De Noorse schrijver Jon Fosse (1959) is bekend van romans, essays, poëzie en meer dan veertig toneelstukken die in vijftig talen zijn vertaald. Toch doet ‘de Beckett van de 21e eeuw’, die steevast tot de favorieten voor de Nobelprijs wordt gerekend, niet bij iedereen een belletje rinkelen. Op zoek naar het onlangs verschenen tweede deel van zijn Septologie trof ik bij meerdere boekhandels in Amsterdam zelfs geen enkel werk van hem tussen zijn F-genoten aan.

Zeker in het geval van Septologie is dat jammer, omdat juist deze romancyclus een inkijkje biedt in het hoe en waarom van Fosse als schrijver. In dit werk voert Fosse een schilder op die hij veel over zijn eigen kunstenaarschap laat denken. De visie of ‘esthetica’ die de kunstenaar hier ontwikkelt is niet los te zien van de manier waarop Fosse naar zijn eigen werk kijkt.

Van Septologie zijn, in de Nederlandse vertaling van Marianne Molenaar, De andere naam (I-II) en Ik is een ander (III-V) inmiddels verschenen. Het laatste deel Een nieuwe naam (VI-VII) komt in januari uit en laat dus nog even op zich wachten. Dat is geen ramp, want we hebben hier allerminst te maken met een pageturner. Sterker nog: Fosse zelf noemt zijn werk ‘slow prose’. Dat komt in de eerste plaats door de namen van de personages. In Septologie volgen we een schilder genaamd Asle die zijn vrouw Ales verloor, dagelijks zijn buurman Åsleik ontmoet en zich bekommert om zijn alcoholistische vriend, die ook Asle heet. En ook schilder is. Ja, dat zorgt inderdaad voor wat vertraging bij het lezen.

Een andere reden voor deze vertraging is het feit dat het boek niet wordt voortgestuwd door een plot. Met het verschijnen van de eerste vijf delen zijn er pas vijf dagen verstreken en zijn we een aantal keer vanuit het dorp waar Asle woont op en neer gereden naar de stad waar Asle zijn schilderijen moet afleveren voor een tentoonstelling en waar Asle (die andere dus) in het ziekenhuis ligt. Niet de gebeurtenissen en situaties staan centraal, maar de moeizame, stroperige dialogen en alsmaar meanderende gedachtes die Asle heeft. De vele jeugdherinneringen die in deze gedachtes voorbij komen vormen de uitstapjes uit het hier en nu, maar ook hier wordt het lezen bemoeilijkt doordat tegenwoordige en verleden tijd door elkaar heen vloeien.

Deze wanorde, waar de logica en zelfs de grammatica ver te zoeken zijn (zo staat er geen enkel punt in Septologie), maakt dat het Fosse lukt om heel dichtbij de taal van het denken, of liever van het bewustzijn, te komen. Een taal die zichzelf herhaalt, afbreekt, in tegenspraak is, afdwaalt naar vroeger en dan weer in het nu zichzelf van alles verwijt. Een stream of consiousness dus, maar dan tot het uiterste doorgevoerd.

Aan deze taal is goed te zien dat Fosse naast romanschrijver ook toneelschrijver is. Dat is niet uniek, maar zo veel stukken als Fosse schreven er maar weinig. Van de veertig stukken die hij schreef zijn er ook nog eens meer dan duizend in productie gegaan. In Nederland onlangs nog Ik ben de wind (tg STAN en Maatschappij Discordia) en in oktober dit jaar zal Winter te zien zijn bij Mooi Weer & Zo. Toch begon Fosse pas met het schrijven van toneel toen hij begin jaren negentig als romanschrijver met enige bekendheid in Noorwegen gevraagd werd door een regionaal theater om een stuk te schrijven.

De taal van het theater is naar haar aard beter in staat dichter bij spreektaal te komen. Anders dan in de meeste romans, praat men er in halve zinnen, in herhalingen, komt men niet uit de woorden en wordt er in dialogen compleet langs elkaar heen gepraat. Het is deze taal waarin Fosse schrijft.

Hoewel het nu alleen nog over de stijl en de vorm van Septologie is gegaan, zei Fosse juist over dit werk dat het erg belangrijk was dat hij niet zou sterven voor hij het af had, omdat hij iets te zeggen had en de plicht voelde dat ook te doen. Toch is het heel moeilijk om het over een concrete inhoud te hebben, want wat hij wil zeggen lijkt zich nu juist onmogelijk uit te drukken in woorden. Septologie gaat namelijk, zoals misschien wel zijn hele oeuvre, over stilte.

