Pleidooi voor de politieke partij

De schrale begroeiing tussen burger en staat

Politieke partijen lijken losgezongen van de samenleving. De kiezer vindt andere wegen om zijn (on)genoegen kenbaar te maken. Dus is de vraag: hoe trekt de staat mensen weer de politiek in, voorbij de gemakzuchtige middelen van het internet en de media?

Joop den Uyl en Wim Kok op campagne voor de PVDA, Hoorn, 8 mei 1986 © Bert Verhoeff / Spaarnestad / HH

Het zijn geen gouden tijden voor klassieke politieke partijen. In nagenoeg elke verkiezing in het laatste decennium verloren ze stemmen, slonk hun ledenaantal en werden ze geplaagd door corruptieschandalen. In Duitsland staat de spd op een schampere veertien procent in de polls, in het kielzog van de rechts-populistische AfD. In Nederland schommelt de pvda onder de tien procent, het cda op acht, terwijl de Franse PS na een korte flirt met de kiesdrempel bijna in rook opging.

In 2011 vond de Ierse politicoloog Peter Mair dat het zelfs tijd was geworden voor een ‘in memoriam’ voor de politieke partij. ‘Het tijdperk van de partijdemocratie is voorbij’, zo stelde hij. Hoewel partijen nog overleefden en aan verkiezingen deelnamen, waren ze ‘zodanig losgezongen van de samenleving’ dat ze ‘een vorm van competitie najoegen die totaal betekenisloos’ was. De voornaamste reden daarvoor was de druk van machtsgroepen buiten de politiek, die vonden dat partijen te nauw met hun achterban vergroeid waren. Zo belemmerden ze neutrale politiek en de mogelijkheid tot verantwoord beleid.

De overgebleven zombiepartijen noemde Mair ‘kartelpartijen’. De term duidde op de verschansing van de politici in de staat en de gevaarlijke verbroedering van de middenpartijen, die uit steeds kleinere poules postjes waren gaan verdelen. Al doende werd politiek weinig meer dan een rotatie van elites.

Mairs term onderging sinds 2009 een aantal interessante metamorfoses. Toen NRC-journalist Mark Lievisse Adriaanse in 2017 bij Thierry Baudet op bezoek ging, trof hij daar Mairs boek Ruling the Void op de leestafel aan, omringd door klassiekers van Alexis de Tocqueville en John Stuart Mill. Baudet had voor zijn laatste boek – Breek het partijkartel! – Mairs concept van de ‘kartelpartij’ omgetoverd naar het algemenere ‘partijkartel’ en zag het nu als zijn taak om datzelfde kartel te vernietigen. Lievisse Adriaanse vond het een slimme list.

‘Dat er in Nederland kartelpartijen zijn’, zo schreef hij in 2017, ‘betekent niet dat het partijsysteem een partijkartel is dat nieuwkomers buiten houdt.’ Integendeel, Nederland had ‘mede dankzij de lage kiesdrempel’ een van de ‘meest open partijsystemen ter wereld’, waardoor er nergens ‘marginale stromingen zo makkelijk verkozen werden als hier’. Bijna acht jaar later, na de klinkende overwinning van het FvD, lijkt zijn voorspelling bewaarheid geworden.

De overwinning van het FvD heeft in weldenkende kringen tot stevig zelfonderzoek geleid. In een stuk voor de NRC gaf Bas Heijne al aan dat het aloude tegengif tegen het populisme – meer ‘participatie’, meer ‘opvoeding’ – nutteloos was. Er waren drastischere middelen nodig. ‘Láát die kokette geschoktheid’, pleitte hij, ‘die zelfgenoegzame, tot niets verplichtende veroordeling van het kwaad.’

Vreemd genoeg leek er ook bij Heijne’s reflectie weinig aandacht voor de kern van het FvD-vertoog – de kritiek op het ‘partijkartel’, en de achterdocht tegenover de partij op zich die daarin schuilt. Dat is jammer, aangezien zo het hedendaagse lot van de partij onbesproken blijft tegenover andere organisatievormen – sociale bewegingen, vrije verenigingen, online activisme.

