De schrijver schrijft zijn boek

De hoofdpersoon in Ilja Leonard Pfeijffers nieuwste roman Grand Hotel Europa heet Ilja Leonard Pfeijffer, een personage you love to hate.

Een paar jaar terug was ik genomineerd voor De Inktaap, een van de leukste prijzen die ons taalgebied kent. Om genomineerd te zijn moet je dat jaar de Gouden Boekenuil, de toenmalige ako of de Libris gewonnen hebben. Meer dan duizend boekenwormige scholieren in Nederland en Vlaanderen lezen de romans, debatteren, maken olijke vlogs, doen – in mijn geval – overtuigende imitaties van de genomineerde schrijvers, stemmen vervolgens en overhandigen de winnaar uiteindelijk de prijs op een speciale middag in deSingel in Antwerpen.

Het jaar dat ik genomineerd was, was ik dat samen met Joke van Leeuwen, de winnaar van de ako met haar Feest van het begin, en Ilja Leonard Pfeijffer, de winnaar van de Libris met zijn La Superba. Van tevoren stonden we gedrieën in de coulissen, onrustig uit te kijken op de nog onrustigere zaal met negenhonderd scholieren. We werden door de presentator aangekondigd, liepen het podium op onder luid gejoel, gingen zitten en kwamen erachter dat we Pfeijffer kwijt waren. ‘Waar is Ilja?!’ riepen de presentator en het publiek.

Tien seconden daarvoor had hij nog naast me gestaan, nu was hij weg. Behalve dat hij niet weg was. Hij stond gewoon nog in de coulissen, wachtte tot het applaus was weggestorven en liep pas toen het podium op. Hij wilde zijn eigen applaus.

Dit maar om te laten zien dat het schrijverschap van Ilja Leonard Pfeijffer altijd al een buitengewoon theatraal aspect heeft gehad. Je zou willen zeggen dat dit soort spel onnodig is, oncollegiaal of achterhaald, de schrijver hoeft toch geen performance te geven, de Romantiek is voorbij, Byron en Goethe zijn dood – schrijf je boek en laat dat voldoende wezen. Tegelijk moet je misschien ook erkennen dat in het huidige versnipperde medialandschap de Pfeijffers, de Wieringa’s en de Brusselmannen een noodzakelijke rol spelen die elke literaire cultuur nodig heeft, namelijk die van blikvanger. Je zapt langs ze op tv of ziet hun foto in de krant staan en ziet aan hun performance direct dat ze schrijver zijn, ook als je nog nooit iets van ze hebt gelezen. Ze houden de literatuur zichtbaar ook voor mensen die geen literatuur lezen. Kortom, de dooddoener: als Pfeijffer niet bestond zou hij uitgevonden moeten worden.

Nog voordat hij met prijzen werd overladen en de bestsellerlijsten bestormde zette hij zichzelf al eens liggend-naakt-bij-staande-schemerlamp op de achterflap van een bundel; de laatste jaren heeft hij die zelfvergroting of zelfmystificatie nog verder doorgevoerd binnen zijn werk. In La Superba dook al een schrijver op die ‘Ilja Leonard Pfeijffer’ heette, wiens werk en schrijverschap in alles op dat van de auteur leek. Waar andere schrijvers in hun Privé-domein-autobiografieën hun leven of poëtica verhelderen, gebruikte Pfeijffer zijn Brieven uit Genua (2016) om zijn zelfvergroting nog eens extra te vergroten, hij heroïseerde zijn levensstijl en het pad dat hij als schrijver had afgelegd, vierde zijn eigen werk als de fan die hij is en somde alle werkbeurzen op die hij van het Letterenfonds had gekregen en alle Nederlandse dichteressen met wie hij naar bed was geweest.

Dat je jezelf mystificeert is tot daaraan toe, maar misschien kun je onschuldige omstaanders beter onschuldig laten. Nadat ik in De Groene over Brieven uit Genua had geschreven, kreeg ik van verschillende dichteressen mailtjes die Pfeijffer op zijn lijstje had staan. Ze wilden me, onafhankelijk van elkaar, graag laten weten dat ik niet in de waarheid van Pfeijffer moest trappen. Want het was geen waarheid. Ze waren nooit met hem naar bed geweest.

Nu ben ik keurig feministisch opgevoed met het idee dat opscheppen over met wie je naar bed bent geweest nogal voor prutsers is – opscheppen over met wie je niet naar bed bent geweest zal nog een X aantal gradaties erger zijn.

Maar goed. Zij zeggen dat het niet is gebeurd, hij zegt dat het wel is gebeurd, en ik was er godzijdank niet bij om welke waarheid dan ook met eigen ogen te bevestigen.

