Terug naar de wereld van Bordewijk

De school van Bint

«Ik eis van ieder: tucht.» Aldus rector Bint in de gelijknamige roman van Bordewijk uit 1934. Zeventig jaar later is er paniek over het vmbo en roept de politiek om tuchtscholen. Is Bint teruggekeerd?

Op de binnenkort te onthullen plaquette staat: «Aan Bint. Zijn dankbare leerlingen». Daaronder de klassiek geworden namen, zoals Whimpysinger, Surdie Finnis, Kiekertak, Bolmikolke, Klotterbooke, Van der Karbargenbok. Rotterdam is een stad die zijn kunstenaars eert, denk je dan. Totdat je de motie leest die de gemeenteraad voor dit monumentje aannam. «In de Saft levenstraat (waar Bint ‹woonde› – evhp) komt een plaquette met namen van personen die een relatie hebben met een streng veiligheidsconcept.» Het staat er echt. Hoe zit dat?

«Ik wilde natuurlijk gewoon een eerbetoon aan de schrijver van dé roman van de jaren dertig», zegt initiatiefnemer Manuel Kneepkens van de Stadspartij (eerder pleitbezorger van beelden van Marten Toonder en Pietje Bell). «Maar je krijgt het door Leefbaar Rotterdam gedomineerde college alleen mee als je iets roept over ‹veiligheid›. Bint als ‹een literaire voorafbeelding van het strenge veiligheids beleid van het huidige college›. Ja, dat vonden ze mooi. Inmiddels begrijpen ze dat ze verneukt zijn, ha ha.»

Toch lijkt er zeventig jaar later wel degelijk een echo te klinken van de roman over de bikkelharde rector. Rotterdam wil op zo kort mogelijke termijn een tuchtschool in de stad. De Tweede Kamer stemde in de lente voor de oprichting van tuchtscholen en internaten voor notoire lastpakken.

De return of Bint – het heeft wel wat. Het trekken van parallellen tussen toen en nu is verleidelijk. De handelsschool van Bint is vergelijkbaar met het vmbo-college van nu. De beginselloze, achter leuzen aanhollende jeugd van toen is de aan merkkleding en mobieltjes failliet gaande jeugd van tegenwoordig. Protagonist en wetenschapper De Bree zou tegenwoordig een zij-instromer zijn. De bezuinigingen, het gebrek aan perspectief, de ordeproblemen, het gebrek aan wezenlijke interesse bij de heersende klasse voor de onderkant van de samenleving – het was er toen, het is er nu. En sinds een paar jaar maakt Adri Bleeker, een strak in het pak gestoken interimdirecteur, furore door op problematische colleges een succesvol «zero tolerance»-beleid te voeren. Zijn adagium: «Ik doe niets nieuws.» Biedt de pedagogiek van een zeventig jaar oude roman figuur ons werkelijk uitkomst?

Bint is rector op een handelsschool in een Rotterdamse volkswijk. De leerlingen hebben na de school weinig kansen in de maatschappij. Het aantal handelsscholen loopt terug en ook de school van Bint zal worden gesloten. De rector van de school met vier klassen met uitsluitend vijftien- en zestienjarige leerlingen heeft weinig op met zijn tijd en de samenleving waarin hij leeft. «De tijd hangt fanatiek aan leuzen», zegt Bint, «… de een zo hol als de ander. De leus vervangt het beginsel. Voor een leus loopt ieder storm, ook de jeugd.» Kinderen, vindt Bint, worden niet opgevoed door hun ouders, thuis leren ze niet gehoor zamen. De jeugd heeft een «gevaarlijke schijn van schoonheid» maar weet niet wat ze wil. «Ze gaat onder in macht omdat ze geen gehoorzaamheid leert, maar macht.» «Dit geslacht», zegt Bint, «is té bandeloos.»

