De frustratiemaatschappij Essay

De schreeuw om gehoord te worden

Haatuitingen, bedreigingen en fysiek geweld zijn betrekkelijk normaal geworden. Als deze ‘cultuur van alledaags blind geweld’ naar een gebrek aan aandacht en erkenning verwijst, dan moeten we iets daarvan zien terug te winnen.

HET KNIPSEL LIGT nog ergens in mijn archief: ‘Blind geweld’ uit Intermediair van 28 december 1984. Hans Moll en Willem Velema beschreven een geval van doodslag uit blinde woede op het strand in Egmond. Het is naar mijn weten de eerste verontruste beschrijving van wat later zinloos geweld ging heten. Een jaar ervoor, op 20 augustus 1983, had ook al een brute moord plaatsgevonden die veel commotie teweegbracht. Maar deze leek nog een reden te hebben: aan de dader van de moord op Kerwin Duinmeijer konden racistische motieven worden toegeschreven. Hoewel de rechter deze motieven niet bewezen achtte, heeft dit geweld tot op de dag van vandaag een duidelijke ideologische betekenis. Maar Egmond was anders.
Vijftien jaar later, rond 2000, heeft het aan schokkende geweldsuitingen niet ontbroken. En de maatschappelijke ontsteltenis was navenant, zo bleek uit een mediaonderzoek dat ik met enkele studenten deed. In de jaren negentig werden in de kranten circa 25 stille marsen naar aanleiding van even zoveel ‘zinloze geweldsuitingen’ verslagen. De demonstranten lieten meer tekenen zien van onbegrip en medeleven met de nabestaanden dan van wraakgevoelens of protest tegen politie en justitie (dat was in de Belgische ‘witte marsen’ naar aanleiding van de zaak-Dutroux anders). ‘Zinloos’ was een demonstratieve verwoording van het niet willen begrijpen van de daders.
Weer tien jaar later, bijna 2010, is het zinloze geweld alweer enigszins vergeten, maar zijn gerichte agressie en haat van alledag. Terroristische aanslagen in het buitenland, twee politieke moorden in Nederland, een aanslag op het koninklijk huis in 2009 en veel haatdragende bedreigingen. Uit betrouwbare bron weet ik dat het aantal aangiften van politici in de honderden loopt. Daarbij gaat het om veel bedreigingen tegen enkele politici, maar ook om enkele bedreigingen tegen veel politici. In de meeste gevallen gaat het om ‘gewone’ haatmail, maar soms is het bloedlink. Voorst worden in het alledaagse leven ook buschauffeurs bespuwd en ambulancebroeders bedreigd.
Ideologisch gemotiveerd geweld of zinloos geweld, misschien is het verschil momenteel minder relevant dan we denken. Beide worden gevoed door een verongelijktheid die dwars door de barrières van geweten en zelfcontrole heen beukt. Reacties kunnen niet uitblijven: verontwaardiging, bezorgdheid, risicobeheersing. Op uitgaansavonden staan er ME-bussen op het Leidseplein en Rembrandtplein in Amsterdam, er loopt particuliere beveiliging rond op steeds meer scholen, conducteurs krijgen agressietrainingen, in de Amsterdamse wijken lopen straatcoaches (particuliere beveiligers), en interventieteams komen steeds vaker achter de voordeur.

