De school met de muur

Ooit gingen Servische en Albanese kinderen gezamenlijk naar de Leninschool in Pristina, Kosovo. Nu heeft de Servische directeur een muur laten bouwen, dwars door de school, om de leerlingen gescheiden te houden. ‘Die Albanezen maken niet eens hun wc’s schoon.’ ..LE Deze reportage is tot stand gekomen tijdens tv-opnames voor Middageditie. ..LE PRISTINA - In Belgrado rijdt chauffeur Mile ons naar het busstation waar we vervoer naar Pristina, de hoofdstad van Kosovo hopen te vinden. Onderweg onderbreekt hij om de haverklap zijn betoog om zijn medeweggebruikers in kennis te stellen van wat hij met hun moeder of zuster zal doen als ze niet doorrijden. ‘Albanezen in Kosovo’, zegt hij ondertussen, ‘weigeren zich te houden aan het onderwijsprogramma van dit land. Ze boycotten al jaren de staat. Met twee miljoen stemmen uit Kosovo erbij was Milosevic allang weg geweest. Maar nee, zij stemmen niet! Zij willen onafhankelijkheid! Sloveni‰ weg, Kroati‰ weg, Bosni‰ weg. En nu wil Kosovo ook weg. Naar Albani‰!’

Mile parkeert zijn wagen voor de ingang van het busstation. Een agent snelt op ons af. Zodra hij Mile ziet, vindt hij het echter plotseling geen punt meer dat de ingang volledig wordt geblokkeerd. Het had ons te denken moeten geven.
De bus uit Kosovo is net gearriveerd. Soldaten stappen uit, moeders met kinderen, een bejaarde vrouw. Kruiers proberen een wasmachine uit het bagageruim op een karretje te tillen. ‘Nog een Servisch gezin met huis en haard uit Kosovo verdreven’, mompelt een man op het perron. De omstanders zwijgen.
Als de motor voor de terugreis gestart wordt, is de bus nagenoeg leeg. 'Wie niet moet, blijft thuis. Iedereen is bang’, zegt Dragan, die naast ons is komen zitten. Hij tipt de as van zijn sigaret in een flesje terwijl hij vertelt dat hij geboren is in Pristina, de hoofdstad van Kosovo. Hij is Servisch. En hij is bang: 'Toen de oorlog in Bosni‰ uitbrak, dachten we: dit duurt een week of twee, dan wordt alles weer normaal. Nu is het hier net zoals het toen daar was. De kranten staan bol van leugens: “Albanezen willen waterleidingen in Belgrado vergiftigen”, dat soort onzin. Dag in, dag uit wordt het volk klaargestoomd voor oorlog, die deze keer boven m¡jn huis mag beginnen! Alleen een gek zou niet bang zijn.’
Halverwege Pristina begint Dragan over zijn school, de Vladimir Iljitsj Leninschool, waarvan zijn moeder ooit plaatsvervangend hoofd was. Nu is er, zegt hij, een muur dwars door de school heen gebouwd om de Serven van de Albanezen te scheiden. Het Servische deel is omgedoopt in Milos Crnjanski, het Albanese in Dardania.
De bus stopt vlak bij de school. Een vierkant zalmkleurig gebouw, met een patio in het midden. Daaromheen gras, spijlen, prikkeldraad. Voor de deur spelen kinderen trefbal.
Dragan vertelt: 'Wij hadden vroeger een zelfverzonnen spel. Dan startte de een bij de ingang van de school en rende de linkergang in, de ander nam de rechtergang. Omdat de school rond liep, kwam je elkaar ergens halverwege tegen. Dan probeerde je die ander te tackelen, te vertragen, zodat je als eerste weer bij de ingang was. Nu zijn er twee ingangen: een Servische en een Albanese. In het midden van de school: een muur. Rondrennen is er niet meer bij. Met dank aan de heren politici. En de Servische directeur, want die heeft de muur gebouwd.’
Die willen we wel spreken. Hij blijkt niet aanwezig. De conci‰rge weet niet wanneer hij terug zal komen, wanneer hij er morgen zal zijn, wat zijn telefoonnummer is, of waar hij te bereiken is. 'Jullie hebben geen afspraak, anders was hij hier, onze directeur houdt zich altijd aan afspraken’, blijft de man herhalen.