Die nieuwe pedagogiek is «rottigheid», weet hij. «Men moet de cirkelgang durven gaan. (…) Men moet ver teruggrijpen en snel, naar het oude systeem van macht en van vrees. Dit oude is het nieuwste, het beste, het enige. Ik eis: een-stalen-tucht.» Luisteren naar de leerling is uit den boze: «Ik eis van de leraar dat hij zich niet inleeft in het kind, dat hij niet daalt. Ik eis van het kind dat het zich inleeft in de leraar, dat het klimt.» Essentieel is dat ook de docenten zich onderwerpen aan het systeem van Bint. Voor hen geldt het eenheidsbeginsel. Het lerarenkorps moet «één wezen» vormen. Leraren is het zelfs verboden met elkaar vriendschappelijke contacten te onderhouden: «Het korps kan niet de minste splijting dulden.»

Tucht is voor Bint een middel om leerlingen (leraren trouwens ook) beginselvast te maken, ze op te voeden, maar – en hier wil Bordewijk dat we goed opletten – níet tot slaafse navolgers en uitvoerders, maar juist tot wilskrachtige en zelfbewuste individuen: «De mens moet gehoorzaamheid leren en tucht. Daardoor onderwerpt hij zijn wil en ontdekt hij zijn wil.»

Tucht, analyseert Anneke van Luxemburg-Albers in haar proefschrift Betreft Bint uit 2002, is voor Bint dus niet een doel op zichzelf. Enerzijds leert het kind gehoorzaamheid – erkenning van en vrees voor de bestaande macht, bereidheid tot luisteren en het volgen van aanwijzingen. Anderzijds leert het zelftucht, bewustzijn van de eigen wil, opdat later grootse daden verricht kunnen worden. Wie anderen wil leiden moet zichzelf kunnen leiden. Bint wil een kweek van maatschappelijke «reuzen» maken.

Scholing is van secundair belang; karaktervorming, daar gaat het om. Alleen als zijn leerlingen gebruik weten te maken van wat ze geleerd hebben, als ze weten wat ze willen en er alles voor over hebben om dat te realiseren, dan zullen ze slagen. Juist de leerlingen van «de hel», aan het begin van de roman de ergste, meest gevreesde klas van de school, lijken daartoe aan het eind van het boek in staat. Bint zelf faalt: hij provoceert de zelfmoord van een leerling en treedt daarom af, maar zijn tuchtsysteem lijkt hem te overleven.

Ferdinand Bordewijk wilde met Bint niet zomaar een groteske roman schrijven. Bint heeft geen boodschap – die heeft kunst wat Bordewijk betreft niet – maar de schrijver wilde wel degelijk het maatschappelijke debat over jeugd en onderwijs beïnvloeden. Zelf gaf Bordewijk in de jaren twintig les op een handelsschool, waarbij orde houden niet zijn grote kracht was geweest. Bij het schrijven van Bint liet hij zich inspireren door die ervaringen, en door zijn herinneringen aan zijn eigen oude rector, een despoot.

De schrijver, indertijd inmiddels zijn brood verdienend als advocaat, maakt zich begin jaren dertig zorgen over het pedagogische klimaat van die tijd. Hij is niet de enige. In 1933 tekent een ouder protest aan dat zijn kind thuis strafwerk moet maken. De rechter slaat er de leerplichtwet op na en stelt de ouder in het gelijk. Voor veel onderwijzers is dan de maat vol. Ze eisen aanscherping van het tuchtrecht. Het is een reactie op de reformpedagogiek (Dalton, Montessori), die sinds het begin van de twintigste eeuw in zwang is. Niet de leraar maar de leerling staat hierin centraal. De onderwijzer moet luisteren naar en rekening houden met het eigene van ieder kind. Gevoelsleven en creativiteit moeten ruim baan krijgen. Het zijn nobele ideeën, die op de hogere niveaus wel aanslaan, maar vooraanstaande pedagogen als Koos Vorrink en Philip Kohnstamm beginnen zich af te vragen of de arbeiderskinderen op de ulo, mulo of handelsschool wel bij zo veel zachtaardigheid gebaat zijn. Ook speelt de vraag of de nadruk in het onderwijs nu moet liggen op karaktervorming of op scholing. In dat klimaat publiceert Bordewijk in 1934 Bint.

