De schrijver als prostituee

Wie het werk van Dubravka Ugresic leest, kan niet anders dan concluderen dat de vrije geest – de intellectueel – de inborst van een huisknecht heeft. Dienen is wat hij het liefst doet.

Posjlost: dat is een van Dubravka Ugresic’ favoriete woorden. Op diverse plaatsen in haar essays komt het voor, onder meer in Nationaliteit: geen, Verboden te lezen en De cultuur van leugens. Posjlost is een Russisch woord en voor Ugresic onlosmakelijk verbonden met een essay van Nabokov. Het heeft diverse betekenissen, volgens Nabokov kan het cheap, inferior, sorry, trashy, scurvy en tawdry betekenen, oftewel goedkoop, inferieur, erbarmelijk, flut, verachtelijk en smakeloos.

Om aan te tonen wat posjlost is, zo vertelt Ugresic, haalt Nabokov een personage aan uit een verhaal van Gogol. Een Duitser probeert tevergeefs een meisje te verleiden dat elke avond op een balkon aan een meer zit. Ten einde raad besluit hij ’s avonds samen met twee zwanen, die hij speciaal daarvoor heeft meegenomen, in het meer te gaan zwemmen. Ook weet hij al zwemmende de twee zwanen tegelijkertijd te omhelzen. Dit ritueel herhaalt hij een paar avonden achter elkaar. Uiteindelijk zwicht het meisje voor de verleidingspoging van de Duitser.

Het gaat in het verhaal van Gogol om effectieve verleiding, het meisje stribbelt eerst tegen maar valt ten slotte toch voor de Duitser; verleiding die in wezen niets anders is, en nu gebruik ik een woord dat Ugresic graag laat volgen op posjlost: een peperkoekhart.

Posjlost is het opwekken van sentiment in de hoop de ander voor jou of jouw zaak te winnen. Of zoals Nabokov zegt, het sentiment waarvan je ‘de onechtheid niet direct kan doorzien’. Posjlost is een imitatie van waarden die, wederom in Nabokovs woorden, ‘al dan niet met recht worden geacht te behoren tot het hoogste niveau van kunst, denken en voelen’. Kortom, een imitatie die niet als zodanig wordt herkend. Of positief wordt geïnterpreteerd. De Duitser is immers in zijn volharding toch ook een tikkeltje heroïsch?

Had het meisje in Gogols verhaal gedacht: deze arme man, die avond aan avond voor mijn balkon zwanen aan het omhelzen is, heeft dringend hulp nodig, dan hadden we niet van posjlost kunnen spreken.

Laten we ons voorstellen dat in het geval van een verfilming de Duitser gespeeld zou zijn door Buster Keaton of Jacques Tati, of Mr. Bean voor mijn part, dan was er sprake van slapstick, misschien zelfs hoogwaardige slapstick.

Maar omdat het meisje zich overgeeft aan de verleiding, de machinerie van het sentiment, wordt deze gebeurtenis posjlost. Waar een peperkoekhart wordt gegeten wordt al snel een traantje weggepinkt. Posj­lost zet het sentiment op de troon, maar, zoals Nabokov al aangaf, gaat het om een imitatie. Posjlost is een travestie van de traditie – de zwanen, het meer, het meisje op het balkon – zonder zich daarvan bewust te willen zijn.

De ten einde gedachte huis-aan-huisverkoop, dat is posjlost: door en door sentimenteel, maar ook door en door cynisch. Verleiding het middel, verkoop het doel.

Verleiding is een belangrijk thema in de essays van Ugresic, maar niet of nauwelijks die tussen twee geliefden. Zij is in eerste instantie geïnteresseerd in de verleidingstactieken van generaals, intellectuelen, oorlogsprofiteurs, academici en zakenmensen, tot wie zij eveneens uitgevers rekent. Verleiding gaat niet alleen vooraf aan het bemachtigen van een geliefde, maar ook aan oorlog, etnische zuivering en het herschrijven van de geschiedenis. Geen ideologie, geen verkoop, geen religie, geen democratie en geen dictatuur zonder verleiding.

De bittere waarheid van alle verleiding is Ugresic niet onbekend: wat verleid moet worden is slechts een hindernis. De verleider verovert zoals een opperbevelhebber, zonder zich al te veel te bekommeren om neveneffecten, slechts gericht op de efficiëntie, het resultaat. Maar wat haar blijft verbazen, waarover ze zich blijft opwinden, is dat het inferieure zo verleidelijk blijkt te zijn. Anders gezegd: het is de leugen die ons verleidt, het is de leugen die ons hart sneller laat kloppen. Twee zwanen omhelsd door een Duitser in een meer in de avondschemering, daar móet je wel voor zwichten.