OP DE REDACTIE van het onafhankelijke Albanese dagblad Koha Ditore wordt begripsvol geknikt als ze het horen. 'De conci‰rge zegt altijd dat de directeur er niet is. Een tolk uit Montenegro is een keer ten einde raad de school in gerend, de conci‰rge woedend achter hem aan. De directeur bleek keurig achter zijn bureau te zitten’, zegt journalist Ardian. 'Maar als het gaat om de Albanese kant, kan ik wel helpen.’
Ardian is een van het dertigtal jonge zeer goed Engels sprekende redacteuren van Koha. De redactie bevindt zich in hartje centrum van Pristina. De ruimte is groot, licht, pas geverfd, heeft gloednieuwe pc’s met Internet-verbindingen en een eigen satelliet om het nieuws van Reuters binnen te halen. Met geld van Press Now en de Soros Foundation kan Koha, onder leiding van Venton Suroj - inmiddels ook onderhandelaar van de Contactgroep - een 'alternatief bieden voor leugens in de Servische media’. De redacteuren van Koha voelen zich geen Kosoviaan of Joegoslaaf, ze voelen zich Albanees. Een onafhankelijk Kosovo gaat ze niet ver genoeg. 'Ons moederland is Albani‰. Zo heb ik het altijd gezien’, zegt Ardian.
Als hij hoort dat wij via Belgrado naar Pristina zijn gekomen, wil hij plotseling niet meer met ons praten. 'Je hoofd zit vast vol Servische shit! I hate it! In Belgrado wordt journalisten van alles op de mouw gespeld. Dan komen ze hier om ons ter verantwoording te roepen. Dan zeggen ze dat Albanezen die in Drenica door de Servische politie zijn vermoord, terroristen waren. Ja hoor, mijn kleine broertje is een terrorist!’
Als wij vertellen dat in Belgrado het verhaal gaat dat vrouwen en kinderen in Drenica gedood zijn doordat de Albanezen ze als levend schild als eerste naar buiten hebben geduwd, kan Ardian de zwarte humor wel waarderen. 'Ja, vrouwen stellen bij ons Albanezen inderdaad niet veel voor. Okee, ik zal jullie die klotemuur laten zien.’
Bij de ingang van Dardania staan joelende kinderen, ouders, leraren en mensen in witte jassen. Er is zojuist een eerstehulppost in de school geopend. Gefinancierd door Albanezen die in het buitenland wonen. 'Voortaan kunnen kinderen hier in de pauze hun tanden na laten kijken. Ook volwassenen uit de wijk zijn welkom. Zelfs vrouwen, maar wel pas als iedereen geweest is!’ grijnst Ardian. In de docentenkamer staan schalen met koekjes, kaas en worst om de opening te vieren.
We lopen via de trap naar de eerste verdieping. Op nauwelijks een meter afstand van de laatste tree: de muur. Hoog, breed en koud. Door die onlogische plek moeten de kinderen in rijen de trap af, om opstoppingen te voorkomen. Bovenin zit een half raam, de andere helft is aan de Servische kant gebleven. 'Toen ik op school zat, bestonden er wel Albanese en Servische klassen, maar we leerden allemaal elkaars taal. We speelden in de pauzes, gingen samen op excursie. Mijn beste vrienden waren Servi‰rs. De kinderen die door deze muur worden gescheiden, hebben geen contact met elkaar. Ze kunnen elkaar niet eens meer verstaan.’
IN DE GANG van de school zijn met noodwandjes klaslokalen gebouwd. Bijna veertig kinderen delen zo'n tien tafels. Tussen de rijen lopen is voor een volwassene onmogelijk. 'In het begin was er niets. De kinderen leerden op de grond’, zegt de juf. Ze is een Servische en gaf ooit les in de Servische taal. Hoe is ze in het Albanese deel van de school terechtgekomen? 'Mijn man is Albanees. Toen in 1990 het landelijke onderwijsprogramma door het Servische parlement verplicht werd gesteld, ben ik overgelopen. Omdat het beledigend was. Neem muziekles: slechts twee Albanese liedjes per jaar was toegestaan. Geschiedenis: zeventig procent over Servi‰rs, twintig procent over de wereld en slechts tien procent over Albanezen.’