In het essay De gnosis van het schrijven haalt Fosse een citaat van de Franse filosoof Derrida aan die als correctie op Wittgensteins ‘waarover men niet spreken kan, moet men zwijgen’ stelt dat men daarover niet moet zwijgen, maar schrijven. Fosse heeft die taak met beide handen aangegrepen en probeert dit in al zijn werk; niet door stil te zijn, maar door ruimte te maken voor ‘een stille stem die tussen de regels spreekt’, zoals hij zegt te horen in het werk van Beckett, die niet geheel toevallig een schrijver is die ook (of: vooral) toneel schreef, met Wachten op Godot als het bekendste.

Dat stuk is ook meteen een goed voorbeeld waarmee invoelbaar wordt wat Fosse bedoelt: twee personen wachten op iemand, Godot, die niet komt. Er gebeurt niets en de gesprekken gaan nergens over. En juist daarmee behandelt het de grootst mogelijke existentiële thema’s.
Die bijzondere taal die Fosse in zijn werk hanteert, een taal die even warrig en nietszeggend is als dat spreektaal vaak is, is nodig om iets anders uit te drukken; iets onzegbaars (en juist niet: nietszeggend). De passages waarin Asle over zijn schilderwerk spreekt of denkt, kunnen ons als lezer dichter bij een begrip van dat onzegbare brengen (zover dat mogelijk is) en begrijpelijk maken waarom juist het voltooien van Septologie zo ontzettend belangrijk was voor hem.

De vijf verschenen delen beginnen allemaal hetzelfde. Steeds staat Asle voor zijn eigen schilderij. Een schilderij met twee strepen, één lila en één bruin. Doorheen Septologie vindt hij het dan weer zijn meest geslaagde schilderij en dan weer zijn slechtste. Of een schilderij gelukt is heeft in zijn eigen ogen alles te maken met het licht van het schilderij. Daarom bekijkt hij zijn schilderijen altijd in het donker. Als hij er dan licht van af ziet stralen is het geslaagd: ‘het is een soort licht, een soort lichtend donker, een onzichtbaar licht dat er stil uit spreekt en de waarheid zegt’.

Fosse laat Asle hieraan toevoegen: ‘en zo is het ook met de literatuur die ik graag lees, belangrijk is niet wat die woordelijk zegt over dit of dat, het gaat om iets anders, iets wat stil uit de zinnen en tussen de regels door spreekt’. De overeenkomst met de opmerking van Fosse over Beckett is hier overduidelijk. Ook worden we hier expliciet uitgenodigd door Fosse om wat Asle over schilderkunst zegt, ook op de literatuur (van Fosse) te betrekken.

Elders schijft hij in navolging hiervan: ‘ook al is het schilderij in de ogen van anderen misschien mislukt, is het toch een schilderij waarop ik eerlijk gezegd iets heb weten weer te geven van wat ik op al mijn schilderijen probeer weer te geven, denk ik, dat iets, dat, ja, dat wat niet gezegd kan worden, maar wat misschien gezien kan worden, of bijna gezien, ja, dat wat áls het al op een op andere manier kan worden weergegeven eerder gezien dan gezegd kan worden, maar niet alleen in een schilderij, want het kan minstens net zo goed in een goed boek, in literatuur, gezien worden, denk ik’

Deze gedachtegang stelt Asle in staat om te concluderen dat goede kunst vergelijkbaar is met een hond: ‘honden, die begrijpen zo veel, maar ze kunnen er niets over zeggen, of ze kunnen het zeggen met hun hondenogen, en in die zin lijken ze op goede kunst, want ook die kan niets zeggen, niet in eigenlijke zin, die kan alleen iets anders zeggen en zwijgen over wat ze eigenlijk wil zeggen, en op die manier zijn kunst en geloof en het stilzwijgend begrip van de hond een en hetzelfde, nee, nu ga ik te ver, denk ik, want een denker ben ik nooit geweest’. Die laatste zin moet Fosse lachend hebben opgeschreven.

Een ‘onzichtbaar licht dat de waarheid spreekt’, ‘zeggen wat niet gezegd kan worden’, ‘spreken door te zwijgen’; dit alles riekt naar mystiek, en dat klopt. God, of de eenwording met God die in de mystiek centraal staat, speelt een belangrijke, zo niet de belangrijkste, rol in het denken van Asle, die, net als Fosse zelf, zich tot het katholicisme bekeerde in een poging van zijn drankverslaving af te komen na een delirium en alcoholvergiftiging te hebben gehad.