Ondanks zijn hoge verwachtingen verkoopt Bint maar matig. Over het boek wordt in de onderwijswereld en literaire wereld wel verhit gediscussieerd. De reacties zijn gemengd. Vanuit opvoedkundig standpunt is doodzwijgen de enige verantwoorde houding, zegt literatuurcriticus en schrijver Garmt Stuiveling. De literator Dirk Coster vindt dat de roman de aanstormende fascistische horden weerspiegelt en dat Bint een «psychische afwijking» is. De hoofdfiguur is een schoft, hetgeen volgens Coster impliceert dat de auteur dat ook is. In de onderwijswereld vinden velen dat Bint moordenaars en sadisten schept, in plaats van maatschappelijke mogelijkheden.

Zelf laat Bordewijk zich nauwelijks uit over zijn roman. Het is pleidooi noch satire, zegt hij. De intrige is niet af, zodat de lezer zelf het boek af kan maken. Maar dat het dan geldende systeem van lesgeven verkeerd is, dat staat voor Bordewijk buiten kijf. Jaren later zegt hij dat een Spartaans systeem volkomen op zijn plaats is: «De leraar moet despoot zijn: dat is de enige manier waarop hij iets bereiken kan.» Zijn eigen kinderen stuurt hij overigens naar welgestelde scholen met milde regimes.

De jaren dertig en de jaren nul vertonen overeenkomsten. Van der Karbargenbok heet nu Murat en zit op het vmbo. Zijn ouders zijn laag opgeleid en sociaal zwak. Ook als hij zijn diploma haalt heeft hij weinig toekomst. Hij is onrustig, dwars en ontregelt het schoolleven.

Toen begin dit jaar op het Haagse Terra College conrector Hans van Wierden was vermoord, sloeg een aantal kamerleden ferme taal uit, de VVD’er Balemans voorop. «Als ze niet willen horen, moeten ze maar voelen», riep de parlementariër. Ook in Rotterdam is de maat vol. «De tuchtschool is het laatste puntje van de fuik», stelt gemeenteraadslid Wim de Waal van Leefbaar Rotterdam. «Er gebeurt al heel veel: intensieve leerlingenbegeleiding met coaches, mensen uit de eigen gemeenschap die onverantwoordelijke ouders aanspreken, het time-out-programma en het rebound-programma (een afkoelperiode waarin de leerling buiten de school wordt opgevoed en vervolgens teruggaat naar school – evhp). De tuchtschool is bedoeld voor de sfeerverziekers, de zuigers – meestal niet de domsten – die niet eens iets strafbaars doen maar wel de zaak totaal ontregelen. Het is een eindoplossing. Als die andere middelen niet werken, is de tuchtschool hun laatste kans: daar halen ze onder een zeer streng regiem hun diploma, zodat ze toch met toekomst perspectief van school gaan. Of dat in de vorm van een internaat moet, dat weten we nog niet. In ieder geval: als ze niet meewerken, pakken we de ouders aan door bijvoorbeeld te korten op kinderbijslag of uitkering.»

De besturen van de drie grote schoolverenigingen, die de al bestaande opvangprojecten runnen, weigeren tot nog toe de tuchtschool op te zetten. «Je kunt ze veel beter binnen de eigen school opvangen en begeleiden», zegt de ongehoorzame bestuursmanager en woordvoerder Wim Littooij. Het College is woedend en eist opheldering. Ook de minister van OC&w heeft nog niet de eerste steen gelegd voor het landelijke netwerk van tuchtscholen en internaten dat de Tweede Kamer wil. De negentig miljoen euro die Maria van der Hoeven vanaf 2005 wil inzetten voor de veiligheid op de scholen is bestemd voor de uitbreiding van bestaande voorzieningen, zoals het rebound-programma.

Wie is er, behalve een handvol politici, eigenlijk wel voor de tuchtschool en het systeem van «macht en van vrees», dat Bint uitdraagt?

«Ik mag Bint wel graag aanhalen», zegt schrijver Robert Anker, tevens docent Nederlands op een havo/vwo in Amsterdam. «Het onderwijs heeft te veel een wat-vind-je-er-zelf-van-houding gekregen. Je zou leerlingen eerst eens moeten bijbrengen wat literaire kwaliteit is. Carry Slee op je lijst is een schande. Maximaal twaalf boeken in drie jaar tijd op het vwo: het is een lachertje. Het leesplezier van de leerling staat centraal, dat staat letterlijk in het leerplan. Op die momenten denk ik aan de oude Bint.»

