzoekers te subsidiëren of een nieuw onderzoekslaboratorium op te zetten, heeft China die fondsen wél. Bovendien kunnen belangrijke vraagstukken eerder worden aangepakt omdat samenwerking de ontwikkeling van nieuwe kennis bevordert. Daarnaast zorgt een intensievere samenwerking ook voor een betere relatie met China, waar de Nederlandse economie in het geheel dan weer van profiteert.

Volgens Peter Ho, hoogleraar Chinese economie aan de Technische Universiteit Delft, blijft Nederland voorlopig aantrekkelijk voor Chinese studenten: ‘De komende jaren zullen er alleen maar meer Chinese studenten naar Nederland komen. Binnen China is vooralsnog onvoldoende plek op de universiteiten om al die studenten te kunnen opleiden. In China wordt wel hard gewerkt aan het onderwijs, maar Nederland blijft interessant omdat het een internationaal georiënteerd land is.’

De ervaring van de Nuffic, de Nederlandse organisatie voor internationale samenwerking in het hoger onderwijs, is dat Chinese studenten hard werken en slim zijn. Ze behoren vaak tot de top van hun klas en stimuleren daarmee andere studenten om meer hun best te doen. Kortom, ze dragen bij aan de kwaliteit van ons hoger onderwijs.

Nederland is in het verleden vooral bezig geweest met het verbeteren van die kwaliteit, pas de afgelopen jaren wordt meer aandacht geschonken aan de mogelijkheden voor een carrière in Nederland voor buitenlandse studenten na afronding van hun studie hier. Door de toenemende internationalisering in bedrijven en organisaties, waar arbeids- en kennismigratie steeds vaker voorkomt, is dit relevanter geworden. Nederland kampt met een arbeidstekort in de technische sector en laat dat nu net de sector zijn waar de meeste Chinese promovendi in Nederland zich in bevinden.

De 31-jarige promovendus Xiaoli Lu behoort tot deze groep. Bijna zes jaar geleden kwam hij met een beurs van de csc naar Nederland nadat hij een bachelor construction management engineering en een master management science and engineering had behaald aan het Harbin Institute of Technology in Harbin. Zijn promotieonderzoek aan de Universiteit Utrecht richt zich op crisismanagement. Hij is vooral geïnteresseerd in crises in China en heeft daarom verschillende case studies gedaan, onder meer naar de catastrofale aardbeving in Wenchuan (Sichuan) in 2008 en de vergiftiging van de rivier de Songhua in 2005.

‘Ik ben al jaren geïnteresseerd in crisismanagement’, laat hij in een mail weten. ‘In China was dit onderwerp in die tijd nog redelijk nieuw en er was weinig onderzoek naar verricht. Ik besloot daarom in het buitenland te promoveren. De keuze viel op Nederland omdat hier een goed onderzoekscentrum is op dit gebied, het Crisis Research Centre.’

Als zijn onderzoek in Utrecht is voltooid, zal Lu terugkeren naar China. ‘Volgens het beurscontract moet ik minimaal twee jaar voor China werken, daarna mag ik eventueel weer naar het buitenland. Wat ik na die twee jaar wil doen weet ik nog niet, dat hangt af van wat er op mijn pad komt.’ De kans dat Lu in China blijft is groot, aangezien er in zijn onderzoeksgebied een gebrek aan kennis is in China. Waarschijnlijk ligt er een zeer aantrekkelijk bod op hem te wachten.

Het Nederlands onderwijs staat in hoog aanzien in China, evenals onze open cultuur en de vrije discussie binnen de academische wereld. Maar Nederland plukt pas echt de vruchten van de komst van deze studenten wanneer zij na hun studie toetreden tot de Nederlandse arbeidsmarkt en een bijdrage leveren aan onze economie. Tijdens hun studietijd hier zorgen zij namelijk vooral voor extra kosten, die meestal pas weer gecompenseerd worden door latere (belasting)inkomsten. De prangende vraag is dus: wat gebeurt er met deze grote groep Chinese studenten nadat zij hun studie of onderzoek in Nederland hebben afgerond? Blijven zij hier (brain gain) of gaan zij terug (brain drain)?

