Menno Hurenkamp

De school van fabriek tot supermarkt?

In Deventer is er één school. Of je nu naar vmbo, havo of vwo gaat, je zit op het Etty Hillesum College. Wil je een alternatieve vorm van onderwijs of een religieuze school, dan heb je pech en moet je uitwijken naar een andere stad. Dat is een gebrek aan ouderwetse, Nederlandse, vrijheid. Als iets dit land kenmerkt, dan toch het recht op onderwijs naar eigen overtuiging.

Aan die keuzevrijheid dreigt een einde te komen. Door het hele land verrijzen onderwijsfabrieken die allerlei opleidingen onder één bestuurlijk dak herbergen. Door de enorme schaal – enkele duizenden scholieren op een voortgezet-onderwijsinstelling is niet ongebruikelijk – verdwijnen leerlingen, leraren en ouders steeds meer in de anonimiteit. Dat is de verdienste van de ene na de andere PvdA-minister, die in de jaren tachtig en negentig het onderwijs tot fuseren opzweepten. Het moest groot, want groot was goed. Groot was goedkoper: samen pennen en papier kopen geeft korting. En groot was makkelijker aan te sturen door Den Haag: minder adressen waar circulaires naartoe moeten.

De Onderwijsraad, een adviesorgaan van geleerden, constateerde deze week dat de op deze manier aangejaagde fusiedrang ouders en leerlingen belemmert in hun keuzevrijheid. Er moet een einde komen aan de onderwijsfabrieken. In principe heel verstandig, weg met de fabriek! Maar gek genoeg stelt het advies aan de minister van Onderwijs onder meer als oplossing voor om meer concurrentie tussen scholen te organiseren. Van der Hoeven moet van de Onderwijsraad fusies verbieden wanneer een school meer dan vijftig procent van het marktaandeel dreigt te krijgen. Hoezo moeten scholen om «marktaandeel» «concurreren»? Is dat nu het fameuze «maatschappelijke middenveld» van het CDA? Opleidingen die elkaar op leven en dood te lijf gaan, met advertentiecampagnes elkaar om de oren slaan of met een lekker goedkoop boeken pakketje de leerlingen lokken? Er is nog niet de schijn van een indicatie dat zo een van de vele problemen waar leraren en leerlingen mee worstelen wordt opgelost. Hier doet zich andermaal het fenomeen voor dat een tradi tioneel christen-democratisch domein, dit keer dat van de schoolbesturen, opgezadeld wordt met marktjargon. En het jarige CDA laat het zich weer vrolijk aanleunen.

Een school moet leerlingen, ouders, leraren én de maatschappij tevreden maken. Dat zijn stuk voor stuk géén marktpartijen. Het sovjetmodel is in Deventer niet alleen uit bestuurlijke megalomanie ontstaan. «De scholen concurreerden elkaar op een verkeerde manier dood», vond VVD(!)-wethouder Scholten (NRC Handelsblad, 15 februari). De probleemkinderen vielen overal buiten. En voor het stadsbestuur was segregatie tegengaan veel belangrijker dan de diversiteit aan onderwijs bevorderen. En al is het resultaat verre van optimaal – steeds meer kinderen gaan in omliggende dorpen naar school – de huidige school kent allerlei faciliteiten om probleemleerlingen op te vangen. Dat was volgens het bestuur niet gelukt met kleine, elkaar beconcurrerende scholen.

Oftewel, één fundament van het onderwijs – keuzevrijheid – staat soms haaks op een ander – integratie. Het onderwijs is noodzakelijk een mengsel van persoonlijke en maatschappelijke ambities. Het begrippen apparaat van «markt» en «concurrentie» laat dat mengsel nog harder schiften dan de grootheidswaan van de afgelopen decennia. Het kostte twintig jaar om toe te geven dat scholen geen fabrieken zijn. Zou het ook zo lang duren voor we constateren dat scholen geen supermarkten zijn?