WAT IS ER met onze beschaving aan de hand? En kan die vraag zo algemeen worden gesteld? Moeten we niet juist de verschillen zien, indelen in soorten en categorieën, het incidentele benadrukken, relativeren? Bij voorkeur wel, maar soms is het zinvol naar het geheel te kijken: niet naar de struiken maar naar het landschap. We overzien een kwart eeuw van incidenten, media-aandacht, maatschappelijke onrust, maatregelen. Gevolgd door nieuwe incidenten, nog meer aandacht, grotere verontwaardiging, verder gaande maatregelen. Enzovoort en zo verder. We peuren een sprankje hoop uit de cijfers. Het aantal moorden daalt bijvoorbeeld. Maar de cijfers geven vooral een ambivalent beeld.
Volgens bevolkingsonderzoek neemt criminaliteit in het algemeen af en geweld in mindere mate ook, maar het aantal gewelddadige roofovervallen neemt juist weer toe. Het lijkt alsof het er niet echt toe doet. Geweld, en criminaliteit in het algemeen, is al lang geen zaak meer van cijfers en een nuchtere reactie daarop. Onveiligheid heeft een veel verder gaande maatschappelijke betekenis. De reacties zijn al net zo heftig als de incidenten. Een kwart van de slachtoffers van uitgaansgeweld kwam eerder zelf in aanraking met de politie. De scheidslijn tussen daders en slachtoffers is hier wel erg dun.
Als we er niet zelf aan meedoen, dan maken we ons er wel druk om. En als we ook dat niet willen, dan drukt men ons met de neus op de feiten. Ik klok het journaal wel eens: regelmatig gaat de helft van de tijd op aan onveiligheidsnieuws. Criminaliteit kent haar concentraties op bepaalde plekken en onder bepaalde groepen, maar is multimediaal van ons allemaal. Geweld en overlast als cultuurgoed, als cynisch volksvermaak. Misschien is dat nooit anders geweest: pek en veren creëren gemeenschap. Maar het is nu wel anders. 25 jaar geleden hadden we het vuile werk volledig uit handen gegeven aan politie en justitie, en de rest schaamde zich voor de straf. Misschien wel een – enigszins hypocriet – hoogtepunt van beschaving.
Maar de criminelen zijn nu weer van ons allen. Met Maurice de Hond en Peter R. de Vries voorop bestoken we het gezag met verborgen camera’s, contra-expertises, advertenties en kortgedingen. We maken zelf wel uit wie de dader is! Joran! De beschuldiging van de klusjesman in de Deventer moordzaak – wie kent hem niet? – is de meest vergaande vorm van mediale eigenrichting. ‘Digitale eigenrichting’ is zelfs nog wat normaler. In toenemende mate gebruiken burgers internet om zelf tot veroordeling over te gaan. Het gaat dan om bedreiging van ‘misdadige’ politici, naming and shaming van veroordeelde pedoseksuelen en beschuldigingen aan het adres van concrete personen.
Het zoeken naar lineaire verklaringen voor deze spiraal van actie, verontwaardiging en reactie heeft iets naïefs, het analyseren van de feitelijke trends iets machteloos. De situatie is complexer. Als we geen geweldplegers hadden, zouden we ze uitvinden. In de Verenigde Staten dalen de criminaliteitscijfers al jaren, desalniettemin staat het sociale beleid nog steeds in het teken van de criminaliteitsbestrijding: governing through crime. Zoals men in de jaren zeventig de stijging van de criminaliteit niet wilde zien, zo kan de huidige publieke opinie er geen genoeg van krijgen. Toch ga ik hier niet beweren dat de grote aandacht voor criminaliteit en veiligheid overdreven is of dat de elite de angsten van de massa aanjaagt – dat is gemakzuchtig links.

DE OBSESSIEVE AANDACHT voor criminaliteit en veiligheid wordt steeds opnieuw gevoed door reële afschuwelijke gebeurtenissen. Reden genoeg voor alertheid. Maar het gaat ook nog ergens anders over. Ik waag me aan een wilde speculatie. Onze obsessie met criminaliteit, overlast, geweld, haat, onveiligheid en bedreigingen geeft ons het gevoel dat we er mogen zijn. Dat het goed is zoals we zijn. In het besef van goed en kwaad wordt de mens geboren – het is de sprookjeswijsheid van de schepper van Pinocchio. Maar de huidige obsessie gaat verder. We behoeven de prikkel van de onveiligheid om zeker te weten dat we er nog zijn, om niet weg te zakken in de geglobaliseerde vergetelheid. Als niemand zegt wie we zijn – God de vader, Joop den Uyl, de onderwijzer of welke andere overtuigende ideoloog ook – dan moeten we het zelf doen.
De kunstenares Tinkebell publiceerde een boek met van internet geplukte gegevens en foto’s van personen die haatmails naar haar stuurden. Het is fascinerend materiaal door de tegenstelling tussen de alledaagse personages (vaak jonge vrouwen) en de modder die zij uit hun toetsenborden sloegen. Aan de gegevens en foto’s te zien kan er geen sprake zijn van gestoord gedrag. Ze kunnen van uw buurvrouw of collega zijn; misschien staat u er zelf wel tussen. In Het Parool verscheen een brief van een geopenbaarde haatmailschrijfster. Zij claimt het recht op een aanklacht. Hier speelt de lust van het eigen gelijk. De juistheid van het eigen oordeel rechtvaardigt de haat, het geweld, het korte lontje.

