De schrijver en haar object

Manon Uphoff, De spelers. € 17,50

Medium uphoff manon

Het is een ingewikkelde roman, De spelers van Manon Uphoff. Om hier meteen maar achteraan te piepen: wie zei dat literatuur niet ingewikkeld mocht zijn? Vooral de slotzin laat me in verwarring achter. Iets dergelijks had ik de afgelopen zomer, toen ik Kalme chaos las, de grote succesroman van Sandro Veronesi. Meeslepend begin, irritant en oeverloos tussenstuk, en dan opeens een sterke, ontroerende uitsmijter die heel het voorgaande met terugwerkende kracht betekenis lijkt te geven.
Uphoffs verteller, Manja, is het alter ego van de schrijfster. Zij is de waarnemer, de schrijver die zich ophoudt in de bosjes, en iedereen, ook haar naasten, begluurt, ontleedt, uitkleedt. Het echte leven als schouwtoneel; de titel van de roman zal daar iets mee te maken hebben. Die indruk van het echte leven dringt zich op, omdat, sterker dan in Uphoffs vroegere werk, er een documentaire lading door de roman heen schemert.
Vooral in het begin lijkt ze vrij rechttoe, rechtaan uit haar eigen geschiedenis te tappen, ook omdat ze haar belangrijkste object slechts met een initiaal aanduidt. Er wordt gewag gemaakt van de ontmoeting van de ik-vertelster met ene J., een vluchteling uit Sarajevo. We schrijven 1992. J. heeft mazzel; hij valt het leven van zijn taaljuf binnen net nadat die afscheid heeft genomen van haar minnaar. J’s verschijning veroorzaakt bij haar ‘een even plotselinge als redeloze betovering’. En: ‘Ik had al een tijd niets meer gevoeld. Ik keek naar J. en sliep niet meer.’
De beschrijving van het begin van hun verhouding is heel sterk. De heftigheid waarmee Manja zich laaft aan zijn lichaam wordt op een of andere manier gepareerd door de koppige volhardendheid waarmee J. zich op de Nederlandse taal stort. Uphoffs geheel eigen vertelstijl, afwisselend ironisch en monter, en dan weer ondoorzichtig en poëtisch, is hier op z’n best. Ook al is niet alles letterlijk écht te begrijpen, de stuwende ondertoon van hitsig verlangen geeft de zinnen een overtuigende urgentie. ‘We verzonken in een tijdloos vacuüm en ik werd blazig schuim – schuimend been van inktvis. Ach, laat er toch nooit een eind aan komen, dacht ik, dit bewegen, bewegen, bewegen alsof hij ergens dwars doorheen wil breken, dit trillen van zijn armen en het laagje zweet op zijn voorhoofd, dat rimpelloos verkrampt.’
Mooi, want pijnlijk, is ook de ommekeer die ze beschrijft in de manier waarop ze naar hem kijkt als ze hem een keer aan de telefoon hoort met een stem uit het verleden. Een vrouwenstem. Vanaf dat moment moeten er andere middelen worden ingezet om hem te kunnen toe-eigenen. In een notitieboekje doet ze minutieus verslag van al zijn hebbelijkheden en gewoontes. ‘Hoe hij na het douchen zijn oksels droogdept!’
Wat af leek te stevenen op een even liefdevolle als genadeloze ontleding van een verhouding waarin de ongelijkheid ingebakken zit, neemt een geheel andere wending als het stel afreist naar Sarajevo, de thuisbasis van J. Vanaf dat moment is het niet meer duidelijk waar het de schrijfster om gaat, en begint alles – woordkeuze, zinsbouw, spanningsboog – te wringen en te horten. Manja maakt kennis met J.’s moeder, zijn zus Olga, zijn neefje Dinko en ietsje later ook met zijn zwager Spiro, die om een of andere reden Manja’s speciale interesse heeft. Het is weliswaar kersvers oorlogsgebied waarin we ons nu bevinden, maar het koken van de soep, het hangen op de bank in een benauwd appartement en het gebakkelei tussen broer en zus, het zou zich allemaal net zo goed in Assendelft, Noord-Holland, kunnen afspelen.
Erg genoeg begint de hele fascinatie voor J. daar een beetje in te verdwijnen. En dat terwijl hij eerst nog zo ‘jong en mooi’ leek tussen die anderen, zijn zus en zwager.
Het gebrek aan dwingende en boeiende voortgang van de handeling lijkt Uphoff te willen compenseren met zware literaire bombardementen. Niet alleen denkt Manja in ‘de koele beneveling’ van de gesprekken tussen J. en Spiro iets van zichzelf te zien ‘schitteren’, ze droomt van een eigen huis met J. waarin ze zich ‘kunnen verbinden en daarbinnen kunnen liggen als stukken glas’, en ook de dagen gaan niet gewoon voorbij maar ‘vielen scherp en puntig als naalden’. Als een maat van Spiro zijn sok uittrekt om zijn zesde teen te showen, ligt Manja de hele nacht te woelen. ‘Het was niet dat ik een kleine variatie op het menselijke niet kon verdragen, het was de onverwachte vermeerdering die me onrustig maakte.’ Kijk es aan.
Naarmate het aantal non-events toeneemt, wordt de toon van Uphoff overspannener. Iedereen en alles lijkt de moeite van het gedetailleerde beschrijven waard: de handen van de kioskhouder, de lippen en billen van de verpleegkundige, de grijns van de doodgraver. Met tot gevolg dat alles even dood als looiig wordt, en uiteindelijk niets meer boeit.
Eventjes vlamt er weer wat hoop op als de vertelster zichzelf expliciet bij de kladden neemt: ‘Ja, door jullie zorgen en pijn voel ik weer dat ik leef…’ Krijgen we nu de introspectie van de eeuwige buitenstaander, de schrijver als verrader? Niet echt. Het blijft bij een intermezzo, en het reisverhaal of wat het dan ook is herneemt zijn stuurloze en onevenwichtige loop. Tot de laatste bladzijde dus. Het is inmiddels 200-, de schrijfster heeft haar notities afgerond. J. vraagt waar ze mee bezig is. ‘Ik maak aantekeningen.’ Hij: ‘Ik verbied het je.’ De schrijfster kiest echter voor de eeuwigheid. Haar object heeft het laatste woord: ‘Waarom heb jij mij nutteloos gemaakt?’
Een goeie vraag, een pijnlijke vraag ook. Het feit dat ik daarover nog steeds zit na te denken, neemt me alsnog voor dit project – dat een adequatere benaming voor De spelers lijkt dan roman – in.

MANON UPHOFF
DE SPELERS
De Bezige Bij, 252 blz., € 17,50