«Maar», zegt Anker enigszins laconiek, «vroeger had je problemen op de ambachtsschool, nu op het vmbo. Dat is er altijd geweest. Conflicten worden tegenwoordig harder en openlijker uitgespeeld. Op de moord op een docent konden we, hoe wrang ook, wachten. Maar tucht is niet de weg. De roep om tuchtscholen is een schrikreactie en heeft niets te maken met een didactische visie. Een lerarenkorps dat een lijn moet trekken, tja, het leuke is juist dat de leraren zo verschillend zijn en hun eigen manier van doen hebben. Het lesprogramma is al zo gestroomlijnd, laat die verscheidenheid alsjeblieft bestaan. Waar wel behoefte aan bestaat, is duidelijkheid over wat niet en wel kan. Maar daar worden afspraken over gemaakt. Het afsluiten van contracten is al redelijk normaal. Er is zelfregulerend vermogen. Ik ben daar niet zo somber over.»

De Amerikaans-Nederlandse socioloog en leraar Engels Bowen Paulle is minder positief. Het wezenlijke probleem is wat hem betreft niet het geweld. Dat is eerder een uitvloeisel. Hij maakt zich vooral zorgen over wat hij noemt «de chaos in de hoofden van de leerlingen». Paulle: «Het gaat om kinderen zonder structuur in hun leven, die in de war zijn en zich bedreigd voelen. We moeten ze structuur en veiligheid bieden. Rust, reinheid en regelmaat. Op problematische scholen moet dat het allereerste doel zijn. Karaktervorming komt eerst, dan scholing. In die zin ben ik het met Bint eens. De multiculturele, zachte aanpak klinkt geweldig voor mensen uit de linkse middenklasse die hun kinderen naar veilige scholen kunnen sturen. Ik kom zelf uit zo’n milieu. Maar ik heb les gegeven in de Bronx en in Amsterdam Zuid-Oost, ik heb de chaos van het getto meegemaakt, en heb ervaren dat de linkse ideologieën niet werken in de praktijk. Is de tucht van Bint dan de oplossing? Nee. De zwakte van het systeem van Bint is dat het alleen maar structuur en discipline biedt. Het biedt geen warmte en daarmee geen veiligheid. Wil je de leerlingen opvoeden tot mensen die gezonde sociale relaties kunnen onderhouden, dan moet je daarin een balans weten te vinden.»

Leo Prick, onderwijsdeskundige en columnist in NRC Handelsblad, is vooral somber over de daadkracht van de docenten: «De alles-moet-kunnen-generatie domineert nog steeds het onderwijs. Met die houding red je het niet meer. Het valt me altijd op dat het zelfcorrigerende vermogen van leraren nul is. Leidinggevenden durven andere docenten niet aan te spreken op hun werkwijze of gedrag. ‹Dan meldt-ie zich de volgende dag ziek›, wordt er dan gezegd. De jongere generatie is gelukkig veel realistischer en pragmatischer, maar het duurt nog een tijd voordat die aan de macht is. Voorlopig blijft het taaie materie.»

Met de roep om tuchtscholen moet je uitkijken, vindt Prick. Eerst kijken wat er is aan bestaande regelgeving en die nu eens echt gaan handhaven. «Je zult zien dat er dan veel minder leerlingen uit de boot vallen. Als er in het reglement staat dat er niet mag worden gerookt op de gang, dan geldt dat voor iedereen. Ook de leraren. Dat zijn geen kleinigheden, dat is nu juist precies waar het om gaat.»