Albanese leerkrachten weigerden massaal zich aan het Servisch gedicteerde lesprogramma te houden. Dus draaide Servi‰ de kraan dicht. Bijna achttienduizend leerkrachten werden ontslagen. Van de vijfendertigduizend Albanese kinderen die de lagere school hadden afgemaakt, mochten slechts tienduizend zich voor de middelbare school inschrijven. De protesten die in de herfst van 1991 volgden, werden door de Servische politie met geweld gesmoord. Soms werd de Albanezen toegang tot de school geweigerd, onder het motto: 'Wie zich niet aan het lesprogramma houdt, heeft niets te zoeken in gebouwen die door datzelfde land worden gefinancierd en onderhouden.’ De juf vertelt: 'Dan liep ik in tranen naar een agent toe. Vroeg in het Servisch of hij zonder uniform op school wilde verschijnen, want de kinderen gingen ervan huilen. Omdat ik Servisch sprak, kwamen sommigen inderdaad terug in burgerkleren. Meer kon ik niet doen.’
Het Albanese onderwijs werd veelal verplaatst naar privÇhuizen of leegstaande bouwvallen, waar onder erbarmelijke omstandigheden les werd gegeven. Met financi‰le hulp van Albanezen in het buitenland en de 'parallelle’ belastingheffing in Kosovo.
'Wij mochten in dit gebouw blijven, maar de politie bleef komen. Die nam tegen het einde van het schooljaar alle klasseboeken in beslag. Alle administratie. En als het toch lukte de rapporten uit te reiken, kon het ook nog verkeerd aflopen. Twee Albanese jongens hebben in Montenegro twintig dagen gevangenisstraf gekregen wegens valsheid in geschrifte - omdat ze bij sollicitaties hun Albanese schooldiploma lieten zien.’
De Servische juf moet vluchtelingen uit Drenica opvangen. Vier kinderen beantwoorden als in trance haar vragen.
Ardian toont de toiletten. Zes wc-potten, waarvan twee kapot en zes urinoirs waar geen afvoer op zit, voor tweeduizend leerlingen. Op de grond urine, afval, peuken. 'Omdat er zoveel leerlingen zijn, draait de school van zeven uur ’s(ochtends tot negen uur ’s(avonds. De lessen duren vijfendertig minuten, om iedereen aan bod te laten komen. De Servi‰rs, die veel minder leerlingen hebben, zijn om drie uur klaar en dan draaien ze de verwarming uit. In de winter is het hier niet te harden.’
De kinderen in groep zes dragen spijkerbroeken, Nike-schoenen en rugzakjes. Ze willen later arts of ingenieur worden. Op ons verzoek zingt de klas een Albanees liedje. Tijdens het refrein kan een van de meisjes haar tranen niet bedwingen. 'Ze zingen dat je niet moet vrezen te sterven voor je vlag, je land, je vaderland.’ Zelfs Ardian krijgt een brok in zijn keel als hij het huilende meisje ziet. 'Ik kan me niet herinneren dat wij ooit dit soort liedjes op school leerden’, mompelt hij. Om zich daarna snel te herstellen: 'Ze huilen omdat ze beseffen dat wat kinderen in Drenica is overkomen, heel dichtbij is. Ze zijn bang voor oorlog. Maar ze moeten niet bang zijn. Er is geen tijd meer om bang te zijn!’
NA DRIE DAGEN bellen, soms om het uur, dwingt de vrouw van de Servische directeur haar man aan de telefoon te komen: 'Ik kan niet weer zeggen dat je er niet bent.’ We zijn de volgende dag op zijn verzoek stipt om negen uur bij de school. De conci‰rge begroet ons als oude bekenden: 'Onze directeur houdt zich altijd aan zijn afspraken. Hij is er!’
De directeur zit achter zijn bureau. Donker pak. Blond haar, blauwe ogen. Na de begroeting vouwt hij zijn handen en zegt: 'Servi‰rs in Kosovo worden verdreven uit hun huizen. De graven van hun voorouders worden vernield.’ Hij somt een rits Servische kloosters in Kosovo op, het bouwjaar erbij. Hij somt Servische koningen op, hun kinderen en daar weer de kinderen van. Servische schrijvers, dichters en filosofen inclusief titels van hun werken. Tergend langzaam, zin voor zin, zonder ons maar ÇÇn keer in de ogen te kijken. Een geschiedenisles van exact vijfenveertig minuten. De monoloog besluit hij met de woorden: 'Jullie buitenlandse journalisten zijn huurlingen van diegenen die dat allemaal kapot willen maken, jullie zijn spreekbuis van Albanese separatisten, die ervoor willen zorgen dat ons land nog kleiner wordt dan het al is. Ik weet zeker dat jullie betaald worden om ons Servi‰rs kapot te maken.’
