De schrijfster, haar poespas en het werk

MARK CLOOSTERMANS
BLOOT ZIJN EN BEGINNEN: HET OEUVRE VAN KRISTIEN HEMMERECHTS
Atlas, 216 blz., € 18,50

Intrigerend, het boek over Kristien Hemmerechts dat de Vlaamse literatuurcriticus Mark Cloostermans onlangs het licht deed zien: Bloot zijn en beginnen. Het gebeurt niet vaak dat een man de moeite neemt zich in een vrouwelijke schrijver te verdiepen. En nog wel zo’n schrijfster als Hemmerechts, die in haar werk bij uitstek traditioneel vrouwelijke thema’s als relaties, seks en moederschap onderzoekt. Een schrijfster bovendien die nog in full swing is en nog niet bepaald ‘bijgezet’ lijkt te kunnen worden. Ieder jaar komt ze wel met een roman of een ander literair document, en die blijven niet onopgemerkt.
Fnuikerige gevoelens van miskenning of achterstelling kunnen dan ook niet ten grondslag liggen aan deze onderneming. En nu we toch onze verwondering de vrije loop laten: wat is het eigenlijk voor een boek? Is het gezien het eerste deel, getiteld Andermans Kristien: Een portret, en het ingevoegde fotokatern een soort biografie? Onmiddellijke bijvraag: met instemming van de geportretteerde? Zo ja, dan ben ik geneigd af te haken. Schrijvers horen zich niet te bemoeien met degenen die over hen schrijven, laat staan hun eigen biograaf te faciliteren. En biografen horen zich verre te houden van familiaire betrekkingen met hun object en diens verwanten, welke schat er ook op hen ligt te wachten in het privé-archief. Als tenminste niet het doel is een bij voorbaat aangenaam en vleiend portret van iemand te schetsen. Schrijven, of het nu om fictie gaat of om non-fictie, is nu eenmaal – wil het ergens op slaan – een pijnlijke en verraderlijke exercitie.
Laat nu precies dat laatste een van de onderliggende thema’s in Hemmerechts’ romans en verhalen zijn. Het is ook datgene wat Cloostermans fascineert, zo schrijft hij in zijn inleiding. In een artikel in De Standaard had hij geschreven dat Hemmerechts er niet van houdt een autobiografisch schrijfster genoemd te worden. Hij vertelt niet waarom – is hij door de schrijfster zelf op de vingers getikt? – maar hij besefte nadien dit fout te hebben geformuleerd. Ze spéélt met het autobiografische element, en om dat mechanisme goed in kaart te kunnen brengen had hij de ruimte van een boek nodig. Voilà. Alvorens echter op dit spelen in te gaan, wil hij in het eerste deel vrienden en bekenden aan het woord laten over ‘hun’ Kristien. Juist omdat autobiografie zo’n cruciaal deel is van het oeuvre, zo verklaart hij.
Dit klinkt als een misvatting en zo pakt dit onderdeel ook uit. Willen wij echt weten wat haar huidige man Bart Castelein over hun relatie te zeggen heeft? En draagt het ergens toe bij om te weten wat dochter Kathy zich herinnert van de dood van haar beide broertjes? Ja natuurlijk willen we het allemaal lezen, plat nieuwsgierig als we zijn. Kom dan maar op met Goedele Liekens, die verklaart jarenlang jaloers te zijn geweest op de felle, mooie schrijfster.
Nee, hou toch op zeg met die poespas. Al die zogenaamd persoonlijke inkijkjes leveren banaliserende informatie op, met een groot demystificerend effect bovendien. Het maakt van het bekijken van de bijgevoegde foto’s uit het privé-album een gemengd genoegen. Ik hoef niet te weten hoe de mannen van Hemmerechts eruitzien, had liever zo m’n eigen beelden gekoesterd.
Aan de andere kant kun je zeggen dat deze gemengde reactie ook weer helemaal past bij de schrijfster die Hemmerechts is. Behalve in sterke romans, gestoeld op de gedachte dat de werkelijkheid nooit te vangen is, heeft ze die werkelijkheid in een aantal publicaties ook eendimensionaler nagejaagd. Met als gevolg dat de schrijfster van het prachtig pijnlijke Kerst en andere liefdesverhalen (1992) en het zwoelduistere De tuin der onschuldigen (1999), een draak van een egodocument schreef over Herman de Coninck, Taal zonder mij (1998), een slap dagboek publiceerde onder de veelzeggende titel Een jaar als (g)een ander (2003), en zeer onlangs nog vriend en vijand opschrikte met het ridicule pamflet De man, zijn penis en het mes (2008).
Cloostermans heeft weer geheel andere voor- en afkeuren, en dat maakt het hart van zijn beschouwing, Twintig jaar fictie: 1987-2007, boeiend en eigenzinnig. Aan de hand van precieze analyses van de afzonderlijke romans schetst hij op een heldere manier de verschillende periodes in Hemmerechts’ schrijverschap. Cirkelen haar eerste romans rond de thema’s inertie en bewegingloosheid, begin jaren negentig verkent ze de spanning tussen het verlangen naar schoon schip maken en de angst voor onafhankelijkheid. Hierna gaan motieven als onkenbaarheid en identiteit een grotere rol spelen, met een constante nadruk op lichamelijkheid en de hang naar overgave. Grote woorden, door Cloostermans zonder dikdoenerij gebracht en geïllustreerd. Inventief benoemt hij de verschillende archetypische personages die voortdurend terugkomen in Hemmerechts’ werk, zoals ‘de patiënt’ en ‘de buitenstaander’. Het is bijna schokkend om te zien hoezeer haar romans winnen aan betekenis bij herlezing en plaatsing binnen het geheel. Schokkend, omdat het maar zelden gebeurt dat literair werk zo onder de loep wordt genomen en je je afvraagt hoeveel we ons daarmee in feite ontzeggen. Juist van Hemmerechts’ proza kan ik me nogal wat recensies herinneren die alleen maar ingaan op de psychologie van de personages en de ontwikkeling van de verhaallijn, en die daardoor blijven steken in loze kwalificaties als al dan niet ‘spannend’ of ‘overtuigend’. Cloostermans tilt het werk van Hemmerechts op, op een manier die mij onmiddellijk naar de boekenkast doet snellen.