Iets anders wat deze romancyclus sterk autobiografisch maakt is de invloed van de Duitse laatmiddeleeuwse mysticus Meister Eckhart. Fosse heeft in een interview gezegd dat Eckhart de denker is die het belangrijkst is geweest voor hem en de gedachtes die Asle over God heeft, leunen dan ook sterk op die van Eckhart, die in het vijfde deel (eindelijk) wordt genoemd: ‘en ik denk bij mezelf dat Ales vaak zei dat ik in mijn doeken met iets bezig was waar Meister Eckhart over schreef, niet direct, natuurlijk niet, maar toch was ik een beetje met hetzelfde bezig’.

Een citaat van Eckhart waarmee deze overeenkomst meteen duidelijk wordt: ‘Het moet zijn in een stilte en een zwijgen dat dit woord gehoord wil worden. Men kan dit woord niet beter tegemoetkomen dan met stilte en zwijgen: daar kan men het horen en daar verstaat men het op de juiste manier, in het on-weten’, zo schrijft hij in zijn preken en traktaten, die in het Nederlands zijn vertaald en gebundeld onder de titel Over God wil ik zwijgen.

Een ander belangrijk punt voor Eckhart is het jezelf-leegmaken om tot God te komen. Die ontvankelijkheid komt voort uit het loslaten van je zelf überhaupt: ‘hoe meer je jezelf vergeet, des te dichter kom je hierbij.’ Met de stijl en de vorm, het opvoeren van een naamgenoot die ook nog eens een dubbelleven leidt, de vele autobiografische aspecten en de titels van de drie delen – met het ‘Je est un autre’ van Rimbaud, dat als titel en motto van het tweede deel fungeert als sterkste voorbeeld – thematiseert Fosse nadrukkelijk dit gegeven, want wie is Asle nou eigenlijk? Wie is Jon Fosse? En wie ben ik als lezer van dit alles?

Voor Fosse is dit, geïnspireerd door Eckhart, vooral van mystieke betekenis. Het is een loslaten van een (vals) zelf en alle ruis van de wereld om zo tot God te komen. Kunst kan dit doen, in het geval van Asle zelfs zijn eigen kunst, niet voor niets begint elk deel dan ook met de zin ‘En ik zie mezelf kijken’, waar hij elders nog aan toevoegt: ‘als ik in dat beeld verzonken ben, of in die manier van kijken, dan ben niet ik het die kijkt, maar er is iets dat via mij kijkt, als het ware’.

Asle maakt dus mystieke kunst vanuit een esthetica die voortvloeit uit het denken van Meister Eckhart. Dat klinkt misschien complex en hoogdravend, maar Fosse maakt dit juist tot iets heel kleins en alledaags. Mooi in dit verband is het gesprek tussen Asle en buurman Åsleik, overtuigd atheïst. Åsleik stelt tegenover de mystieke woorden van Asle dat hij over dat soort dingen niet te veel nadenkt. De boerderij onderhouden, de bijgebouwen in goede staat houden, daar gaat het om. Zijn ouders en zijn overgrootouders hadden er veel tijd in gestopt en verder dan zijn overgrootouders hoefde hij niet terug in de tijd: ‘daar hoef je niet over na te denken, je niet mee bezig te houden, dat was er gewoon, ja, de grote stilte, zegt hij / Ja, zeg ik / De grote stilte, zegt hij / en ik overweeg of ik zal zeggen dat God de grote stilte is, en dat je in de stilte God kunt horen, maar dan bedenk ik dat ik het net zo goed niet kan zeggen’.

Het goddelijke is voor Asle iets als het ware of het wezenlijke en bovenal een houding, een aandacht. Het geloof is voor hem dan ook niet een kerkelijke leer, maar ‘een manier om in het leven en in de wereld te staan die misschien wel lijkt op die van de kunstenaar’, omdat beide levenshoudingen een afstand tot de wereld scheppen en naar iets groters verwijzen.

Juist deze aandacht in de kunst en in de religie voor het ‘grotere’ lijkt in onze ‘onttoverde’, seculiere en technocratische samenleving waar de kerken leegstromen en de ervaring van kunst volgens beleidsbepalers vervangen kan worden door ‘het opzetten van een dvd’tje’ steeds meer te verdwijnen. Daarom heeft de door Eckhart geïnspireerde mystieke esthetica van Asle, en daarmee, zoals beweerd, het hele oeuvre van Fosse, vooral een existentiële en cultuurkritische zeggingskracht.

Alleen door te vertragen, door open te staan en aandacht te hebben voor de stilte stem die tot ons spreekt in de stilte, door onszelf te ontdoen van ons valse zelf – onze naam, cv en andere uiterlijkheden waar we identiteit aan ontlenen – zijn we in staat om iets hogers, grootser of wezenlijkers te kunnen ervaren. Wat dat is, daar kan men enkel over schrijven, zoals Derrida stelde. Maar weinigen zo mooi als Fosse.