In 2001 werd interimmanager Adri Bleeker voor een jaar ingehuurd door het Calvijn College in Amsterdam-West. De vorige directeur was na bedreigingen en een reeks gewelddadige incidenten vertrokken. In een jaar stelde Bleeker orde op zaken. Nu is het Calvijn een school zonder vacatures en populair onder jonge leraren. Inmiddels is Bleeker alweer twee scholen verder. «Ik ben weleens gekscherend vergeleken met Bint, maar ik ben zeker geen voorstander van Bints systeem van macht en vrees. Je moet wel te allen tijde helder zijn. Het is heel eenvoudig: elke school heeft al een reglement, je spreekt af dat de regels van nu af aan weer gehandhaafd gaan worden. Iedereen is het daarmee eens, maar in de praktijk wordt het niet gedaan. En dan zeg je, net als Bint: van nu af aan doen we het wel en wie niet meedoet krijgt te maken met sancties. Die sancties zijn dan wel keihard. Ik doe wat ik zeg en ik zeg wat ik doe. In de praktijk kijken mensen daar heel raar van op.»

Het moeilijkst mee te krijgen zijn de leraren, vindt Bleeker. Dat het lerarenkorps «een wezen» moet vormen, zoals we in Bint lezen, daar gelooft hij niet in. «Maar leraren moeten wel één lijn trekken. Leraren zijn geneigd voor de zwakste leerlingen te kiezen. Dat komt vaak doordat ze zelf zwak zijn. Ze denken dat ze de leerling helpen door hem de hand boven het hoofd te houden, maar het tegendeel wordt bereikt. Veel leraren zijn ook bang om hun problemen aan de leiding voor te leggen.»

Ook volgens Bleeker speelt er een generatieconflict. De geitenwollensokkengeneratie van vijftig-plus, een heel grote groep die gewend is zich «eindeloos» in te leven in de wereld van het kind, versus de no-nonsense-generatie van dertigers en twintigers. «Dat clasht in de leraren kamer. Het punt is: die oudere docenten wonen en leven in slaapsteden en komen naar de stad met de wens om gewoon hun lessen te geven. Maar ze komen in een wereld terecht die de hunne niet meer is, die ze niet meer herkennen. Ze zijn niet flexibel genoeg voor de leerlingen van deze tijd.»

Bleeker gelooft niet in de tuchtschool. Je hebt nu eenmaal altijd een groep leerlingen waarmee je niet uit de voeten kunt, vindt hij net als Anker en Prick. Dat is altijd zo geweest. «Het beste is: tijdelijk isoleren en weer terug zetten in de groep. Voor die leerlingen hebben we de structuurklas ingesteld. Ze worden in een apart lokaal gezet, waar ze moeten werken onder leiding van een buitengewoon strenge docent annex psycholoog. Ze komen de klas niet uit en ze beginnen en eindigen op andere tijden dan de rest van de school. We isoleren ze dus van hun normale vriendenkring. Dit is in feite het speciale onderwijs dat in de loop der jaren is wegbezuinigd. Na maximaal twaalf weken kan de leerling weer meedraaien in zijn eigen klas. Lukt dat niet, dan moet hij van school af. Maar dat heb ik nog niet meegemaakt.»

Geen tuchtschool dus? «Nee. Te veel isolement, te negatief. De tuchtschool is het voorportaal van de justitiële inrichting. Dan kun je ze net zo goed direct in de gevangenis gooien.»

Bint. Bij een plaquette in de Saftlevenstraat, ooit de eerste Rotterdamse straat met camera toezicht, zal het blijven. Zijn systeem van stalen tucht is uiteindelijk te kil, te totaal, te literair. Dat neemt niet weg dat de roman voor menige docent nog altijd een bron van inspiratie kan zijn aan het begin van een nieuw schooljaar. Uit de door politici geuite roep om tucht spreekt vooral de behoefte aan ferme woorden en repressie als remedie. Bordewijks Bint had dieper over het nut, de werking en het resultaat van tucht nagedacht.

Wat wel lijkt te werken, en ook navolging krijgt, is het systeem van Bleeker, in zekere zin de Bint-light van deze tijd. Keihard zijn maar ook glashelder en consequent. En dat dan gekoppeld aan de liefdevolle «rust, reinheid en regelmaat» van Bowen Paulle. Wat van Bint overblijft is de les dat de leerling moet «klimmen» naar het niveau van de leraar, in plaats van andersom. En dat je onverbiddelijk moet zijn in de uitvoering van je programma en de hand having van je regels.