Jonathan Franzen, De kunst van het alleenzijn

De schrijver als straatjutter

Jonathan Franzen

De kunst van het alleenzijn

Vertaald door Paul van den Hout.

Uitg. Prometheus, 309 blz., € 19,50

Wanneer je als Amerikaanse schrijver door tv-megaster Oprah Winfrey bent uitverkoren om in haar programma te figureren omdat jouw roman tot Boek van de Maand is uitgeroepen en je wéigert koppig je kunstjes te vertonen in haar publiciteitscircus, dan heb je lef maar ben je ook een beetje laf. Lef omdat je niet buigt voor Koning Commercie die jouw gecompliceerde roman razendsnel verhaspelt tot een handvol eenvoudige reclameslogans; je bent laf omdat je het product van je éigen verbeelding, waar jaren eenzame arbeid in zijn geïnvesteerd, niet tot in de hel van de media verdedigt tegen de oppervlakkige zapcultuur en tegen de oneliner-verslaving. De moloch die markt heet wil ook de literatuur tussen zijn kiezen vermalen. Daarom is het nuttig dat de schrijver af en toe luid en duidelijk zijn mond opendoet om zijn geesteskind te beschermen tegen het commerciële geweld. Maar Goethe liet het zijn creatie Faust al zeggen: «Aanwezigheid is onze plicht, al is het maar kortstondig.»

Jonathan Franzen — die in zijn zeer persoonlijke essaybundel De kunst van het alleenzijn deze Goethe-zin met instemming citeert — liep met een boog om Oprah Winfrey heen. Hoon viel hem ten deel. «Elitaire ijdeltuit» was een van de mildere verwensingen die hem naar het hoofd werden geslingerd. Franzen weigerde, zo schrijft hij in zijn allerminst ijdele relaas St. Louis, omdat hij de integriteit van zijn roman De correcties niet te grabbel wilde gooien door mee te werken aan valse tv-reportages waarin hij de nostalgische schrijver moest spelen. Hij kreeg er jeuk van, hij werd er bijna ziek van. Schrijven blijft voor Franzen, die het succes van zijn familie- en stadsroman De correcties met gemengde gevoelens ondergaat, een eenzame bezigheid «en onderscheidt je van de groepsidentiteit». Je dient je verre te houden van «het suikerwater van de huidige cultuur» die als enige maatstaf de dollar hanteert, ten koste van de artistieke inhoud. Maatschappelijke afzijdigheid betekent zuiver blijven. De antisociale neiging van die volbloedschrijver is niet zo onnatuurlijk. Voor zo’n houding is veel te zeggen. Schrijvers als Salinger, Pynchon, DeLillo en Powers leiden bewust een teruggetrokken leven.

Maar toch, wat scheelt zo’n houding? Wie trekt zich er wat van aan in een samenleving waarin verwoede lezers steeds zeldzamer worden en waarin kluizenaarachtige schrijvers ballingen blijken wier elitaire attitude welhaast sméékt om de «gifpijlen van populistische retoriek»? Als de technologische beeldcultuur zich tegen de serieuze roman keert, als het consumentisme de literatuur alle inhoud dreigt te ontnemen en als de lezers van vroeger alleen nog tv kijken, computerspelletjes kopen of vluchtig communiceren per e-mail, hoe moet de schrijver dan nog aandacht trekken, «waar moet je de energie vandaan halen om je te engageren met een cultuur-in-crisis, wanneer die crisis bestaat in onmogelijkheid om een dispuut over die cultuur uit te lokken?»

In Jonathan Franzens De kunst van het alleenzijn wordt deze mokkende, defaitistische toon gelukkig afgewisseld met overpeinzingen over de potentie van de «sociale roman». Zijn er nog literaire mogelijkheden voor de schrijver die ziet dat de tv en de journalistiek veel (sociale) taken van de literatuur hebben overgenomen? Het politieke schrijversverzet tegen het techno-consumentisme kan het beste gestalte krijgen door je als auteur in te spannen voor «nauwkeurig, expressief taalgebruik». Is dat alles? Het is al veel, maar er is meer. Franzen citeert de door hem bewonderde streekromanschrijfster Flannery O’Connor, die in haar Zuidelijke verhalen het mysterie («hoe mensen de zin van het leven uit de weg gaan of tegemoet treden») vorm wilde geven via indringende beschrijvingen van het menselijk gedrag. Opmerkelijk in De kunst van het alleenzijn is dat de stadsbewoner en straatjutter Franzen de streekromans van Faulkner en O’Connor tot de beste Amerikaanse literatuur rekent. Franzen zelf moet het als schrijver van de stad hebben. Zijn essaybundel bevat een paar persoonlijke, geëngageerde verhalen over de verloederde postbezorging in zijn geboortestad Chicago, over zijn door Winfrey afgedwongen terugkeer naar St. Louis, waar hij opgroeide, en over zijn frequente verhuizingen van en naar Philadelphia en New York, waar hij nu woont. Schrijven vergelijkt hij in interviews stelselmatig met stedenbouw: jarenlang maak je plattegronden en leg je fundamenten; daarna richt je in razend tempo een reeks gebouwen op, die dan hopelijk staan als een huis. Een zeer herkenbaar procédé. In zijn romans — waarin de microkosmos van de familie geteisterd wordt door de geschiedenis van vader en vaderland, door corrupte macro-economie en politieke machinaties — moet Franzen het van steden hebben: St. Louis in De 27ste stad (1988), Philadelphia en New York in De correcties (2001) en Boston in Schokgolven (1992).

Franzen schrijft geen sociale romans maar stedelijke familieromans. Hij is een straatjutter die achter de façades kijkt, zijn oppositionele boeken zijn bastions tegen de digitale revolutie. Hij schrijft om een historisch besef te herwinnen én om aansluiting bij een gemeenschap van lezers en schrijvers te vinden, wetend dat de historie een wereld is waarvoor de sensitieve woordkunstenaar zich het liefst wil verbergen. Van die dubbelzinnige houding doet De kunst van het alleenzijn verslag.