Posjlost is uiteraard een ander woord voor kitsch, het is kitsch die niet meer als zodanig herkend wordt, die overal te vinden is, ook in de zogenaamde hogere kunst, en waar je geen afstand meer van kunt nemen. De schrijver zelf staat er middenin. Hij is immers een verleider, ook hij wil iets verkopen, en voorzover hij zich daar ooit voor heeft geschaamd doet hij dat al lang niet meer.

‘In het rijk van posjlost is het niet het boek maar het lezerspubliek dat de overwinning brengt’, zegt Nabokov. Ugresic citeert dit met instemming. In de wereld van de literatuur is de effectiviteit die de posjlost zoekt eerst en vooral het verhogen van het verkoopcijfer. Misschien wel een gevolg van een wat al te vulgaire opvatting van de democratie: als de meerderheid het wil, zal het wel goed zijn.

Ugresic, en dit pleit voor haar, doet zich niet onschuldiger voor dan ze is, het veinzen van onschuld is immers een van de kenmerken van posjlost. Nee, zij is zich er terdege van bewust dat ze zelf deel uitmaakt van de literaire en intellectuele machinerie en haar verkooptechnieken. Zij weet dat ook zij beroepshalve verleidt. In de bundel Verboden te lezen vertelt Ugresic over een prostituee in Amerika die beweert geen prostituee te zijn maar een ‘pleasure activist’, waarna Ugresic het hoofdstuk afsluit met de mededeling dat zij eveneens een pleasure activist is en dat niemand dat beroep van haar moet afpakken.

Zo’n anderhalve eeuw eerder wees de Nederlandse schrijver Multatuli er al op dat de literator veel gemeen heeft met de prostituee. Multatuli probeerde zijn waardigheid te behouden, zo zei hij zelf, door zijn klanten uit te schelden. Ugresic op haar beurt doet volgens mij een poging haar waardigheid te behouden door de klanten niet te geven wat ze verwachten. Aangrijpende verhalen over communisme en post-communisme bijvoorbeeld, over in de rij staan en niet meer in de rij hoeven te staan.

Wat te doen als wij dagelijks kitsch inademen, als zelfs in ons privé-leven de kitsch alomtegenwoordig is? Hoe kunnen intellectuelen zich nog kritisch verhouden tot wat alomtegenwoordig is, tenzij ze, zoals Isaac Babel zei, ‘meesters worden in het genre van de stilte’?

Ugresic’ weemoedige conclusie luidt dat er geen positie meer mogelijk is buiten de wereld van de posjlost, ook niet voor de intellectueel. Een dergelijke positie zou een pose zijn, oneigenlijk en misleidend: posjlost. Kortom, Ugresic beseft dat er geen ontkomen aan is, dat het leugenachtig is te veinzen dat posjlost niet de overwinning heeft behaald. Maar een meester worden in het genre van de stilte wil zij ook niet. Daarom blijft zij tegen wil en dank meedoen aan festivals, doet daarvan verslag in haar essays en spreekt zich tegelijkertijd uit tegen de ‘festivalisering’ van de literatuur.

Ook Ugresic ziet zich gedwongen mee te reizen in de trein van de literatuur. Soms letterlijk. Zo deed ze mee aan de Literatuurexpres Europa 2000, een project waarbij ongeveer honderd schrijvers uit 43 landen door Europa reisden en achttien steden aandeden. In de bundel Niemand thuis staat een verslag van deze reis en ze noteert onder andere hoe een collega-schrijfster in Minsk ‘diep geschokt was omdat een kelner haar rode wijn gekoeld had geserveerd’. Uiteraard, voordat de literator zich geschokt kan betonen over moord, repressie en andere catastrofes moet de temperatuur van de rode wijn eerst in orde zijn.

Dit oordeel van Ugresic is geen veroordeling, niet uitsluitend in elk geval, of in haar eigen woorden: ‘Ook intellectuelen zijn maar mensen die graag willen dat iemand hen nodig heeft.’

Misschien is het verstandig hier de romanschrijver te onderscheiden van de intellectueel, hoewel sommige romanschrijvers gaarne voor intellectueel doorgaan en sommige intellectuelen het schrijven van romans niet kunnen laten. Ugresic is vooral geïnteresseerd in de intellectueel in de klassieke zin van het woord: iemand die zich met bepaalde zaken bemoeit, veelal zaken die hem niet direct aangaan, om het algemeen belang te dienen.

