De School 3 januari 2016 – 28 juli 2020

De Amsterdamse nachtclub De School ontpopte zich de afgelopen vier jaar tot uitvalsbasis voor progressieve feestgangers. Uitgaan was hier méér dan aan de toog hangen.

Er heerst een grafstilte in de Dr. Jan van Breemenstraat. Op de stoep liggen enkele rouwboeketten. ‘What this world needs is a group hug’, staat op een van de kaartjes gekrabbeld. De bloemen liggen in de brandende zon te verwelken. Tijdelijkheid heeft altijd al als een treurwilg over De School heen gehangen.

In het najaar van 2015 werd op dit desolate streepje aan de voet van Amsterdam Nieuw-West openlijk gefilosofeerd over de nieuwe invulling van de voormalige Lage Technische School. Laptops op schoot, bips op de koude vloertegels. Een lege ruimte met ongebreidelde potentie. Vijf jaar kreeg de groep vrienden van de gemeente om hun plannen te verwezenlijken, voordat hijgende projectontwikkelaars met hun bulldozers dit rauwe randje van de stad – het perineum tussen het Mercatorplein en de A10 – de vergetelheid in zouden walsen. Op die koude vloertegels werd gefilosofeerd over ‘de club’ als concept en wat de meest fundamentele en uitgeklede interpretatie van dat begrip was. Over dat uitgaan méér behelst dan aan de toog hangen, hectoliters pils wegsluizen en wachten tot je lever een echtscheiding aanvraagt. Over de dansvloer als safe space, waar escapisme, privacy en veiligheid heilig zijn – net als in clubmekka Berlijn. Over het afplakken van camera’s op smartphones zodat iedereen in vrijheid zijn gang kan gaan. Over de transcendente ervaring die muziek kan bieden.

De sluiting van club Trouw, in de voormalige drukkerij aan de Wibautstraat, had een diepe krater geslagen in het hoofdstedelijke nachtleven. ‘Het is eigenlijk nog geheim, maar het team van Trouw gaat weer iets doen’, werd in de nachtelijke wandelgangen gesmoesd. In een podcast-interview met De schemerzone in 2018 vertelt programmeur Luc Mastenbroek over het ongeremde joie de vivre, het idealisme en het amateurisme dat die beginperiode kenmerkte. Dat de bouwvakkers aan het eind van de werkdag een jerrycan jenever lieten rondgaan en liederen zongen. En dat die jerrycan later een prominente plek in het restaurant kreeg. Dat interieurontwerper Bas van Tol de oude geluidspanelen van Trouw had gebruikt om de voormalige fietskelder van een uitstekende akoestiek te voorzien. Over de tiener die, toen de club net open was, bij de deur werd geweigerd omdat hij twee jaar te jong was. En dat die tiener vervolgens stoïcijns op de trap voor de ingang was gaan zitten, z’n koptelefoon uit z’n jas had gepakt en daar tot de dageraad muziek had geluisterd om zijn dj-set voor te bereiden. Als hij er niet via de deur in werd gelaten, zou hij wel gaan oefenen tot hij geboekt zou worden. Sommige verhalen zijn te goed om te factchecken.

Het was een zoemend wespennest van mensen met een PhD in Uitgaan

De School ontpopte zich tot het thuishonk van een internationaal cultureel en sociaal geëngageerd publiek dat zichzelf hoopte te vinden of te verliezen in die donkere fietskelder. Het was een zoemend wespennest van mensen met een PhD in Uitgaan, die authenticiteit zochten onder het licht van een knipperende tl-buis, een microkosmos met een 24-uursvergunning en de snelste stijger in de ranglijst voor beste clubs ter wereld. Een van de weinige clubs waar je in je eentje naartoe kon. In 2017 interviewde Het Parool een van de portiers, een Iraniër, die wegens zijn seksualiteit ter dood was veroordeeld in Teheran, ternauwernood aan de publieke steniging was ontsnapt en met de hulp van zijn moeder een enkele vlucht naar Amsterdam had kunnen boeken. De School was zijn thuis.

Binnen korte tijd werd De School een waardige gesprekspartner in een kosmopolitische conversatie: een sublieme incubator voor talent en een gerenommeerde springplank naar plekken als Panorama Bar/Berghain in Berlijn en Fabric in Londen. Onlangs werd de plaat van huis-dj upsammy nog door Pitchfork – ’s werelds meest toonaangevende muziekblog – opgepikt.

What this world needs is a grouphug. De School voorzag in die warme omhelzing, zelfs als dat betekende dat de mensen die buiten de omhelzing vielen onverhoopt een uitstekende elleboog tegen hun oogkas kregen. Exclusiviteit fungeerde als een legitiem kwaad om de (zelfgedefinieerde) inclusiviteit te waarborgen. Een middel om de safe space van de dansvloer ‘safe’ te houden. Klachten over discriminatie aan de deur, té witte line-ups en wangedrag van het personeel die in het verleden aan dovemansoren waren gericht, vonden door de moord op George Floyd en een ongelukkig berichtje op Instagram de vruchtbare grond waar ze op konden landen. Daaronder lag iets diepers, iets waar niet alleen De School medeplichtig aan was: het Elvis-syndroom waar de hele internationale clubscene aan lijdt. Zonder de zwarte queer clubs in New York, Detroit en Chicago zouden techno en house niet eens hebben bestaan. Waarom ziet de scene er dan zo ongelofelijk wit uit? Was De School bovendien niet gewoon een schaakstuk in het kapitalistische spel van grijpgrage projectontwikkelaars en de gemeente – een schaamte-loze gentrificatiemachine om de buurt mee op te waarderen, de huizenprijzen omhoog te schroeven, en de bewoners uit hun wijken te verjagen?

De School was de eerste prominente Amsterdamse nachtclub die door de coronacrisis haar financiële gezondheid zo snel achteruit zag hollen dat besloten werd de stekker eruit te trekken. ‘Het eerste jaar teer je op de hype. Het tweede jaar krijg je een identiteit. Het derde jaar komt er een dip. Het vierde jaar klauter je eruit en het vijfde jaar is een mooi einde’, vertelde Mastenbroek aan De schemerzone. Het einde stond voor De School altijd al vast. Maar de kans om ‘eruit te klauteren’, structurele veranderingen door te voeren en het laatste jaar deugdzaam af te sluiten, dat was de club niet gegund.