De schrijver als strandjutter

JOSEPH O’CONNOR
REDEMPTION FALLS
Vertaald door Harm Damsma en Niek Miedema Nieuw Amsterdam, 512 blz., € 22,50

Joseph O’Connors Redemption Falls begint alsof William Faulkner even heimelijk uit de literaire hemel is neergedaald op aarde om een alternatief begin van Light in August te schrijven. Maar deze keer is het geen jonge, zwangere vrouw die in de jaren twintig van de vorige eeuw vanuit het Diepe Zuiden op zoek gaat naar de gevluchte verwekker van haar kind. Bij de Ier O’Connor gaat het om het zestienjarige meisje Eliza Duane Mooney, dat in 1865, vlak voor het einde van de Amerikaanse Burgeroorlog, vlucht uit Baton Rouge in Louisiana, op zoek naar haar verdwenen broertje Jeddo. Hoewel het haveloze half-Ierse meisje bijna verhongert en hallucineert (‘Het gewicht der dingen had zijn maat verloren’) blijft ze maandenlang doorlopen en duizenden kilometers afleggen. Totdat ze na bizarre ontberingen, verkrachtingen, moord en bedrog een jaar later het Bergterritorium (Montana en omstreken) bereikt. Het troostende ‘vertelselboek’ dat ze op zak heeft is een bijbeltje. ‘Als je alle woorden in dat dikke, ritselende boek telde, zouden het er minder zijn dan alle gesneuvelden in de oorlog.’

Aan het einde van dit faulkneriaans-schitterende eerste deel van Redemption Falls wacht de lezer een verrassing. Er duikt opeens een ik-verteller op die zich niet bekendmaakt maar wel onthult dat hij de zware wandeltocht van Eliza dwars door Amerika niet kan aanzien. ‘Want deze voettocht dient voor mijn verlossing.’ De oplettende lezer weet dan al dat er een verband moet bestaan tussen het doel van haar tocht en de verteller, die even later de professorale bezorger van het hele boek blijkt te zijn. Maar wat heeft de New Yorkse emeritus hoogleraar J.D. McLelland, die zich uitgerekend op bladzijde 33 in een voetnoot bekendmaakt, nu precies te maken met het doel van Eliza Duane Mooney’s tocht? Pas een kleine vijfhonderd pagina’s later blijkt waarom McLelland in de jaren dertig van de twintigste eeuw, wanneer Hitler de geschiedenis gaat domineren, een uitputtende reconstructie wilde maken van Eliza’s zoektocht naar haar broertje. De laatste twee alles onthullende woorden van O’Connors roman – die ik natuurlijk niet ga citeren – zorgen ervoor dat de lezer die de verteller dan nog niet heeft kunnen thuisbrengen meteen weer opnieuw kan beginnen met de lectuur van Redemption Falls. ‘De ballade van de Oorlog eert de gestorvenen. Dit is het verhaal geweest van enkelen die hebben overleefd.’

Als O’Connors roman Star of the Sea het monumentale relaas is van Ieren die massaal en hongerig per schip op weg gaan naar het Beloofde Land Amerika, dan is Redemption Falls het meesterwerk waarin O’Connor boekstaaft hoe de Ieren in Gods Eigen Land huishouden ten tijde van de Burgeroorlog (1860-1865) en de Restauratieperiode daarna. Een van de hoofdpersonages is generaal O’Keeffe, een Ierse nationalist die aan de galg én aan het verdoemdeneiland Tasmanië is ontsnapt en in Amerika waarnemend gouverneur van het Bergterritorium wordt. O’Keeffe’s half Spaanse vrouw Lucia komt uit een welgesteld New Yorks milieu, was verpleegster in de burgeroorlog en bevroedt een geheim dat haar drankzuchtige man kwelt. Hun huwelijk is een permanente strijd, niet in de laatste plaats veroorzaakt door cartograaf Winterton, met wie Lucia een kortstondige affaire heeft. En dan is er het joch Jeddo Mooney, half Iers en half Mexicaans (of heeft hij een zwarte als vader?). De gouverneur treft hem aan in de put van een gouddelversmijn vlak bij het stadje Redemption Falls (redemption betekent verlossing) en neemt hem in huis. De lezende en verwoed schrijvende Lucia observeert hem, het stomme joch à la Kaspar Hauser dat ook op haar zenuwen werkt.

Redemption Falls draait om kinderen, geboren en ongeboren, verlaten of dood. Eliza vindt haar broertje en laat hem door een bende kidnappen, met alle gewelddadige gevolgen van dien. Intussen is zij zelf zwanger geworden, evenals Lucia, en is ze getrouwd met de Iers-Amerikaanse desperado Johnny Thunders, seriemoordenaar en bijbellezer. Nee, u heeft er niets aan om nu te lezen hoe de plot zich ontvouwt, wie er allemaal aangaan en wie overleven. Interessanter is het te constateren dat Joseph O’Connor een modernistische historische roman heeft geschreven die een credo van Walt Whitman (‘De ware oorlog komt nimmer in de boeken’) logenstraft. Het modernistische zit ’m niet alleen in de veelstemmigheid van de roman, dankzij uiteenlopende teksten en fragmenten als dagboeken, liederen, krantenberichten, maar vooral in het feit dat het een roman is over het schrijven zelf: het vormgeven van wat verloren dreigt te gaan. De verteller is een strandjutter die alle snippers papier en beeldmateriaal vergaart om nog een glimp te kunnen opvangen van de doden van toen. Wie zo over oorlog en liefde schrijft, krijgt voor elkaar wat zelfs Walt Whitman betwijfelde.

O’Connors Redemption Falls is al vergeleken met Cormac McCarthy’s rauwe westernromans vol rechteloosheid en woest verlangen. Terecht. Toni Morrisons Beloved is genoemd, een roman spelend aan het einde van de slavernij waarin een moeder haar dochtertje doodt om haar zo tegen de boze buitenwereld te beschermen. Ook terecht. Maar Redemption Falls is geen Amerikaanse roman, wel een boek dat zich afspeelt in het Amerika van 1850 tot 1867. O’Connor heeft een Ierse roman geschreven, een vertelling over Ieren in Amerika. Shakespeare, Defoe, Twain, Poe, Melville: iedere schrijver van belang mag meedoen. Maar uiteindelijk is het alleen Joseph O’Connor die tekent voor deze formidabele historische roman waarin de doortrapte vorm – de vertelwijze – de actuele inhoud beheerst.