Juist omdat Ugresic inziet dat een positie buiten de posjlost onhoudbaar is, heeft ze een zesde zintuig voor de intellectuelen die zelf aan posjlost menen te ontkomen door het te bestrijden, denkers wier ‘intellectuele subversie aan haar commerciële waarde wordt beoordeeld’, zoals ze in de bundel Niemand thuis schrijft. Ze voert Bernard-Henri Lévy op, die de bedenkelijke eer heeft in de wereld van posjlost een geheel eigen subcategorie te vormen. Op een andere plaats heeft ze het over de intellectueel die gematigd-radicaal is, dus een ‘show van onecht radicalisme opvoert’, een ‘intellectuele entertainer’ die volgens haar veel gemeen heeft met Coca-Cola, althans met het imago van Coca-Cola: ‘Onconventioneel, fris, avant-gardistisch, subversief, brutaal en nooit, maar dan ook nooit saai.’ Een poseur, misschien zelfs meer dan dat, een dubbelspion.

Ugresic ontkent dat we in een post-ideologische tijd zouden leven. Ze stelt dat de markt wel degelijk een ideologie is, namelijk de ideo­logie van de verleiding. Geen wonder dat het lichaam daarbij zo’n belangrijke rol vervult, want weinig is verleidelijker (of afstotelijker) dan het lichaam. Plato schreef dat het lichaam en zijn verlangens oorlog veroorzaakt en ook het christendom had een moeizame verhouding tot het lichaam, dat slechts de kerker van de ziel zou zijn, maar in deze tijd is op radicale wijze korte metten gemaakt met de verzaking van het lichaam.

In Nationaliteit: geen merkt Ugresic op dat deze ideologie het lichaam ‘het recht op zijn carnavaleske en groteske dubbelzinnigheid’ ontneemt. Omdat het lichaam het voertuig van de verleiding en de tempel van onze ideologie moet zijn dient het voortdurend reclame voor zichzelf en andere lichamen te zijn. En als het geen reclame genoemd kan worden, moeten we er iets aan doen. Daarvoor zijn er immers sportscholen, dieetpillen en cosmetisch chirurgen. Wat sterren doorgaans gemeen hebben is hun betrekkelijk smetteloze lichaam. Soms wordt in deze cultus een zogenaamde ‘freak’ bewierookt, denk aan Michael Jackson, maar dat zou kunnen zijn om het geloof in het lichaam als tempel te benadrukken.

Publieke intellectuelen opereren eveneens in deze constellatie. De uitspraken van Bernard-Henri Lévy zijn een terzijde bij zijn witte overhemd, zijn navel. Toch heeft Ugresic mededogen en begrip voor de intellectueel die de posjlost dient. Wie haar werk leest, kan namelijk niet anders dan concluderen dat juist de vrije geest, dat wil zeggen de intellectueel, de inborst van een huisknecht heeft. Dienen is wat hij het liefst doet. Of de intelligentsia nu het rijk van de posjlost dient of een revanchistisch en neofascistisch regime in Kroatië, in ruil voor wat privileges is hij tot veel bereid. Het omhelzen van twee zwanen zou hem weinig moeite kosten.

De grootste menselijke angst volgens Ugresic is de angst voor uitstoting. Het is deze angst die volgens haar ten grondslag ligt aan het fascisme en het is vanwege deze angst dat zij sceptisch is over de overwinning op het totalitarisme, want de menselijke angst voor uitstoting is onvernietigbaar. Wellicht is het ook deze angst die als verklaring kan dienen voor het gedrag van sommige intellectuelen.

Ugresic zelf werd uitgestoten toen zij ­twintig jaar geleden, op 23 oktober 1992, in Die Zeit haar essay Saubere Kroatische Luft ­publiceerde. Zij schrijft dat dit essay wat haar betreft net zo explosief was als een rotje op 31 ­december, maar dat het in haar gezicht ontplofte. Door ­Kroatische intellectuelen en journalisten ­werden zij en vier andere Kroatische ­schrijfsters van ­land­verraad en hekserij beschuldigd. ­Ugresic zou een feminist zijn die het Kroa­tische ­vaderland verkrachtte. Dat een feminist aan het verkrachten slaat, doet sommige mannen goed.

In dit essay, dat in het Nederlands verscheen onder de titel De cultuur van leugens, staat: ‘Deze oorlog heeft iets van een taart, iedereen probeert er een stuk van te bemachtigen; politici (in binnen- en buitenland), criminelen en speculanten, oorlogsprofiteurs en moordenaars, sadisten en masochisten, gelovigen en weldoeners (ook in binnen- en buitenland), historici, filosofen en journalisten.’