Onder Heijne’s waarschuwing schuilt ook een ongemakkelijke onduidelijkheid. De klassieke remedies tegen het populisme werken klaarblijkelijk niet. Maar hoe articuleer je dan institutionele alternatieven, voorbij een wervende wijziging van houding (‘laat die geschoktheid, die zelfgenoegzame veroordeling’)? Als alle klassieke oplossingen – online referenda, burgerraden, online consultaties – alleen maar boter aan de populistische galg zijn, wat biedt er dan echt hulp?

Misschien behoeft Heijne wel een betoog over dat erg oubollige instituut dat door Baudet zo vaak wordt afgebrand: de politieke partij. Politieke partijen werden niet voor niets ooit als moderne instituten bij uitstek omschreven. In tegenstelling tot middeleeuwse gilden was het lidmaatschap van een partij niet verplicht – het was een vrije vereniging, waarin burgers zich verenigden om gezamenlijk een stem te vormen. Dat deden ze door vertegenwoordigers te benoemen, die daarna hun belangen konden vertolken op statelijk niveau. Zoals de Italiaanse marxist Antonio Gramsci aangaf, was de partij daarmee het moderne equivalent van Machiavelli’s prins. Die zou met tact en inzicht complexe politieke situaties de baas kunnen. Dat kon door zowel een basis als een kader op te bouwen; partijen werken zowel van boven naar beneden als van beneden naar boven.

Hedendaagse partijen lijken mijlenver af te staan van dat ideaal. Ze hebben zich volgens Baudet eerder als parasieten aangehecht aan de staat, overleven op belastinggelden of schimmige donoren en bestaan enkel nog maar voor leiders en postjespakkers. ‘Partijen’, zoals de ‘populist’ vandaag stelt, zijn weinig meer dan veredelde baantjescarrousels.

***

Een pleidooi voor de partij zou natuurlijk moeten beginnen met een erkenning dat er in Baudets concept ook wat waarheid schuilt. In de laatste dertig jaar zijn alle grote Europese partijen wel degelijk in een diepe crisis verzeild geraakt, mede in hun ledenaantallen. De Duitse spd had een miljoen leden in 1986; in 2003 had ze er nog maar 660.000. Het Britse Labour had er toen 700.000, in 2003 nog maar 200.000 (om recente redenen ligt dat nu anders). De Nederlandse pvda had er 90.000, later nog maar 57.000 – een daling die zich in de laatste tien jaar alleen maar heeft doorgezet. Bij conservatieve partijen was de val even onthutsend: de Britse Tories verloren tussen 1973 en 1994 één miljoen leden, terwijl de Franse gaullisten van 760.000 naar 80.000 leden terugliepen. In Nederland was de terugval minder spectaculair maar niet minder markant. Van de 125.000 leden van het cda in 1990 bleven er in 2000 maar 68.000 over. Bij de vvd ging het van 60.000 in 1990 tot 37.700 in 2009.

Theo Hiddema omschreef in 2017 Rutte niet voor niets als een ‘door spindoctors opgetrokken trekpop’

Het moet duidelijk zijn dat het hier niet alleen over het verliezen van een aantal kernkiezers gaat. De afkalving van die partijdemocratie gaat ook over het verlies van een bepaald ‘middenveld’: instituten die zich tussen de burger en de staat bevinden en de verhouding van de burger tot die staat vormgeven: vakbonden, boerenbonden, kerken, wijkclubs. Historici spraken vaak van de pvda als een partij die overal ‘vertakkingen’ had in de samenleving, een boom waarvan de twijgen in elke maatschappelijke laag zichtbaar waren. In die vertakking school ook vaak een belofte van sociale mobiliteit. In de jaren zeventig telde het Britse Lagerhuis 150 leraren, 20 ingenieurs en 30 mijnwerkers onder zijn leden, waarvan het merendeel vanuit het vakbondswezen of arbeidersclubs was opgeschoten.

