TONEEL De weerstaanbare opkomst van Arturo Ui

De schoot is vruchtbaar nog…

Een beroemd voorbeeld van hergebruik van klassieke stof uit de toneelgeschiedenis is de wijze waarop Bertolt Brecht het materiaal van Shakespeare’s Richard III inzette om een parabel-stuk te schrijven over Adolf Hitler.

BERTOLT BRECHT had een aan pure jalousie de métier grenzende bewondering voor William Shakespeare en diens public theatres in het Elisabethaanse Londen. Hij bewerkte Shakespeare een aantal keren, alsof hij hem probeerde te overwinnen, wat natuurlijk nooit lukte. Brecht maakte een (politieke) bewerking van het Rome-stuk Coriolanus, waar het stuk misschien wel politieker maar niet beter van werd. Zijn analyse van Hamlet is spitsvondig, maar als basis voor een toneelopvoering goeddeels onbruikbaar. Het verst in het benaderen van zijn grote voorbeeld kwam Brecht in zijn plan om een farce te schrijven over de (on)weerstaanbare opkomst van Adolf Hitler, in de vorm van een gangster-vaudeville (Hitler als Al Capone) die weer goeddeels gemodelleerd was naar het voorbeeld van Shakespeare’s schurkenstuk, het koningsdrama Richard III. De eerste versie van het stuk - in een soort razernij binnen drie weken geschreven in maart 1941 - was getiteld Arturo Ui - ein dramatisches Gedicht. Later zou het stuk zijn definitieve titel krijgen: De weerstaanbare opkomst van Arturo Ui, geschreven in hinkepotende, kreupele blanke jamben (‘Knittelverse’), waarin een gangsteroorlog in de denkbeeldige stad Cicero (inzet: de handel in bloemkool, het kán niet lulliger) dient als metafoor voor de opkomst van de kleine straatvechter Arturo Ui (spreek uit: Oewie) en zijn mannen.
In zestien scènes beschrijft Brecht hoe Ui en zijn bendeleden door de industrie worden gebruikt om de traditionele politiek terzijde te schuiven, tot ze zich niet meer laten gebruiken en een politieke en paramilitaire kracht van zichzelf worden. De parabel begint bij de crisis in de jaren twintig en eindigt midden in de zogeheten Anschluss van Duitsland en Oostenrijk. De namen van gangsters en politici zijn verbasterd, Giri is Göring, Givola staat voor Goebbels, Roma voor SA-man Röhm en Dogsborough is president Hindenburg. Een aantal sleutelscènes uit Richard III wordt leep hergebruikt. De moord van de aanstaande koning op zijn broer Clarence is bij Brecht de huiveringwekkende verbeelding van de Nacht-van-de-lange-messen, waarin Hitler/Ui zich ontdoet van zijn strijdmakker Röhm/Roma. Het meesterspel van Richard van Gloucester om de bevolking van Londen te winnen voor zijn koningschap wordt bij Brecht het Rijksdagbrandproces tegen onze landgenoot Marinus van der Lubbe, een kil nummertje politiek cabaret à la Die Pfeffermühle van Erica Mann. En de beroemde bijna-openingsscène van Richard III, waarin Gloucester de kroonprinsweduwe Lady Ann verleidt boven op de doodskist van haar schoonvader, de vorige koning, zit in Brechts Arturo Ui helemaal achter in het stuk. Daar overweldigt Hitler/Ui de weduwe van de (Oostenrijkse) kanselier Dolfuss/Dullfeet. In de Berlijnse voorstelling van Arturo Ui uit 1995 in de regie van Heiner Müller (tot zeer onlangs op het repertoire van het Berliner Ensemble) werd die scène een regelrechte verkrachting met een hilarisch staartje: Arturo Ui stond op van zijn volumineuze slachtoffer met samengeknepen dijen en… ogenschijnlijk zonder geslacht - waarna de Ui van acteur Martin Wuttke panisch tussen de rokken van Mrs. Dullfeet naar zijn pik begon te zoeken, een pikante verwijzing naar Hitlers veronderstelde impotentie.
Die enthieltsame Aufstieg des Arturo Ui mag dan geen moment de grandeur van Richard III ook maar benaderen, in het spel met de taal bereikt Brecht een eigen kwaliteit van kwaadaardigheid, ook en misschien wel met name als hij de jamben laat rijmen. Een paar voorbeelden uit de vertaling van Guus Rekers (1983). Uit de genoemde scène in het slot van het stuk tussen Betty Dullfeet en Arturo Ui:
Dullfeet: U leeft als een Spartaan heb ik vernomen
Ui: 'k Haat tabak en alcohol als Luther Rome
Dullfeet: U bent bijna een heilig man zegt men
Ui: Zinnelijke lust is iets dat ik niet ken
Dullfeet: En uw geloof, Ui, waar ik nog niet naar vroeg
Ui: Een christenmens, dat zegt voor mij genoeg
Dullfeet: De tien geboden waar wij zo op bouwen
Ui: Moeten zich ver van ’t ruwe leven houden
Dullfeet: Als mij, Ui, nog een vraag is vergund
Is de sociale zaak voor u een punt
Ui: Ik ben sociaal, wat men alleen al daaraan merkt
dat ik ook graag met rijken samenwerk.

ALS GIVOLA (Goebbels) zijn eeuwige rivaal Roma (Röhm) naar zijn standrechtelijke executie stuurt gaat dat zo: 'Mijn been is mank, niet waar? Precies als jouw verstand!/ Nu op jóuw rechte benen naar díe wand!’ De regisseur van de voorstelling die in 1983 in Amsterdam van Arturo Ui werd gemaakt, de Oost-Duitser Fritz Marquardt, schreef in het programmaboekje: 'In tegenstelling tot Richard III mist Arturo Ui elke allure. Desondanks heerst hij op een schaal waar Richard in zijn stoutste dromen nog niet aan had durven denken. Deze gegevens roepen een gevoel van machteloosheid wakker bij dit stuk.’ Een machteloosheid die wordt versterkt door de epiloog die Brecht het stuk meegaf: 'Zo kan men leren waartoe ’t leidt wanneer/ Men maar blind toekijkt en meer praat dan doet/ Haast had ’t krapuul de wereld geregeerd!/ Geallieerd won men ’t pleit, voorgoed?/ Dat niemand zich te vlug vleit met die hoop/ De schoot is vruchtbaar nog waaruit dit kroop.’