H.J.A. HOFLAND

De schoen

President George W. Bush, op afscheidsbezoek in Bagdad, houdt zijn laatste persconferentie. Daar vliegt opeens een schoen door de lucht. Behendig weet de wereldleider het projectiel te ontwijken. Daar komt nog een schoen. Opnieuw die geroutineerde beweging. Na afloop wordt hem gevraagd wat er door hem heen ging. ‘Het enige wat ik kan zeggen is dat het maat tien was.’ Een historisch incident, op video vastgelegd en intussen op alle belangrijke nieuwssites te bezichtigen.
Waarom is het historisch? Republikeinen, neoconservatieven zullen zeggen dat de oorlog niet vergeefs is geweest. Bij een persconferentie van Saddam Hoessein had je dat niet moeten proberen. Dan had je het uur daarop zonder hoofd in het graf gelegen. Deze gebeurtenis bewijst weer eens dat Irak een vrije pers heeft. Nu is die man gearresteerd. Maar hij is niet gemarteld. Nee, de 29-jarige Muntader al-Zaidi, verslaggever van een onafhankelijke Iraakse televisiezender, is op weg een Arabische held te worden. Uit Libanon, Egypte, Syrië komen boodschappen van hartelijke bijval. Hoe moeten we dit rijmen met het bezoek van bevrijder Bush? Hier wordt in ieder geval weer eens bewezen hoe fit, oplettend en slagvaardig de Amerikaanse president is. We zullen hem nog missen. Ik zal het niet tegenspreken. Een debat met gelovige neo’s heeft geen zin.
Wat heeft de schoenengooier bewogen? In de Arabische wereld hoort dit gebaar tot de zwaarste beledigingen. Bovendien riep hij ook ‘Jij hond!’ Nog erger. Waarom heeft deze ondankbare dat gedaan? Een antwoord daarop is het afgelopen weekeind gegeven door The New York Times. De krant heeft delen gepubliceerd uit het 519 pagina’s tellende rapport Hard Lessons: The Iraq Reconstruction Experience, een drama van vergissingen, misleidingen, onkunde en zelfoverschatting, een ramp van honderd miljard, zoals de krant het noemt. Het gaat daarbij alleen om de organisatorische leugens en wanprestaties. Hoe het Pentagon in 2003 het aantal Iraakse veiligheidstroepen met een fictieve twintigduizend per week liet toenemen, hoe er telkens nieuwe spectaculaire vooruitgang werd verzonnen om het Congres ertoe te bewegen nog meer geld te investeren. En dat moest dan vlug gebeuren, ‘om de president voor een politieke ramp te behoeden’.
Iedere nieuwe bevestiging telt mee, maar eigenlijk weten we het allemaal al. De aanval is onder valse voorwendsels begonnen, en het ontbrak Washington aan een doordacht beleid, de technische bekwaamheid en de organisatie voor de wederopbouw. Voorzover uit de samenvattingen valt op te maken bepaalt dit rapport zich tot de materiële kant van de ramp. Het aantal gesneuvelde Amerikanen wordt zorgvuldig bijgehouden. Over het aantal doden onder de burgerbevolking moeten we in een volgend rapport worden ingelicht. De menselijke schade, veroorzaakt door verwoestingen en de volksverhuizing door oorlogsgeweld, valt niet te schatten.
En dan is er nog een kant van de oorlog die nader moet worden toegelicht: het voorspel. Het optimisme, de krijgslust waarmee een grote meerderheid van de publieke opinie begin 2003 de aanval steunde, is op zichzelf een triomf van de propagandamachine. De oorsprong is verklaarbaar. Na 9/11 en de gewonnen oorlog tegen de Taliban was de wraaklust nog niet uitgeput. Washington slaagde erin Saddam neer te zetten als een handlanger van Osama. Zijn massavernietigingswapens waren een regelrechte bedreiging voor Israël en het Westen. Dat werd door de meeste media voetstoots zo niet graag aangenomen. Het militaire deel van de operatie zou, in de woorden van minister Rumsfeld, een ‘walkover’ zijn. En daarna kwam er volgens Condoleezza Rice, toen nog nationale veiligheidsadviseur, voor Irak een Marshallplan dat door het land zelf zou worden gefinancierd, want de olie-industrie was intussen hersteld. Het nieuwe, gedemocratiseerde Irak zou een lichtend voorbeeld voor het hele Midden-Oosten zijn. Dat was de grote geopolitieke theorie achter de aanval.
Er waren in de laatste maanden van de zenuwenoorlog wel mensen van gezag die eraan twijfelden: columnisten van The New York Times, The Washington Post en The Nation, generaal Clark, bondskanselier Schröder, president Chirac. Met dat clubje werd korte metten gemaakt. Dat is nu zeven jaar geleden, het is allemaal praktisch vergeten, maar dit alles bepaalde toen de stemming in het Westen, ook in Nederland. Een snelle oorlog! Regime change, en dan de wederopbouw die praktisch vanzelf zou gaan. Dat sprookje heeft de grote meerderheid toen geloofd en daarom heeft ze alle alternatieven terzijde geschoven. De catastrofe van Irak is ook een triomf van de systematische misleiding. Als er ooit een onderzoek wordt gedaan, dan ook naar deze propagandamachine die de oorlog bij voorbaat als een zegenrijke onderneming aan het volk heeft verkocht.