Een smallere partijbasis betekent nog niet dat partijen hun rol als beleidsleveranciers opgeven. Bestuurders werken zich nog altijd naar boven binnen partijstructuren, maar doen dat steeds minder met democratische ruggensteun. Sinds de jaren negentig komen politici steeds vaker uit het academische milieu of de zakenwereld. In plaats van de vakbondsleider of tribuun trad er toen een nieuwe persona op de voorgrond: de expert. De Amerikaanse sociologe Stephanie Mudge noemde dat onlangs de ‘herprofessionalisering’ van de partijpolitiek, iets wat sterk lijkt op de in Nederland bekende ‘diplomademocratie’. De boom van de partij mag dan wel uitgehold zijn, ook een rotte stam blijft nog altijd een dankbare weg om naar de top te klauteren.

Bovenal leidde het wegkwijnen van die partijbasis tot een nieuwe communicatiemodus bij vele politici. Zij hadden binnen partijen geen achterban waarop bij elke verkiezing een beroep kon worden gedaan. Dat was vooreerst heuglijk nieuws, aangezien het partijen in staat stelde om vooral via mediacampagnes een breder publiek te bereiken. Tony Blair wilde binnen Labour af van de oude vakbondsstem, die toegang tot een breed kiezersreservaat leek te belemmeren. Uiteindelijk had de tactiek ook risico’s: iedereen én niemand werd eensklaps een potentiële kiezer. De tijd die politici spendeerden aan voorlichting en imagovorming deed sommigen het vermogen tot zelfstandig denken verleren. Politici moesten beter leren ‘framen’, maar hadden lak aan een coherente wereldvisie.

Dat probleem is nu alom zichtbaar. Op de jaarlijkse zomerschool van de Vlaamse socialisten SP-A – het onhandige ‘SP-academy’ – wordt vooral op ‘communicatie’ getraind en niet per se op het uitzetten van wereldbeschouwing. Toekomstige socialisten leren er voornamelijk ‘hoe je het goed kunt uitleggen’, stelt historicus Vincent Scheltiens, en hoe men het best ‘debatfiches moet lezen’. Op eenzelfde manier verwerd de vvd tot een ‘applauspartij’ die congres na congres met nieuwe vondsten het ‘kleine volk’ probeerde te charmeren. Daaronder school een ideologische bloedarmoede, die al snel tot flauwe neoliberale reflexen leidde. Theo Hiddema omschreef in 2017 Rutte niet voor niets als een ‘door spindoctors opgetrokken trekpop’.

Een nog pijnlijker voorbeeld van die loskoppeling kwam er in het Verenigd Koninkrijk. Daar daagde parlementariër Owen Smith zijn opponent Jeremy Corbyn uit voor het leiderschap van de Labour Party. Toen hij in het noorden in een Italiaans restaurant geïnterviewd werd, deed hij alsof hem de naam voor een ‘latte’ onbekend was. In plaats daarvan noemde hij het drankje een ‘schuimkoffie’. Smith voelde klaarblijkelijk de nood om voor zijn kiezerspubliek een bepaalde authenticiteit te veinzen. Als Labour-lid was hij gewoonweg nooit met een arbeider in contact gekomen, die volgens statistieken al sedert jaar en dag hun latte’s consumeerden. Ter vervanging van een wereldvisie bood hij een stukje theater.

Diederik Samsom tijdens de PvdA-campagne voor de gemeenteraadsverkiezingen, 2014 © Werry Crone / HH
***

Critici hebben soms wel eens aangegeven dat het verval van die massapartijen eigenlijk helemaal niet zo’n slechte zaak is. In de jaren zestig konden in Vlaanderen pastoors nog aan hun parochianen vertellen op wie ze zondag moesten stemmen, terwijl de partijbazen instructies gaven aan redacteuren van hun verzuilde kranten. Daar zat zeker een autoritair kantje aan. In zijn memoires gaf de Franse filosoof Jean-Claude Michéa ooit aan dat een van de meest onthutsende momenten van zijn kindertijd de dag was waarop hij ontdekte dat er mensen in het dorp woonden die géén lid waren van de Franse Communistische Partij (pcf). ‘Dat leek me gewoon onvoorstelbaar’, stelde hij, alsof die personen ‘zich buiten de samenleving plaatsten’. De grenzen van de partij waren de grenzen van zijn wereld.