HET LAAGJE BESCHAVING mag historisch gesproken dun zijn, op internet is het weg. Daar heeft zich een drievoudige erosie voorgedaan. Technisch is het mogelijk om ieder ander anoniem alle hoeken van de kamer te laten zien: ‘Ik zeg wat ik denk omdat het kán.’ Maar het is ook geaccepteerd om een ander onderuit te halen, verschillen te benadrukken, te lachen om handicaps of een rare neus. Paul de Leeuw doet het toch ook? Toen Freek de Jonge ermee begon was er nog de strijd tussen taboe en kwaliteit, maar nu is hatelijkheid zaterdags vermaak voor het hele gezin: ‘Ik zeg wat ik denk omdat het mág.’
En de erosie gaat nog verder: ‘Ik zeg wat ik denk omdat het móet.’ Weg met die hypocriete, politiek correcte toedekkers. Geen stijl hebben is de seculiere jihad – ik heb niemand horen zeggen dat Ella Vogelaar onbeschoft werd bejegend. We richten er zelfs een omroep voor op. Het vrije woord kent geen enkel voorbehoud omdat het kan, mag en moet. Aangeraakt door de oppergod van de belediging doet Opheffer in deze krant wekelijks belijdenis. En Geert Wilders viert zijn triomfen als ideoloog van de woede. Internet is bij uitstek de vorm van de amorele ruimte waarin individuen vrijelijk ronddolen. Zoekende moslimjongeren vinden er hun jihadisten, mannen hun porties porno, en de woedende massa haar haatobjecten.
Alsof de menselijke geest zich veruitwendigd heeft in al zijn polymorfe perversiteit vormt internet de proeftuin voor het echte leven, waar we met enige regelmaat de bom zien ontploffen. Incidenten ja, maar structurele incidenten. Een gebrek aan morele begrenzing – waarden, normen, omgangsvormen – verklaart veel van onze obsessie met geweld, haat en overlast. Daardoor ontstaan de problemen, en daardoor zoeken we daar radicale bescherming tegen: een woud aan camera’s in de publieke ruimte, digitale screening van antecedenten. Een zekere beschavingsbuffer van formaliteiten en omgangsvormen is nodig om onze reacties op elkaar enigszins onder controle te houden. Dat is het gelijk van de conservatieven. Maar die verklaring is net iets te gemakkelijk. Grenzeloosheid creëert uiteindelijk een gebrek aan erkenning. Om identiteit te ervaren moeten we aangesproken worden. We willen gezien worden, aangehaald of gecorrigeerd. Als het maar íets is, en niet niets. Daarin schuilt het wezen van de actuele woede: de overbodigheid, het onopgemerkt blijven, het voorbij gelopen weten.
Zelfs als fifteen minutes genoeg zijn, komen in een versplinterde wereld de meesten fame te kort. Dan nog liever de rug toekeren of toegekeerd krijgen. Ook met modder gooien voelt dan als leven, en de bedreiging van een ambulancebroeder als ultieme thrill. Arie Kruglanski, die onderzoek deed naar zelfmoordterrorisme, beschouwt de ‘quest for personal significance’ als het doorslaggevende motief van terroristen. Om het ik aan betekenis te laten winnen is de zelfmoordterrorist bereid het te offeren. In een samenleving waar het individu op de troon zit, voelen concrete mensen zich al gauw vergeten voetvolk. De zelfmoordterrorist trekt daaruit de uiterste consequentie.