In zijn nieuwste roman Grand Hotel Europa heet de hoofdpersoon gewoon weer Ilja Leonard Pfeijffer. Hij is pompeus, koket, snobistisch, overdreven eloquent, verliefd op het geluid van zijn eigen stem, blind voor de behoeftes van anderen en de tekortkomingen van zichzelf – met andere woorden: hij is een heerlijk personage. Want dat moet je Pfeijffer nageven: het personage waarin hij zichzelf verandert is een figuur you love to hate. De roman begint als deze Ilja aankomt bij het Grand Hotel Europa – het soort hotel met Korintische zuilen, kroonluchters, een Chinese kamer, een portret van Paganini in de lobby, marmeren trappen, een piccolo in een nostalgisch rood uniform en een manager die zich liever ‘majordomus’ laat noemen. Zijn kamer is perfect omdat er geen interior designer aan te pas is gekomen, maar uitpuilt met een allegaartje van decoraties en meubelstukken uit ver van elkaar verwijderde tijdvakken. In Grand Hotel Europa komt hij de wonden likken die zijn zojuist gesneuvelde relatie met de Italiaanse Clio heeft achtergelaten.

Alle vrouwen met wie hij in het boek naar bed gaat komen binnen luttele alinea’s spetterend klaar. Het zal het gouden pennetje van de schrijver zijn

Clio ontmoette hij bij een lezing in Genua, ze raakten aan de praat over haar werk als kunsthistorica en over de toestand van Italië (‘Weet je dat ik elke dag dat ik werk tussen het afgedankte antiek de geur van rotting, bederf, stilstand en dood kan ruiken? Dat is de geur van Italië’) en omdat hij op haar gepassioneerde zwartgallige monoloog niet anders kon reageren dan met het zeekoeierige ‘Ik vind je mooi’ begonnen ze te flirten, flirten werd zoenen, zoenen werd iets meer. Zonder er echt iets voor te hoeven doen kwam Clio met haar ‘krokante kontje en haar pittige tietjes’ (really?) daverend klaar – zoals alle vrouwen met wie hij in het boek naar bed gaat binnen luttele alinea’s spetterend klaarkomen. Het zal het gouden pennetje van de schrijver zijn.

In de verhaallijn over zijn gesneuvelde relatie komt het personage ‘Ilja Leonard Pfeijffer’ het best tot zijn recht. Clio is doortastend, ondernemend; in vergelijking is Ilja passief, wollig. Wanneer zij hormonaal jaloers en onredelijk is, is hij zo kalm en rationeel dat het paternalistisch wordt en je eerder haar kant zou kiezen dan de zijne. Pfeijffer weet dat heel goed en schmiert ermee zoals de beste acteurs dat kunnen.

Grand Hotel Europa is een wonderlijk vrij boek dat elk nieuw hoofdstuk een nieuwe wending neemt. Pfeijffer moet het met een enorm plezier geschreven hebben. Het relatiedrama met Clio, hun zoektocht naar een verdwenen Caravaggio, de kitsch-kunst van Damien Hirst, de levensverhalen van de andere hotelgasten, het migratie-epos van Abdul de piccolo, Ilja’s deelname aan een Nederlandse documentaire, lange opsommingen van de verschillende stereotypen toeristen, eindeloze wikipediaëske uitweidingen over de geschiedenis van oude steden. Soms is zijn schrijfstijl grappig parmantig, regelmatig onnodig deftig (zinnen als ‘Ik ga er geen gewoonte van maken om evidenties te notuleren…’), sommige hoofdstukken zijn feitelijk interviews met al dan niet bestaande personen. Twee thema’s houden die alle kanten op schietende verhaallijnen bij elkaar: het verleden van Europa en massatoerisme.

Het massatoerisme ligt voor de hand want llja verhuist met Clio naar Venetië, de wereldhoofdstad van het toerisme. Nu lijkt massatoerisme iets dat zich niet per se origineel laat beschrijven (een druk plein – we weten allemaal hoe dat eruitziet), maar Pfeijffer weet daar reliëf in te brengen. Bijvoorbeeld door het migratieverhaal van de piccolo af te zetten tegen het reisgemak van de hotelgasten: zelfde bestemming, volkomen andere reis. Hij geeft lange monologen over de gevolgen van Airbnb en bezoekt een echtpaar ervaren reizigers dat lekker smeuïg vertelt hoe ze toekeken toen een jong meisje door een groep mannen werd verkracht in India. Dat kun je wreed vinden, zegt de man. ‘Maar als je moeite neemt om je te verdiepen in de diepere betekenis, ga je de nuances zien. Ik vind dat persoonlijk heel leerzaam.’ Het heeft iets moois, zegt de vrouw. ‘Of misschien is “puur” een beter woord. Of “inspirerend”.’