Wie oorlog, zeker als die nog aan het woeden is, vergelijkt met een taart kan er zeker van zijn de oorlogszuchtige heren en dames, die zoals altijd in naam van de moraal spreken en ook in naam van die moraal handelen, te ontrieven.

Soldaten sneuvelen namelijk niet voor een stuk taart; genocide wordt nooit gepleegd voor een stuk taart, maar voor zaken die zoveel heiliger zijn.

In dit essay spreekt Ugresic ook over de ‘terreur van het vergeten’ en ‘de terreur van de herinnering’, waardoor valse mythes kunnen worden geschapen, de bouwstenen van de vervalste collectieve herinnering waarop al het nationalisme is gebouwd. En altijd weer zullen ‘intellectuelen’ zich melden om hun diensten aan te bieden, om deze mythes vorm te geven, tot leven te brengen.

Verscheidene keren heeft Ugresic geschreven over haar uitstoting, over haar ballingschap die op de uitstoting volgde. Wie deze stukken leest zal begrijpen dat het niet zozeer de ballingschap is die pijn doet, hoewel ballingschap een ander geliefd onderwerp van Ugresic is, als wel de uitstoting. En ook wordt duidelijk dat het woord ‘moedig’ – een misbruikt woord, dat vrees ik definitief naar het rijk van de posjlost kan worden verwezen – niet gebruikt moet worden in haar geval. Ugresic had namelijk geen vermoeden van wat de consequenties zouden zijn toen ze haar essay in Die Zeit publiceerde; zij was helemaal niet van plan een heldendaad verrichten.

Uit een essay uit 2010 blijkt dat Ugresic het uitgestoten worden omdat zij de waarheid sprak nog altijd ervaart als een vernedering, een open wond, niet iets waar ze trots op is. Mensen zijn nu eenmaal meestal trots op andermans wonden, nooit op hun eigen.

Dat oorlogen en nationalisme bijzonder kwaadaardige vormen van posjlost opleveren is bekend, maar de posjlost van de vredestijd – de oorlogen voeren we elders – kan niet worden onderschat.

Ugresic wijst erop hoe veel de communistische kitsch op post-communistische verleidingstactieken lijkt. In Verboden te lezen schrijft ze: ‘De tegenwoordige, marktgerichte literatuur is realistisch, optimistisch, vrolijk, sexy, expliciet of impliciet didactisch, en bestemd voor een breed lezerspubliek. Als zodanig draagt ze bij tot omscholing en heropvoeding in de geest van de persoonlijke overwinning van een goed op een slecht mens. Als zodanig is ze socialistisch-­realistisch. Ze is alleen minder saai dan haar Sovjet-Russische voorzaat.’

Wie Ugresic leest zou bijna denken dat het communisme aan saaiheid ten onder is gegaan. Saaiheid is de grote vijand van ideologieën, vooral de onze, en om die saaiheid te bestrijden zullen er telkens weer oorlogshitsers, generaals en politici opstaan, maar ook intellectuelen en romanschrijvers, ook zij bestrijden dolgraag de saaiheid.

In De cultuur van leugens haalt Ugresic een prachtig citaat aan van Osip Mandelsjtam over deze bestrijders van saaiheid: ‘Een schrijver is een bastaard van een papegaai en een priester. Hij is een papegaai in de meest letterlijke betekenis van het woord. Wanneer zijn meester een Fransman is, zal hij Frans spreken, maar wanneer hij wordt verkocht in Perzië, zal hij in het Perzisch zeggen: “Lorre is gek” of “Lorre wil een koekje”. Een papegaai heeft geen tijdsbesef en kent het verschil tussen dag en nacht niet. Wanneer zijn meester genoeg van hem heeft, gooit hij een zwarte doek over zijn kooi, wat voor de literatuur een surrogaat is voor de nacht.’

Nu zoveel schrijvers, lezers, uitgevers en intellectuelen vergeten lijken te zijn dat schrijvers papegaaien zijn, herinnert Dubravka Ugresic ons met haar essays aan het feit dat papegaaien vanuit hun kooitje soms iets kunnen zeggen wat de moeite waard is. Zelfs, of vooral, als het hun meesters woedend maakt.

Dit is de laudatio op Dubravka Ugresic die Arnon Grunberg uitsprak tijdens de Frankfurter Buchmesse. Ugresic ontving de Jean Améry-prijs voor journalistiek. De toespraak is ook op film terug te zien: arnongrunberg.com