De scherpschutter als cultureel icoon

De schoonheid van één kogel

De scherpschutterij is in het laatste decennium explosief gegroeid door agressieve marketing van de wapenindustrie. Maar al langere tijd geldt de scherpschutter als een cultureel icoon. Dat blijkt eens temeer nu een geheimzinnige killer de Verenigde Staten in zijn greep heeft.

Laten wij ons in zijn positie verplaatsen, schrijft Norman Mailer in Oswald’s Tale. Bijvoorbeeld op de zesde verdieping van het boekendepot in Dallas, Texas. Door het telescopische vizier van een gammel Italiaans geweer, geladen met kogels uit 1947, ziet hij zijn doel aankomen: in de auto die zich in slakkengang voortbeweegt in Houston Street. Het moment nadert. Is de scherpschutter er klaar voor? Het spant erom. Mailer: «Zou een amateur die er niet van overtuigd is dat hij geestelijk sterk genoeg is om dat eerste schot af te vuren, zichzelf nog voldoende vertrouwen om het een tweede keer te proberen?»

Inderdaad, de eerste keer dat hij kan toeslaan, mist de schutter. Maar wanneer de limousine met John F. Kennedy rechtsaf Elm Street in slaat, is het zo ver: drie schoten in 5,6 seconden, waarvan twee dodelijk. Niet alleen blijkt de moordenaar er psychisch toe in staat te zijn het eerste, grensoverschrijdende schot te lossen, ook heeft hij voldoende ijs in zijn aderen om een fenomenale schietprestatie te leveren. Later leidde het klaarblijkelijke vernuft van de moordenaar ertoe dat experts voor de Warren-commissie getuigden dat Lee Harvey Oswald onmogelijk de sluipmoordenaar van Kennedy kon zijn geweest. De reden: hij was een mislukte marinier en een hopeloze schutter. En de moord op Kennedy vereiste bijna bovenmenselijke schiettechniek, wat ook de conclusie was van de beroemdste sniper in de Amerikaanse geschiedenis, Carlos Hathcock, die tijdens de Vietnamoorlog 93 sluipmoorden op zijn conto schreef. Hathcock probeerde de moord op Kennedy te reconstrueren. Oswald kon onmogelijk de dader zijn.

Niet iedereen is ervan overtuigd dat Oswald een belabberde schutter was — zeker niet de aanhangers van de burgerlijke scherpschutterij, een bizarre subcultuur die de afgelopen tien jaar explosief is gegroeid en waarin miljoenen dollars omgaan. Voor de leden ervan is het schieten een kunst, te meer wanneer het gaat om een schot van lange afstand onder moeilijke omstandigheden.

Heimelijk zullen ze bewondering hebben voor de scherpschutter die Amerika op dit moment in zijn greep heeft. In de omgeving van Washington schoot deze sluipmoordenaar — die volgens experts kenmerken vertoont van een seriemoordenaar — in anderhalve week acht mensen dood en verwondde er twee. Dankzij het snelwegennetwerk verdwijnt hij na iedere aanslag. Doorgaans gebruikt hij één kogel van het kaliber .223. Ontsnappen aan die ene kogel is onmogelijk. De angst zit er goed in; willekeur kenmerkt de moorden. Politiehoofd Charles Moose spreekt van een «doelrijke omgeving». Kinderen gaan onder begeleiding van veiligheidsagenten naar school. Openbare evenementen worden afgelast. Duizenden agenten van FBI en politie jagen op de dader.

Het was allemaal een kwestie van tijd. Al in 1999 waarschuwde het Violence Policy Center (VPC) in een studie dat de wapenindustrie met agressieve marketing scherpschuttersgeweren aan de man brengt. Deze ultra moderne wapens hebben geen enkel sportief nut. Sommige kalibers zijn zo krachtig dat een schutter er een helikopter mee uit de lucht kan halen. Van specificaties als deze raken wapenenthousiastelingen onder de indruk. De conclusie van het VPC luidt: «De subcultuur van de scherpschutter vormt een aantrekkingskracht voor onevenwichtige persoonlijkheden en creëert een ideale omgeving voor terrorisme.»

Ironisch zijn de angst en afschuw waarmee Amerika de terreur van de scherpschutter bejegent. De iconologie van de scherpschutter is immers diepgeworteld in de Amerikaanse cultuur, die de context vormt van de moorden in Washington. In die context hebben vuurwapens een haast erotiserende aantrekkingskracht. Dat uit zich in de vorm van talloze websites waarop men de schoonheid van the kill bezingt. Beroemde prestaties — bijvoorbeeld die van Lee Harvey Oswald — krijgen een speciale vermelding. Op snipercountry.com is te lezen dat Oswald duidelijk de moordenaar van Kennedy was, aangezien hij een mariniersopleiding genoot. Dezelfde lofzang valt nog een beroemde scherpschutter te beurt: Charles Whitman, die op 1 augustus 1966 in Austin, Texas, veertien mensen doodschoot vanaf een watertoren bij de Universiteit van Texas. Ook al een marinier, signaleert snipercountry.com. Een boosdoener, dat wel, maar een marinier die accuraat doelen wist te treffen die maar liefst vierhonderd meter weg stonden! In Stanley Kubricks film Full Metal Jacket krijgen de soldaten in opleiding Whitman voorgeschoteld als lichtend voorbeeld van wat een marinier met een geweer wel niet kan bereiken.