Het antwoord op deze vraag is simpel: dat weten we niet. Nederlandse kennisinstellingen houden in beperkte mate of zelfs helemaal niet bij wat buitenlandse studenten na hun studie in Nederland doen. Een kwalijke zaak, want zonder deze gegevens kunnen we niet zeggen welk effect internationalisering van het hoger onderwijs heeft op onze overheidsfinanciën. Een globale schatting van het cpb is dat de huidige internationale studentenstromen een positief effect van ongeveer 740 miljoen euro hebben op de overheidsfinanciën. Dit is gebaseerd op een geschatte langetermijn-blijfkans van negentien procent. Maar onze beperkte kennis maakt deze uitkomst onzeker.

Begin april publiceerde de Sociaal-Economische Raad (ser) een ontwerpadvies voor het ministerie van ocw over de binding van buitenlandse studenten aan Nederland. De raad stelt dat Nederlandse universiteiten en hogescholen beter informatie moeten verzamelen over hun alumni. Hiermee volgt de ser voormalig staatssecretaris van ocw Halbe Zijlstra, die vorig jaar in een brief aan de Tweede Kamer dezelfde noodzaak benadrukte: meer informatie is hard nodig, ook om te bepalen ‘wat de belangrijkste motieven zijn van buitenlandse studenten om zich aan Nederland te binden en wat de belangrijkste succes- en faalfactoren zijn in het binden van buitenlandse studenten’, aldus Zijlstra.

De 33-jarige Lu Liu maakt deel uit van de steeds kleiner wordende groep Chinezen die na afronding van hun PhD in Nederland blijven. Ze werkt sinds november als scientific developer bij Almende BV, een Nederlands onderzoeksbedrijf gespecialiseerd in ict. In het pand van haar werkgever, vlak bij de Veerhaven aan de Erasmusbrug in Rotterdam, vertelt ze over haar ervaringen met studeren en werken in Nederland.

Nadat Liu een bachelor- en mastergraad in electronical engineering aan Xidian University in Xi’an had behaald, vroeg ze een beurs aan om in Nederland een master micro electronics aan de TU Delft te kunnen volgen. In 2006 kwam ze naar Nederland. Als ze terugdenkt aan die periode schiet ze in de lach: ‘In onze klas zaten veel Chinezen, ik denk wel achttien, en maar tien Nederlanders. We maakten altijd de grap dat we eigenlijk nog in China waren en dat de Nederlanders internationale studenten waren.’

Na het behalen van haar tweede mastergraad besloot Liu te gaan promoveren. Door ‘heel veel geluk’, zegt ze bescheiden, ontving ze een beurs van de Nederlandse overheid om te kunnen promoveren aan de TU Delft. ‘Wat me opviel is dat de werkcultuur hier heel anders is dan in China. In China was ik het gewend om tot tien of elf uur ’s avonds te werken en ook in het weekend. In Nederland gaat iedereen om vijf of zes uur naar huis en in het weekend doet niemand iets. In China zou men zeggen dat je lui bent en niet hard genoeg werkt.’ De Chinese werkcultuur is dus beter? ‘Nee’, zegt Liu stellig. ‘Naar mijn idee wordt in Nederland veel efficiënter gewerkt en ook beter samengewerkt. Daarom komt het werk hier net zo snel af als in China. Maar soms werk ik toch stiekem in het weekend, dat voelt gewoon beter.’

Op het moment dat Liu wist dat ze kon promoveren in Nederland besloot ze dat ze na haar promotie zou blijven. ‘Omdat ik geen beurs had van de Chinese overheid zat ik niet vast aan de voorwaarde terug te moeten keren naar China, dus besloot ik in Nederland werk te gaan zoeken. Dat was niet makkelijk want ik kende het Nederlandse bedrijfsleven niet, behalve dan grote bedrijven als Philips. Mijn supervisor had ook weinig contact met het bedrijfsleven, dus de verantwoordelijkheid voor het vinden van een baan lag volledig bij mezelf.’

Liu’s ervaringen met het zoeken van een baan in Nederland zijn niet uniek. Taco van Someren is sinds 2006 gasthoogleraar strategische innovatie en duurzaamheid aan Beijing Normal University in de Chinese hoofdstad. Volgens hem doet Nederland nog te weinig om Chinese studenten te binden na afronding van hun studie of onderzoek. ‘De Chinezen denken strategisch, twintig, dertig of zelfs vijftig jaar vooruit’, zegt hij. ‘Wij denken te veel op korte termijn, dat zie je ook terug in ons onderwijs. Wanneer Chinese studenten naar Nederland komen hebben we er nauwelijks contact mee. Universiteiten hebben geen alumniprogramma’s om ze aan Nederland te binden, dus gaan ze na afronding van hun studie weer terug naar China. Dat is dom van Nederland, want het veroorzaakt een brain drain bij ons terwijl China waardevol talent binnenhaalt. Hier moeten we echt aan gaan werken. Als we dat niet doen, dreigen we de boot te missen.’

