De schrijfster en haar alter ego

Ingeborg Bachmann steekt met haar ongenuanceerde oordelen over vrouw/man zelfs Elfriede Jelinek naar de kroon.

Medium bachman

Ingeborg Bachmanns enige roman Malina uit 1971 is een prikkelend en tevens moeilijk boek. Enerzijds raak je gefascineerd door de inhoud en blijven de beelden je bij, anderzijds irriteert het en roept het op tot tegenspraak. Zo’n ambivalent oordeel heb je wel vaker bij belangrijke boeken, wat mij betreft bij de romans van Elfriede Jelinek of Sylvia Plath’s De glazen stolp uit 1963.

Aan de laatste roman, over een vrouw die afglijdt in een depressie, wijdde Bachmann in 1968 een veelzeggend opstel: ‘een ziektebeeld’ werd hier met ‘griezelige precisie’ beschreven, Plath was een schrijfster die ‘in de hel’ was geweest. Haar landgenote Jelinek heeft Bachmann daarentegen niet meer gekend, het omgekeerde geldt wel. In 1991 schreef Jelinek het draaiboek voor een op Malina gebaseerde film (hoofdrol: Isabelle Huppert) en tussen het werk van de twee grootste naoorlogse Oostenrijkse schrijfsters bestaan opmerkelijke parallellen.

Toen Malina verscheen was Bachmann al beroemd door twee fenomenale poëziebundels en de verhalenbundel Het dertigste jaar. Vanaf de jaren zestig had ze zich toegelegd op een romancyclus met de werktitel Doodsoorzaken waarin de schrijfster wilde laten zien hoe vrouwen door mannen stelselmatig worden vernederd en de dood in gedreven. Malina vormt de opmaat tot deze cyclus, waartoe verder de fragmentarisch gebleven romans Het geval Franza en Requiem voor Fanny Goldmann behoren.

Malina kent geen handeling in traditionele zin, maar bestaat uit fragmenten, monologen, protocollen en impressies. Je zou van een semi-autobiografische roman kunnen spreken, want de vertelster is een bekende Weense schrijfster, afkomstig uit Klagenfurt; ze schrijft aan een boek getiteld Doodsoorzaken. Op het eerste gezicht gaat het om een driehoeksverhouding: een vrouw tussen twee mannen. Haar huisgenoot Malina, een historicus, blijft vooralsnog op de achtergrond. De vertelster is verliefd op Ivan, een bij haar in de buurt wonende Hongaar, gescheiden en vader van twee kinderen. In het lange eerste hoofdstuk ‘Gelukkig met Ivan’, dat bijna de helft van het boek uitmaakt, wordt haar verliefdheid op Ivan beschreven. De vertelster is sterk afhankelijk van de egoïstische Hongaar, die haar al snel laat weten dat hij van niemand kan houden, behalve van zijn kinderen. Erg geïnteresseerd in de achtergrond en de problemen van de instabiele vertelster – ze lijdt aan paniekaanvallen – is Ivan niet; over de boeken die ze schrijft doet hij ronduit badinerend, hij vindt het niet nodig om ‘al die ellende op de markt (te) brengen’. Als advies geeft hij haar mee: ‘Lach meer, lees minder, slaap meer, denk minder.’ Ondanks of juist dankzij deze verschillen hunkert de vertelster naar Ivan, van hem krijgt ze ‘werkelijkheidsinjecties’.

Dit eerste hoofdstuk is nogal huisbakken en weinig enerverend, te meer omdat we ook fragmenten moeten lezen over mascara en ‘fijne penselen voor de oogschaduw’. Uiterlijk gaat het de vertelster zeker niet slecht. Ze heeft een secretaresse, zit graag in de exclusiefste restaurants van Wenen en geeft royale fooien. Een bladzijdenlang fragment gaat over haar flirt met de gegoede familie Altenwyl, villabezitters die in een Jaguar rondrijden en kleding van Yves Saint Laurent dragen. Ook dat is Bachmann: haar hang naar glitter en glamour.

Veel beter is het tweede hoofdstuk, dat ook stilistisch sterk afwijkt en bijna roesachtig, in trance geschreven lijkt. Het bestaat voornamelijk uit aaneengeregen angstdromen waarin een uiterst gewelddadige vaderfiguur voorkomt en waarin sprake is van bloedschande oftewel incest. Maar ook de Tweede Wereldoorlog speelt hier een belangrijke rol, we lezen over deportaties, prikkeldraad en gaskamers. Het is een uniek associatief en haast hallucinerend fragment dat je ademloos leest en dat je met zijn onheilspellende beelden niet met rust laat. Hier wordt tevens duidelijk dat Ingeborg Bachmann naast Paul Celan het grootste lyrische talent in Duitsland na 1945 is geweest.