De bewondering voor de schietprestaties van deze beroemde moordenaars verschilt nauwelijks van de verering van meer tradi tionele scherpschutterhelden als sergeant Carlos Hathcock, die samen met korporaal John Burke in vijf dagen in de Olifantsvallei in Vietnam een hele Noord-Vietnamese compagnie uitmoordde. De Hathcock-legende — inmiddels even geïnternaliseerd als die van Davy Crockett of Jim Bowie — illustreert de aantrekkingskracht van de moderne scherpschutter. De Washington Post verhaalde in 1997 hoe juist in de tijd van slimme bommen en Tomahawks het leger steeds meer scherpschutters opleidde. Want «men heeft geleerd dat er nog altijd plaats is voor een alleen lopende soldaat met een kogel van vijftig cent». Het verhaal onderscheidt zich van hijgerige heldenverering doordat het accent ligt op het effect dat het doden heeft op de gewone soldaat. Sergeant Darren Carey vertelt bijvoorbeeld dat hij nog iedere dag kampt met het feit dat hij in Somalië één man heeft gedood.

Leven volgens het motto van de scherpschutter — één kogel, één dode — blijkt tegen te vallen. Kon Oswald ermee leven? «De kernvraag», schrijft Mailer, «is niet zozeer of hij goed kon schieten, als wel of hij de ziel van een killer had.» De auteur corrigeert zichzelf: «Hoewel, dat is te simpel gesteld. Iedereen is, indien hij ertoe wordt gedreven, in staat tot moord of zelfmoord of beide.»

De «Psycho Sniper» heet hij inmiddels in de Amerikaanse pers. En het fictionaliseren van zijn identiteit en karakter is volkomen terecht. Want de man die het land terroriseert met zijn scherpschuttersgeweer imiteert films, bewust of onbewust. In Targets — gemaakt vijf jaar na Oswald en twee jaar na Whitman — is het kerngezin een burgerlijk nest dat een sluipmoordenaar voortbrengt die Bobby heet. Regisseur Peter Bogdanovich baseerde het personage van Bobby op scherpschutter Charles Whitman. Net als Whitman is Bobby gek van vuurwapens. Maar Bobby wil meer dan papieren-schijfdoelen. Over zijn impulsen probeert hij, net als Charles Whitman, te praten met zijn vrouw. Vergeefs.

Het enige wat overblijft, is de fantasie te verwerkelijken. Dat doet hij vanaf een watertoren naast een snelweg. Daar eet hij eerst een boterham. Hij drinkt een cola. Dan pakt hij zijn scherpschuttersgeweer en richt het op de auto’s op de snelweg. Hij doodt vijf automobilisten voordat hij moet vluchten voor de politie.

Het turen door het vizier is in scherpschuttersfilms minstens zo belangrijk als het overhalen van de trekker. Illustratief voor de connectie tussen voyeurisme en moord is het gebruik van de Zapruder-film in het onderzoek naar de Kennedy-sluipmoord. Door de hoeveelheid frames per seconde te tellen kon men nagaan hoe lang de schutter nodig had voor het afvuren van drie schoten. Dat was mogelijk doordat het oog van de camera precies hetzelfde zag als het oog van de scherpschutter. Zowel de voyeur als de scherpschutter komt in een positie van macht te staan in relatie tot het object dat wordt bekeken of beschoten.

De seriemoordenaar hunkert naar macht. Dat is waar Scorpio het om doet in Dirty Harry (1972). Scorpio heeft het gemunt op katholieke priesters, homoseksuelen en zwarten. Op de daken van San Francisco koppelt hij het vizier los van zijn geweer om eerst uitgebreid de mensen beneden te bespieden alvorens toe te slaan. Macht over het slachtoffer verschaft seksuele voldoening. Zijn eerste kill vindt plaats op het dak van een onwaarschijnlijk hoge wolkenkrabber. Het fallische karakter van het gebouw correspondeert met dat van de langwerpige geluiddemper aan zijn geweer. De koppeling tussen man en fallus leidt tot ejaculatie: een bijna geluidloos schot gevolgd door het verschijnen van rode spetters op de rug van een meisje in een zwembad op het dak van het volgende gebouw. De scène correspondeert met Assault on Precinct 13 (1976), waarin het bloesje van een meisje opeens rood verkleurt. Regisseur John Carpenter accen tueert de seksuele aard van het scherpschuttersgeweer van de moordenaar door het wapen langzaam van links naar rechts in beeld te laten verschijnen.

Het moorden is opwindend. Dat is ook de motivatie van een «goede» scherpschutter in Léon/The Professional (1994) van Luc Besson. Léon, gespeeld door de Franse acteur Jean Reno, is een sluipmoordenaar voor de maffia. Hij ontfermt zich over een meisje van tien. Zij wil leren een «pro» te worden. Het is een moeilijke film, vooral door het thema pedofilie en de beelden waarin Léon liefdevol aan het meisje verduidelijkt wat je allemaal met een vuurwapen kunt doen. Belangrijk is dat Léon onmiskenbaar een tragische held is. Eerst droomt hij in de bioscoop weg bij films van Gene Kelly en dan neem hij het op tegen corrupte boeven en monsterachtige politiemannen. Als scherpschutter is hij de antiheld van een verloren maatschappij.

Het zou Lee Harvey Oswald kwetsen, schrijft Norman Mailer, als hij wist dat hij als antiheld wordt beschouwd, en niet als held. Voor Oswald was de moord een terecht stelling ten tijde van oorlog, een nihilistische daad in een wereld vol waanzin. Er is geen andere Amerikaan die meer bij ons spookt dan hij, stelt Mailer. Hij is als een geest.

Deze geest wordt nu gereïncarneerd in het asfaltoerwoud rond Washington, waar een man met een geweer fantaseert over de schoonheid van één kogel.