BESCHAVING IS aanspreking. Als niemand onze naam kan of wil noemen, dwingen we het wel af. ‘Ik wil gehoord worden’, ook al is dat anoniem en door een onbekend publiek. Zij zullen weten wie ik ben, al moet ik dwars door het publiek op de majesteit inrijden. Begrip voor de schreeuw om aandacht is geen excuus voor kwade subjecten, geen disculperend doekje voor het bloeden. Integendeel. Uiteindelijk gaat het om concrete personen. Karst T., Mohammed B., Volkert van der G. en al die anderen die daadwerkelijk kwaad doen, concrete slachtoffers maken en straatterreur uitoefenen. Zij maken de kwade keuze binnen een verweesde cultuur.
Beschaving als erkenning schuilt ook in de gerechtvaardigde straf, in de correctie op straat, in orde in de klas. Juist het uitblijven van reactie is vernederend. De reactie schept de actor, maar die moet dan wel begrepen worden. Onderzoek van de New Yorkse psycholoog Tom Tyler laat zien dat mensen zich eerder aan de wet houden als zij deze rechtvaardig achten. Zij respecteren de justitiële autoriteiten als zij zich met respect behandeld voelen. Handhavingsbeleid moet niet zacht zijn, maar oprecht. Een veroordeelde kan leven met zijn straf indien hij het strafproces als rechtvaardig heeft ervaren.
In de aanspreking schuilt de beschaving, ook als die corrigerend is. Ik maak me sterk dat dit onverkort geldt voor andere maatschappelijke instituties dan de rechtspraak. De Nationale Ombudsman adviseerde de belastingdienst al eens om een burger te bellen in plaats van brieven op poten te schrijven. Natuurlijk zijn er degenen die zich nooit aangesproken zullen voelen en met wie geen land te bezeilen valt. Laten we niet naïef zijn, maar ons ook niet gek laten maken. Als we al willen spreken van een beschavingsoffensief, dan is het ook dat van de kleine gebaren, de correcte omgang en het ordentelijke handelen van ons allen en dus ook van de overheid. Streng, rechtvaardig, in ieder geval niet onverschillig.

WE ZITTEN GEVANGEN in een spiraal van incidenten, maatschappelijke onrust en maatregelen. Het is een situatie die niemand echt lijkt te bevallen. In de politiek zijn de idealisten van weleer de realisten van vandaag. En de realisten van destijds zijn hardliners geworden die op hun grenzen stuiten. Zie bijvoorbeeld de PVDA in Rotterdam. Zelfs de grootste haviken zijn enigszins uitgepraat – alles is al voorgesteld, overwogen of gerealiseerd. Een enkel PVV-geluid over militairen in de straten en Marokkanen in de knieën schieten daargelaten, zijn de grenzen van wat de politiek vermag wel ongeveer bereikt. Een kwart eeuw later blijkt de strandmoord in Egmond het begin te zijn geweest van een heuse beschavingsval.
Politieke, technologische en morele ontwikkelingen zijn samengekomen in de ondermijning van voorspelbare omgang tussen burgers. De regelmaat van incidenten wijst op een structureel probleem. Haatuitingen zijn betrekkelijk normaal, bedreigingen aan de orde van de dag, verontwaardiging daarover is usance en woede is er alom. Maar als deze ‘cultuur van alledaags blind geweld’ ook naar een gebrek aan aandacht en erkenning verwijst, dan moeten we iets daarvan zien terug te winnen. Niet door meer repressie, niet door grootscheepse normatieve programma’s of nieuwe ideologische verhalen, maar door een consequente, rechtvaardige en betrokken aanspreking van burgers die eerst en vooral gewoon mensen willen zijn.

Hans Boutellier is algemeen directeur van het Verwey-Jonker Instituut en bijzonder hoogleraar veiligheid & burgerschap aan de faculteit sociale wetenschappen van de Vrije Universiteit