DAN MOGEN WE zijn muur zien. Bovenin zien we de andere helft van het raam, de Servische. 'Ik zal eigenhandig de muur afbreken als zij ons onderwijs accepteren. Onze lessen duren vijfenveertig minuten, die van hun dertig. Zonder muur zou het daarom alleen al een chaos worden. Wij hebben gordijnen, planten, kindertekeningen; zij laten alles expres verslonzen zodat ze de buitenlandse pers kunnen laten zien hoe zielig ze zijn. Water kost nog steeds niets in dit land. Bezems zijn overal te krijgen. Maar vieze wc’s showen is makkelijker dan ze schoonmaken. Ze betalen geen cent voor onderhoud, geen cent voor de verwarming, toch hebben ze tweederde van de school. In welk land bestaat dat nou?
Hun kinderen gaan naar demonstraties, leren elke dag weer een strijdlied erbij. Best, maar verwijt mij dan niet dat ik een muur heb opgetrokken om onze kinderen het onderwijs te kunnen bieden waar ze in dit land recht op hebben.
En laat je trouwens niet wijsmaken dat ons lesprogramma niet deugt. Al zouden we het precies zo veranderen als zij willen, dan is het nog niet goed. Want het is niet het onderwijs, maar de onafhankelijkheid. Dat is het enige waar het ze om gaat.’
Ook in de Servische klas zijn de kinderen gekleed volgens de laatste MTV-mode. Velen hebben thuis nog steeds contact met hun Albanese buren. 'Soms dagen ze ons uit. Wij kunnen niet verstaan wat ze zeggen, dus gaan we wel es vechten’, bekent een jongen van een jaar of elf. 'Maar meestal knikkeren we met elkaar, of we spelen voetbal, als iemand een bal heeft.’
Een van de meisjes is benieuwd of we naar de 'andere kant’ zijn geweest. Of we daar toevallig Katrin, een meisje met een paarse bril hebben gezien. Dat was vroeger haar beste vriendin. Nu draait Katrin haar hoofd af als ze elkaar tegenkomen. 'Mijn moeder zegt dat het misschien door haar ouders komt. Dat ze daarom niet met mij wil praten. Ik hoop maar dat dat het is.’
ALS WE DE school verlaten is de dagelijkse demonstratie in de hoofdstraat al begonnen. Ardian telt mensen tussen twee bomen om een schatting te kunnen maken van de opkomst. 'Ze lopen in stilte, zoals mensen in een gevangenis. Dat is de betekenis.’ Aan de kop van de demonstratie twee politieauto’s. 'Ze wachten om na afloop demonstranten in elkaar te slaan’, zegt Ardian. 'Die auto daar met het Belgradose nummerbord, dat is waarschijnlijk een stille. Als hij jullie met mij ziet, kunnen jullie ook in elkaar geslagen worden.’
Als we 'de stille’ wat dichter genaderd zijn, kunnen we onze ogen nauwelijks geloven. Het is chauffeur Mile. 'Ik heb voor zeshonderd DM een IJslandse tv-ploeg hier naartoe gereden. En straks rijd ik wat internationals weer naar Belgrado. Oorlogen en sancties zijn klote voor de mensen, maar prima voor de portemonnee. Maar misschien ben ik ook een stille, weet jij veel.’
Hij buigt zich wat dichter naar ons toe. 'Wat een lelijke stad is Pristina, vind je ook niet?’ Hij wijst naar de betonnen flats achter zich, de weg vol kuilen, het parkje bezaaid met plastic, afval, papier. Van gras is nauwelijks wat te zien. 'Nu ik het zo zie, mag Kosovo best naar Albani‰. Eigenlijk zou je Albani‰ geld toe moeten geven om het te nemen. Maar dit heb je Mile niet hardop horen zeggen, okee?’