Het beknottend effect van die verzuiling werd terecht aangevochten in de jaren zestig. In mei ’68 vergeleken Franse studenten de relatie van de pcf met de arbeiders wel eens met die van christenen tegenover de kerk. ‘De arbeider wilde de revolutie’, stelde de Franse schrijver Guy Lardreau, ‘zoals de christenen het christendom.’ In plaats daarvan ‘kregen de christenen de kerk en de arbeidersklasse de partij’. Na het verval van de partij zouden volgens ’68’ers authentiekere vormen van besluitnemers opbloeien, van raden tot buurtcomités. Het tijdperk van de mondige burger was aangebroken.

Jammer genoeg draaide het ergens anders op uit. De klassieke instituten die ’68’ers aanvielen werden in de jaren tachtig vooral door neoliberalen ontmanteld: Thatcher vernielde de Britse arbeidersbeweging, Mitterrand gaf de doodsteek aan de Franse Communistische Partij en de Wassenaar-akkoorden begroeven de Nederlandse vakbond. Tegelijkertijd steeg de gemiddelde leeftijd van de leden van de conservatieve partijen, die soms op regelrechte seniorenclubs begonnen te lijken.

Andere stemmen antwoordden dan weer dat er na die ontzuiling helemaal geen verval van de partij heeft plaatsgevonden. Traditionele partijen slonken toen misschien, maar ze werden wel vervangen en vervoegd door talrijke nieuwe partijen, als fusies of afsplitsingen van oudere formaties: GroenLinks, pvv en FvD in Nederland; de N-VA en Groen in Vlaanderen, de Vijfsterrenbeweging in Italië, la France Insoumise in Frankrijk, of de Europese Piratenpartijen. Wat Europa vandaag meemaakt, zo gaat het argument, is een verrijking van het partijlandschap eerder dan een verschraling.

Die these lijdt ook aan wat gevoelige problemen. Die ‘nieuwe’ partijen die zogenaamd voor verrijking zorgen zijn vaak amper ‘partijen’ te noemen. Hoewel ze natuurlijk op dezelfde verkiezingslijsten staan, hebben ze toch een fundamenteel andere opbouw dan traditionele en worden ze op een geheel andere manier ingericht. Dat is heel duidelijk in Geert Wilders’ pvv. Zijn ‘partij voor de vrijheid’ is legaal gesproken geen partij. Het is eerder een vereniging die op de naam van Wilders zelf staat – hij heeft patenten op de titel en op het logo. Men kan van de pvv ook niet echt ‘lid’ worden en zich in een partijstructuur inschrijven.

Hedendaagse staten zijn in vergelijking met de negentiende en twintigste eeuw veel minder goed geworden in sociale werving

Men wordt eerder een ‘volger’ of ‘aanhanger’, een beetje zoals men zich op Twitter van een ‘like’ of een ‘follow’ bedient. Wilders bepaalt daarbovenop ook nog eens eigenhandig, zonder interne democratie, wie er op zijn lijsten figureert (hetzelfde geldt voor de Italiaanse Vijfsterrenbeweging en het Franse France Insoumise, die geen klassieke ‘partijleden’ meer tellen). Met een gestage media-aandacht behoudt hij zo zijn politieke presentie. Het FvD mag dan minder allergisch zijn voor de partijstructuur, maar het kent zelf bitter weinig interne democratie – zelfs met 30.000 leden. In 2018 stelde een ex-lid dat partijdemocratie steevast door ‘het politbureau van de FvD werd geroyeerd’.

Het verdwijnen van partijen zorgde tevens voor een versmalling van het politieke repertoire bij de bevolking. Die versmalling is al te zichtbaar in een land als Frankrijk. Slechts acht procent is er lid van een vakbond en de partijaantallen liggen nog lager (de Waalse PS had zelfs een tijdlang meer leden dan haar Franse zusterpartij). Verkiezingen leken er in 2017 op een oligarchisch onderonsje, dat met een voorverkiezingssysteem op z’n Amerikaans uitgevochten werd. In maart liepen de gele hesjes door de straten met de slogan ‘tegen partijen en vakbonden’. Dat was het antwoord van het merendeel van de Gilets Jaunes op de beschuldigingen van la casse (‘het afbreken’): ‘Men luistert enkel naar ons als we de boel kort en klein slaan.’