Ook de Leidse promovenda Wang zegt dat ze nooit met haar supervisor of andere collega’s praat over carrièremogelijkheden in Nederland: ‘Ik denk dat ze geen contacten hebben met het bedrijfsleven. Hoe dan ook, ik heb het er niet met ze over gehad. Als ik niet aan de voorwaarden van de csc-beurs had vastgezeten, zou ik waarschijnlijk nog steeds niet in Nederland blijven. Ik wil later gaan lesgeven en volgens mij zou het voor mij moeilijk worden om hier een baan te vinden.’

het gapende gat tussen de kennisinstellingen en het bedrijfsleven in Nederland is een van de belangrijkste oorzaken dat Chinese studenten weer terugkeren naar China. Twee derde tot drie kwart van de buitenlandse studenten wil wel in Nederland blijven, maar uiteindelijk blijft slechts twintig procent ook echt permanent. Volgens het advies van de ser is een samenwerking tussen kennisinstellingen en bedrijven ‘cruciaal’ om buitenlandse studenten te kunnen werven en binden.

Feit blijft echter dat China veel beurzen beschikbaar stelt en Nederland daar simpelweg minder geld voor beschikbaar heeft. De Aziatische grootmacht investeert miljarden in r, stampt innovatiecentra uit de grond en voert een effectief beleid als het gaat om het behouden of aantrekken van talent en kennis.

Maar volgens hoogleraar Ho moeten we ons ook niet blindstaren op de vraag of Chinese studenten hier blijven of niet ‘Laten we niet vergeten dat ook als ze weer teruggaan naar China en daar een belangrijke functie bekleden, en dat doen ze meestal, ze van belang blijven voor Nederland’, zegt hij. ‘Ze zijn als het ware ambassadeurs voor Nederland, maken reclame voor ons en vormen een contactpunt tussen Nederland en China.’ Bovendien hoeven we ons er niet druk over te maken dat het doemscenario dat door veel media wordt geschetst werkelijkheid wordt. ‘We hoeven niet bang te zijn dat China ons op den duur niet meer nodig heeft op het gebied van kennis en innovatie’, stelt Ho. ‘Waar je wel bang voor moet zijn is dat Nederland stagneert. Als Nederland hetzelfde blijft, dan kunnen we inderdaad wel inpakken. Het is van belang dat we blijven investeren in onderzoek en onderwijs om het kennisniveau in Nederland hoog te houden. Als we dat doen zal de relatie in evenwicht blijven.’

Wang noemt in ieder geval één voordeel van leven in Nederland. Als ze naar het Arsenaal loopt, het gebouw waar de East Asian Library zich bevindt, ademt ze diep in. ‘Wat is de lucht in Nederland toch lekker fris en schoon!’

De namen van promovendi Jiayi Wang en Lu Liu zijn op verzoek veranderd

Chinese studenten en promovendi in Nederland

Voor Nederland is China het grootste herkomstland van studenten van buiten de Europese Unie. In het academisch jaar 2011-2012 stonden 4470 Chinese studenten ingeschreven in het bekostigd hoger onderwijs in Nederland. We hebben ook relatief veel promovendi uit China. In 2011 waren volgens de VSNU, vereniging van universiteiten, 387 promovendi van Chinese afkomst in dienst van Nederlandse universiteiten. Let wel, het gaat hierbij meestal om een aio-schap (assistent in opleiding). Promovendi die hier komen met een beurs of externe/duale promovendi zijn in deze statistieken niet eens meegerekend.

Van die laatste groep heeft Nederland geen gegevens en ook het Chinese ministerie van Onderwijs stelt geen cijfers beschikbaar. De Leidse promovenda Wang vertelt echter dat in het jaar dat zij naar Nederland kwam, 2011, meer dan honderd Chinese studenten een CSC-beurs ontvingen om in Nederland te promoveren. Dat is dus een relatief hoog aantal vergeleken met de 387 promovendi waar wij in Nederland wel van afweten. En dan hebben we het nog maar over één jaar.