In het derde en laatste hoofdstuk komt Malina nadrukkelijker in beeld, terwijl Ivan voor de vertelster steeds minder tijd heeft. Met de begrijpende en empathische Malina – hij bezit een ‘onberispelijke zelfbeheersing’ en een ‘ongestoord vertrouwen’ – heeft de vertelster gesprekken die veel lijken op therapiezittingen. Malina probeert de wankele psyche van de vertelster in evenwicht te brengen. Hij dwingt haar tot een keus tegen Ivan, ‘dood hem’, zegt hij zelfs. Uiteindelijk verdwijnt de vertelster in een gat in de muur. De veel geciteerde, hoogst onduidelijke slotwoorden luiden: ‘Het was moord.’

Wie spreekt deze woorden uit en wie wordt hier vermoord, of betreft het zelfmoord? De kritiek staat al veertig jaar radeloos. Minder twijfels zijn er over de figuur Malina, van wie steeds duidelijker wordt dat hij met de vertelster samenvalt, haar rationele alter ego is. En wellicht daarom heeft Bachmann van hem de titelfiguur gemaakt en hem een vrouwelijk klinkende naam gegeven. Je zou kunnen zeggen dat Malina de Apollinische kant van de vertelster vertegenwoordigt en Ivan de Dionysische. Beide kanten heeft de vertelster nodig, al slaagt ze er niet in ze in evenwicht te brengen. In het laatste hoofdstuk zegt ze: ‘Ik heb mijn dubbelleven nodig, mijn Ivan-leven en mijn Malina-veld, ik kan niet zijn waar Ivan niet is, maar ik kan evenmin thuiskomen als Malina er niet is.’

Zou het waar zijn dat ‘een normale vrouw heel normaal verkracht zou willen worden’?

Als deze roman – die zijn raadsels nergens volledig prijsgeeft – één centraal thema heeft, dan is het wel de vrouwelijke identiteitsproblematiek annex desintegratie tegen de achtergrond van een moeilijk en gewelddadig verleden. Het magistrale middengedeelte is hier een even rijke als schokkende Fundgrube. Toch is het voorbarig om in de ‘vaderfiguur’ de lijfelijke vader van Bachmann te zien, zoals sommige vorsers hebben gedaan. (De vader van Bachmann was een nazisympathisant die na de oorlog als leraar een beroepsverbod had.) Beter kun je de vaderfiguur als de archetypische vertegenwoordiger van macht en onderdrukking opvatten, als representant van zekere maatschappelijke en in dit geval agressief-autoritaire codes. Het laatste is trouwens een interpretatie die ook Bachmann zelf heeft aangedragen.

Recentelijk heeft de Oostenrijkse literatuurwetenschapster Regina Schaunig met haar subtiele studie ‘… wie auf wunden Füssen’: Ingeborg Bachmanns frühe Jahre een poging gedaan om meer duidelijkheid te verschaffen over de jeugd van de schrijfster – waarbij ze ook ongepubliceerd materiaal heeft onderzocht. Schaunig komt tot de conclusie dat er al bij de jonge Bachmann sprake moet zijn geweest van een ‘onuitsprekelijke verwonding’, die in de richting wijst van seksueel misbruik. Een hypothese? Tot 2025 rust er een embargo op de correspondentie met familie en andere persoonlijke nalatenschap.

Malina laat een opvallend netwerk zien van citaten en verwijzingen naar andere schrijvers, denkers of musici – onbetwist een kolfje naar de hand van sporenzoekers. Arnold Schönberg, Ludwig Wittgenstein, Nietzsche, Freud, Hugo von Hofmannsthal en Karl Kraus passeren de revue. Nog opvallender zijn de referenties aan haar intieme vrienden Paul Celan, Max Frisch of de componist Hans Werner Henze. Over de joodse emigrant Paul Celan, die in Parijs in de Seine sprong, luidt het: ‘… hij is tijdens het transport in de rivier verdronken, hij was mijn leven. Ik had hem meer lief dan mijn leven’.

Niet overal gaat Bachmann subtiel te werk, en met haar ongenuanceerde oordelen over vrouw/man steekt ze zelfs Elfriede Jelinek naar de kroon. Zou het waar zijn dat ‘een normale vrouw heel normaal verkracht zou willen worden’, en dat mannen ‘een fenomenaal gebrek aan instinct’ bezitten? Gelukkig staan er in Malina ook fijnzinnige fragmenten, bijvoorbeeld een grandioos loflied op het lezen en op de fantasie. Of het veelbesproken sprookje over de ‘Prinses van Kagran’ waarin de positieve en utopische kant van Bachmann naar voren komt en waaruit blijkt dat er nog hoop gloort voor de mensen die in een liefdesideaal geloven.

Dertig jaar geleden verscheen Malina voor het eerst in het Nederlands. Nu is deze excellente vertaling van Paul Beers opnieuw leverbaar, in een licht herziene editie. Het blijft een bijzondere leeservaring.


Medium ingeborg bachmann malina

Ingeborg Bachmann, Malina_, Vertaald door Paul Beers. Van Gennep, 316 blz., € 22,50. e-book,€ 16,99. Duitse editie, € 10,-_

Medium bachmann

Regina Schaunig, ‘… wie auf wunden Füssen’: Ingeborg Bachmanns frühe Jahre_, Heyne Verlag, 256 blz., € 19,90_


Beeld: Ingeborg Bachmann ca. 1972 (Imagno / Getty Images)