Als Ilja zegt dat hij het wat ver vindt gaan inspiratie te putten uit een openbare verkrachting zegt de man – in zijn woonkamer in een woonboerderij tussen kavelsloten – meteen: ‘Dat is weer die typisch westerse manier van denken.’

Pfeijffer schetst een wereld waarin zaken door massatoerisme hun betekenis verliezen of juist verkeerde betekenissen krijgen. Zijn geliefde Grand Hotel Europa valt in de handen van een Chinese ontwikkelaar die zich voorneemt het hotel nog traditioneler te maken, want daar komen de buitenlandse gasten op af. Het authentieke wordt kitsch.

Het tweede thema is het verleden. Voor zover Grand Hotel Europa een ideeënroman is, is het een ideeroman – enkelvoud. En dat idee wordt op bijna elke bladzijde herhaald. Er is geen ontkomen aan: ‘Ons verleden is zowel het blok aan ons been als ons unique selling point’, Europa is ‘een gevangene van zijn eigen verleden’, ‘de zinkende stad’ Venetië is ‘in feite een museum’, Malta ‘leeft, voor zover het leeft, in het verleden’, ‘Italië wordt gewurgd door haar verleden’. Ilja merkt op: ‘Als een significant en groeiend deel van de bevolking bereid is te geloven dat vroeger alles beter was, kunnen we met recht spreken van een oud en moe geworden continent, dat als een bejaarde voor zich uit staart zonder nog iets van de toekomst te verwachten.’ Clio groeide op in de oude kastelen van haar oude adellijke familie en het eerste dat ze tegen Ilja zegt is: ‘Ik ben geloof ik niet zo geïnteresseerd in de toekomst.’ Ilja zegt: ‘Europeanen spelen als kind tussen de ruïnes van vervallen wereldrijken (…) Er is zoveel verleden in Europa dat er geen plek meer voor de toekomst is.’ Het boek dat de schrijver Ilja wil schrijven, zegt hij tegen zijn uitgever, moet gaan over ‘Europa, de Europese identiteit, die verstrikt is in het verleden, en over de uitverkoop van dat verleden op een geglobaliseerde markt bij gebrek aan geloofwaardige alternatieven.’

Het ondermijnende manco van dat idee is, natuurlijk, dat je het niet echt een idee kunt noemen. Iedereen weet dit al. Je kunt niet de afgelopen vijf jaar de krant hebben gelezen zonder ontelbare stukken gelezen te hebben over hoezeer Venetië een pretpark is geworden met meer toeristen dan inwoners of hoezeer de Brexit niet is ingegeven door een reëel toekomstbeeld, maar door een verlangen naar een geïdealiseerd verleden. In elke lidstaat winnen partijen zetels die liever naar het verleden kijken dan naar de toekomst, natuurlijk zoeken de hordes Chinese toeristen niet het echte Europa, maar het Europa dat ze kunnen instagrammen. In thematiek sjokt Grand Hotel Europa ver achter de opiniebladen aan.

Zelf vergelijkt Ilja in gesprek met zijn uitgever zijn geplande boek met Thomas Manns Toverberg, maar meer recent verscheen een ander verhaal waarin een hotel werd gebruikt als metafoor voor Europese beschaving, namelijk The Grand Budapest Hotel – de film waarmee regisseur en scenarist Wes Anderson voor een hele sloot Oscars werd genomineerd. In vergelijking verliest Pfeijffer op tragiek, want toen Hans Castorp zijn toverberg verliet wachtte de Eerste Wereldoorlog op hem, terwijl monsieur Gustave de fascisten zijn Grand Budapest Hotel zag binnenvallen.

Misschien is die vergelijking niet fair. De Toverberg en The Grand Budapest Hotel werken naar een duidelijk eindpunt toe. Grand Hotel Europa lijkt niet om een concreet eindpunt te gaan; ik denk niet dat Pfeijffer wil dat de lezer aan het einde meehuilt met Ilja, zoveel medelijden heeft hij niet met hem. Het gaat Pfeijffer er eerder om een kader te verzinnen waarin hij zo veel mogelijk moderne zwaktes en illusies kan laten samenkomen en vrij kan laten rondrennen. Who cares about plot? Je kunt je zelfs afvragen of de schrijver wel de ambitie heeft met originele ideeën te komen. Het is alsof hij zijn eigen kritiek al in zijn boek heeft verwerkt. Hij laat Ilja met regelmaat commentaar geven hoezeer zijn eigen ideeën platgetreden en cliché zijn; zijn Ilja wordt zo een van Europa’s ‘chattering classes’, die eindeloos de misstanden analyseert, vrijblijvend, sippend aan zijn witte wijn.