De schim van Willem Kloos

Bij de uitreiking van de P.C. Hooftprijs aan Bas Heijne deze maand stond een optreden van Wende Snijders op het programma. Wat ze ging zingen bleef tot het laatste moment een ‘verrassing’, zwak uitgedrukt voor de schok die ze teweegbracht met het lied Voor alles altijd bang geweest.

Voor alles is het titelgedicht van Joost Zwagermans laatste bij leven verschenen dichtbundel. Na zijn dood had ik ’t nooit herlezen, maar door Snijders’ hartverscheurende vertolking was er geen ontkomen aan. ‘Voor alles altijd bang geweest’, luidt het dwingende refrein: bang ‘voor de toekomst en het verleden’, ‘voor sferen, suizingen en de zekerheid’, ‘voor de deurbel en voor straf’ en ‘voor types die met messen spelen’, maar ‘voor doodzijn misschien iets minder’. Dit zinnetje, enigszins verstopt in een lange opsomming van angsten, kwam hard aan toen Wende Snijders het voor Bas Heijne zong.

‘De doode bloemen keeren niet weerom,

In ‘Het verlangen om er niet te zijn’, het aan Zwagerman gewijde hoofdstuk in De laatste deur, zoekt Jeroen Brouwers naar ‘de voortekens, de vooruitwijzingen, de signalen’ van zijn zelfmoord. ‘Achteraf – altijd achteraf en nooit op de momenten dat de dingen gebeuren – zijn er tal van indicaties.’ Uit Zwagermans oeuvre destilleert hij een reeks voortekens, behalve die ene strofe ‘voor doodzijn misschien iets minder’.

Maar ik zal heerlijk in mijn Vers herrijzen’

Wende Snijders vertelde in interviews dat Zwagerman haar de tekst een half jaar voor zijn dood toestuurde met het verzoek er muziek op te maken. Ze vergat het. De dag dat ze zijn zelfmoord uit de krant vernam, deed ze het alsnog. Vier maanden later zong ze Voor alles altijd bang geweest op het ‘Depressiegala’. Waarom ze het bij een feestelijke gebeurtenis als de uitreiking van de P.C. Hooftprijs opnieuw ten gehore bracht, is onduidelijk. Het was mooi, dat is reden genoeg. En er klonk een echo in door van Heijne’s essay Angst en schoonheid over Couperus waarin, volgens feestredenaar Cornald Maas, de kernvraag luidt: ‘Hoe betekenis te geven aan een bestaan dat geen betekenis lijkt te hebben?’ Naar aanleiding van Zwagermans dood en het gedicht dat hij haar stuurde om er een lied van te maken, zei Snijders: ‘Ik had het gevoel: hij heeft er echt alles aan gedaan om zichzelf telkens voor te houden: het heeft wél zin, het heeft wél zin. Had het anders kunnen zijn?’

Misschien wel. Het einde van Zwagermans gedicht: ‘Voor alles altijd bang geweest,/ maar niet voor jou,/ nee, niet voor jou’, bood wel degelijk hoop, en leek volgens de poëziesite Meander zelfs op het zoetsappige einde van een smartlap. ‘Heeft “jou” echter betrekking op poëzie’, schreef de recensent, ‘dan wordt het heel anders: het gedicht als vluchthaven.’ Achteraf mogen we aannemen dat Zwagerman met ‘jou’ de dood bedoelde en zo klonk het ook uit de mond van de boven zichzelf uitstijgende Wende Snijders. Haar optreden trof me onverhoeds zo hevig dat het de overige eerbewijzen aan Heijne naar de achtergrond drong. Mijn gedachten waren bij Zwagerman en dat ene gedicht. Zou het kunnen dat hij met ‘jou’ behalve de dood óók de poëzie bedoelde, in navolging van de suïcidale Willem Kloos in zijn sonnet Dood-gaan? ‘Men moet niet van het lieve Dood-zijn ijzen:/ De doode bloemen keeren niet weerom,/ Maar ik zal heerlijk in mijn Vers herrijzen.’

Dit gedicht kwam ik tegen in de nieuwe Kloos-biografie van Peter Janzen en Frans Oerlemans O God, waarom schijnt de zon nog! De gekwelde voorman van de Beweging van Tachtig dronk zich bijna dood, deed een zelfmoordpoging, werd van de ene psychiatrische inrichting naar de andere gesleept, onderging elektroshocks en overleefde ten slotte zijn weinige literaire vrienden en talrijke vijanden. Pas toen hij er niet meer van kon genieten kreeg hij de eer die hem toekwam. De ultieme bekroning ontving hij op zijn 76ste. De P.C. Hooftprijs bestond nog niet. Samen met de 71-jarige Lodewijk van Deyssel kreeg Kloos in de aula van de Universiteit van Amsterdam een eredoctoraat. Er bestaat een beroemde foto van de stramme in rok gestoken bohémiens van weleer, die elkaar in een bizarre pose feliciteren. ‘Ik ben links dover, we moeten van plaats verwisselen’, schijnt Kloos op de eerste rij luidkeels tegen Van Deyssel te hebben geroepen. Na moeizaam geschuifel nam hij vervolgens plaats op Van Deyssels hoge hoed.

Even zag ik, om met Lucebert te spreken, ‘de schim van Willem Kloos’ toen de alweer 57-jarige Bas Heijne in de aula van het Literatuurmuseum zijn dankwoord begon: ‘Nu zet ik niet, zoals bij mijn leeftijd past, een leesbril op, ik doe mijn lenzen uit.’ Maar de P.C. Hooftprijs-winnaar blaakte van gezondheid en citeerde troostrijke woorden van beproefde collega-schrijvers. ‘Het enige wat in onze macht ligt is erin slagen de stem van het leven die in onszelf resoneert niet te vervormen.’