Dergelijke directe expressievormen kunnen soms ook verglijden naar een technocratische tendens. Dat was af en toe zelfs het geval bij de vroege golven van de klimaatmarsen, die in voorbije maanden door scholieren werden gehouden. Daar namen onlangs talrijke Vlaamse en Nederlandse jongeren aan deel. Niet verwonderlijk was er op een gegeven moment interesse vanuit klassieke partijen om de jongeren uit te nodigen. Dat gold ook voor de Vlaamse CD&V. Ze zouden dan hun eisen moeten voorleggen, die vervolgens in een partijprogramma werden opgenomen. Anuna De Wever, aanvoerder van de kruistocht in spijkerbroek, bedankte er toen vriendelijk voor. Ze had liever driehonderd klimaatexperts in plaats van driehonderd bezorgde jongeren. ‘Laat hen de partij maar adviseren’, claimde ze.

De Wever hoefde weinigen ervan te overtuigen dat het klimaat een onnoemelijk complexe kwestie is. Zo’n kwestie vergt veel expertise. Dat er in het uitnodigen van driehonderd experts ook grote gevaren scholen werd minder aangegeven – en vormde onlangs een handig wapen voor klimaatsceptici. Het eerste probleem is dat de experts in kwestie niet zijn verkozen en zo gespeend blijven van democratische ondersteuning. Het tweede is dat de experts in kwestie niet per se veel ervaring met politiek zelf hebben. Na een carrière aan de Universiteit van Harvard ging de Canadese intellectueel Michael Ignatieff ooit voor het presidentschap van zijn thuisland. Al snel had hij door dat hij als specialist politiek weinig tot niets van eigenlijke politiek begreep. ‘In de praktische politiek’, zo stelde hij, ‘bestaat er geen wetenschap van de besluitvorming’, en ‘een goed politiek oordeel berust altijd op enkele zeer onwetenschappelijke indrukken’. En ten derde dreigt ook die penibele vraag: hoe selecteert De Wever in godsnaam haar driehonderd experts?

Zulke voorbeelden tonen de ongemakkelijke superioriteit van het partijconcept aan, vooral tegenover andere organisatievormen. Partijen zorgen ervoor dat experts niet zomaar uit de universiteit naar de politiek worden geparachuteerd. Ze zorgen er ook voor dat personen uit alle rangen van de samenleving zich kunnen specialiseren in bepaalde thema’s – gezondheidszorg, economie, milieu – en zo binnen een arbeidsdeling toch aan politiek kunnen doen. Die invloed gaat zowel voorbij de aankomende verkiezing als de eerstvolgende tweet. Daarbij blijven massapartijen ook egalitaire machines. René Cuperus stelde al dat de pvda ooit ‘een belangrijk emancipatiekanaal was voor migranten, altijd met vallen en opstaan’. Die functie kan ook ontaarden, natuurlijk. Een van de laatste massapartijen van West-Europa, de Waalse Parti Socialiste, blijft een ontzettend corrupte club, die haar ledenaantal vooral met cliëntelisme en steekpenningen beheert.

Dat verplicht echter nog niet tot een totale verwerping van het partijconcept. Partijen hebben leiders en volgers, maar die leiders worden democratisch gekozen, en moeten eerst hun kwaliteiten bewijzen binnen de partij zelf. Een beperking van subsidies, een heropening van verbindingen tussen vakbonden en partijen en een minder frenetieke nadruk op mediapolitiek kunnen al soelaas bieden. Tegelijkertijd moeten partijen voor interne democratie zorgen en hun afgevaardigden uit de greep van de technocratische betovering halen.

De grenzen van het populistisch en technocratisch model – de twee grote rivalen van de partijdemocratie – zijn in de laatste jaren pijnlijk duidelijk geworden. Fenomenen als Brexit en Trump tonen aan dat het populisme geen natuurlijke verrijking van de democratie is. Vaak heeft het ook de grootste moeite om ‘de staat’ weer aan het volk te geven, voorbij de digitale kreet. Tegelijkertijd toont iets als de bankierscrisis dat beleid nooit waardenvrij kan zijn. Die patstelling lijkt des te pijnlijker in een tijdperk waarin talrijke uitdagingen net méér staatsinitiatief lijken te vergen. Het is duidelijk dat De Wevers klimaatverandering alleen maar kan worden opgelost door drastische actie door de staat. In het geval van de Amerikaanse Green New Deal, bijvoorbeeld, zal de staat radicaal moeten gaan investeren in groene energie, hernieuwde treinsporen aanleggen, buurten milieuvriendelijk maken en het vliegverkeer drastisch inperken.

Staten hebben daarvoor natuurlijk danig veel macht vergaard, vooral na 2008. Technische daadkracht is echter een ding. Hedendaagse staten zijn in vergelijking met de negentiende en twintigste eeuw veel minder goed geworden in iets anders: sociale werving. Toentertijd hadden ze bevolkingen – eerst nog zonder kiesrecht – nodig om oorlogen te voeren of om in fabrieken te werken. Doorgaans werd dat ook gedaan via partijen, die gewone mensen een traject boden naar de staat en de werkkamers van het beleid. In de laatste dertig jaar zijn de meeste van die mobilisatievormen verdwenen, samen met het afschaffen van de dienstplicht en de teloorgang van kerkgang. In plaats daarvan blijven het internet, het referendum en de rel.

Een terugkeer naar het partijmodel betekent nog geen blindheid tegenover de grenzen ervan. Met hun hiërarchische structuur zijn partijen altijd handige platforms voor opportunisten geweest. Partijen als de bolsjewieken en de nsdap konden in de twintigste eeuw staten ook omvormen tot moordmachines en zo het onderscheid tussen ‘staat’ en ‘samenleving’ uitwissen – iets wat in China nog altijd het geval is. Tegelijkertijd waren partijen in de twintigste eeuw ook de grootste bevrijders. De Hongaarse intellectueel G.M. Tamas sprak in zijn memoires over hoe zijn vader de communistische partij ondanks alles tot zijn dood trouw bleef. Voor hem was de partij een collectieve ‘volkstribuun’. De partij zorgde ervoor dat Goethe’s Faust vertaald werd in honderd talen door schrijvers die zelf een generatie verwijderd waren van analfabetisme, zo een ‘tegensamenleving’ construerend met volksbanken, pensioenfondsen, kranten, zondagsscholen, arbeidersclubs, bibliotheken en koren.

Die rijke begroeiing is verdwenen. Tussen de burger en de staat gaapt vandaag een leegte. Die wordt vooral door het internet opgevuld, van reaguurders tot online activisten. In een tijdperk waarin uitdagingen als de klimaatopwarming steeds ambitieuzere staatsactie vereisen schieten die inspraakvormen schromelijk te kort. Aan de klimaatverandering komt geen einde door een alarmistische petitie of rumoerige rechtszaak. Een crisis van planetaire proporties los je uiteindelijk niet op zonder eerst die vervelende, politieke vraag te stellen: hoe trekt de staat mensen weer de politiek in, voorbij de gemakzuchtige middelen van het internet en de media?

Ooit was de partij daarvoor het uitgekozen middel. Vandaag niet meer. Vroeger bestond er ook een leuze die vooral bij Britse troonopvolging werd aangeheven: de koning is dood, leve de koning. Misschien behoeven we vandaag eenzelfde leuze voor de politieke partij.


Anton Jäger is afgestudeerd in de ideeëngeschiedenis aan de Universiteit van Cambridge. Hij werkt er momenteel aan een dissertatie over het Amerikaanse populisme. Delen van dit artikel werden uitgesproken als onderdeel van een rede in de Brainwash Talks-serie, in opdracht van het Vlaams-Nederlands Huis deBuren en HUMAN